In deze zaak stond de vaststelling van kinderalimentatie centraal voor twee minderjarige kinderen van partijen die in 2020 uit elkaar gingen.
De man kwam in hoger beroep tegen een eerdere beschikking van de rechtbank waarin hij een bijdrage van €176 per kind per maand moest betalen. De vrouw voerde verweer en stelde een hoger bedrag en aanvullende voorwaarden voor, waaronder de verdeling van bijzondere verblijfsoverstijgende kosten.
Het hof stelde vast dat de behoefte van de kinderen niet meer in geschil was en dat de draagkracht van de man en vrouw onvoldoende was om volledig in die behoefte te voorzien. Na een uitgebreide analyse van het inkomen, schulden en woonlasten van beide partijen, koos het hof voor een redelijke en billijke draagkrachtberekening, waarbij het woonbudget als uitgangspunt werd genomen.
Het hof bepaalde dat de man een bijdrage van €120 per kind per maand moet betalen vanaf 23 juni 2023, met indexering vanaf 1 januari 2024. Verzoeken tot verdeling van bijzondere kosten en proceskostenveroordeling werden afgewezen, waarbij proceskosten werden gecompenseerd.