In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de vaststelling van de kinderalimentatie voor de twee kinderen van partijen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De man, verzoeker in het principaal hoger beroep, heeft de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 13 februari 2025 aangevochten, waarin was bepaald dat hij € 176,-- per kind per maand moest betalen. De vrouw, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, heeft verweer gevoerd en verzocht om een hogere bijdrage van € 300,-- per kind per maand, met terugwerkende kracht vanaf 23 juni 2023. Het hof heeft de ingangsdatum van de kinderalimentatie vastgesteld op 23 juni 2023, de datum waarop de rechtbank een voorlopige bijdrage had vastgesteld van € 227,-- per kind per maand. Het hof heeft de draagkracht van de man berekend op € 708,-- per maand en die van de vrouw op € 673,-- per maand. Gezien het tekort aan draagkracht van beide partijen, heeft het hof besloten dat de man € 120,-- per kind per maand moet betalen, met ingang van 23 juni 2023, en dat deze bijdrage met ingang van 1 januari 2024 wordt geïndexeerd. De proceskosten zijn gecompenseerd, wat betekent dat elke partij zijn eigen kosten draagt.