ECLI:NL:GHAMS:2025:3435
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
Het Openbaar Ministerie vorderde in eerste aanleg dat aan de betrokkene een geldbedrag van € 2.630,54 zou worden opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank Amsterdam sprak de betrokkene vrij van de feiten die relevant zijn voor de ontnemingsvordering en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in haar vordering.
Tegen dit vonnis stelde het Openbaar Ministerie hoger beroep in. Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep behandeld tijdens meerdere zittingen in november en december 2025. Na beoordeling van de stukken en het horen van partijen heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd.
Het hof oordeelde dat het Openbaar Ministerie terecht niet-ontvankelijk werd verklaard in haar vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien de betrokkene was vrijgesproken van de relevante feiten. Hierdoor kon de ontnemingsvordering niet worden toegewezen.
De beslissing van het hof betekent dat de betrokkene geen verplichting tot betaling van het gevorderde bedrag aan de Staat heeft. Het arrest is gewezen door een meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 18 december 2025.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.