ECLI:NL:GHAMS:2025:3435

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
23-002111-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Het Openbaar Ministerie vorderde in eerste aanleg dat aan de betrokkene een geldbedrag van € 2.630,54 zou worden opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank Amsterdam sprak de betrokkene vrij van de feiten die relevant zijn voor de ontnemingsvordering en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in haar vordering.

Tegen dit vonnis stelde het Openbaar Ministerie hoger beroep in. Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep behandeld tijdens meerdere zittingen in november en december 2025. Na beoordeling van de stukken en het horen van partijen heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd.

Het hof oordeelde dat het Openbaar Ministerie terecht niet-ontvankelijk werd verklaard in haar vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien de betrokkene was vrijgesproken van de relevante feiten. Hierdoor kon de ontnemingsvordering niet worden toegewezen.

De beslissing van het hof betekent dat de betrokkene geen verplichting tot betaling van het gevorderde bedrag aan de Staat heeft. Het arrest is gewezen door een meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 18 december 2025.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002111-22 (ontneming)
datum uitspraak: 18 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2022 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-995016-21 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
uit anderen hoofde gedetineerd in [PI].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 2.630,54.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2022 vrijgesproken van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de ontnemingsvordering.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 18 juli 2022 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 december 2025 vrijgesproken van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de ontnemingsvordering.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6, 20, 21, 27 november en 4 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waartegen beroep

De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof zal het vonnis daarom bevestigen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waartegen beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. L.M.G. de Weerd en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 december 2025.
=========================================================================
[proces-verbaal uitspraak]