De zaak betreft een geschil over de hoofdverblijfplaats van een veertienjarige minderjarige en de zorgregeling tussen de ouders na hun echtscheiding. De vader verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar zijn woonadres en inschrijving van de minderjarige op een school bij hem, maar de rechtbank wees dit af. De vader ging hiertegen in hoger beroep.
In de procedure is vastgesteld dat de minderjarige sinds 2011 bij de moeder woont, met gezamenlijke gezagsuitoefening. Er zijn zorgen over de veiligheid en het welzijn van het kind bij de moeder en haar partner, wat leidde tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De minderjarige verbleef tijdelijk bij de vader, maar de hulpverlening daar was onvoldoende en het kind vertoonde zelfbepalend gedrag.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling adviseerden een neutrale woonplek voor het kind, waar hij rust kan vinden en aan zijn ontwikkeling kan werken. Het hof oordeelt dat wijziging van de hoofdverblijfplaats naar de vader niet in het belang van de minderjarige is, mede vanwege loyaliteitsproblemen en onvoldoende structuur bij de vader. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de vader af.