ECLI:NL:GHAMS:2025:3394

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.355.880/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van eenhoofdig gezag over minderjarige na beëindiging van gezamenlijk gezag

In deze zaak gaat het om het gezag over de minderjarige [minderjarige], die op 3-jarige leeftijd is. De rechtbank Noord-Holland heeft in een eerdere beschikking van 20 maart 2025 het verzoek van de moeder om alleen het gezag over [minderjarige] te krijgen toegewezen. De vader is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 9 december 2025 de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. De ouders, die zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit hebben, zijn op 16 november 2023 gescheiden. De moeder heeft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige]. De vader verzoekt om het gezamenlijk gezag in stand te houden, terwijl de moeder het verzoek van de vader afwijst en de bestreden beschikking wil bekrachtigen. Het hof heeft vastgesteld dat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is, wat het gezamenlijk gezag bemoeilijkt. De raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het hof concludeert dat het in het belang van [minderjarige] is dat de moeder met het eenhoofdig gezag wordt belast, omdat gezamenlijke beslissingen niet adequaat kunnen worden genomen. De vader kan echter nog steeds een actieve rol in het leven van [minderjarige] vervullen, ook zonder gezag.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.880/01
zaaknummer rechtbank: C/15/348483/FA RK 24-393
beschikking van de meervoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal te Leiden,
en
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. I.C. Andréa te Alkmaar.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (3 jaar).
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 20 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de moeder om alleen het gezag over [minderjarige] te krijgen, toegewezen.
De vader is het daar niet mee eens en wil het gezamenlijke gezag behouden. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.
1.3
Het hof laat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het gezag in stand. Hierna wordt uitgelegd waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 19 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 4 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De zitting heeft op 31 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door K. Ajdid, tolk in de Arabische taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door A. Mourabit, tolk in de Arabische taal;
- de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2022 te [plaats B] .
De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 16 november 2023 gescheiden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 24 augustus 2023. De ouders hadden tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag over [minderjarige] . De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de moeder.
3.2
De moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder voortaan met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] belast.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag af te wijzen en het gezamenlijk gezag in stand te laten.
4.3
De moeder verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Zoals hiervoor vermeld, bezitten de ouders zowel de Nederlandse nationaliteit als de Marokkaanse nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. Omdat de moeder en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast bij de beoordeling van het verzoek. De ouders hebben daartegen niet gegriefd, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen.
Uit artikel 1:251a BW volgt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.3
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag heeft beëindigd. De vader vindt dat tussen de ouders wel degelijk overleg mogelijk is. Hij erkent dat hij eerder niet altijd zijn medewerking heeft gegeven aan gezagskwesties, maar inmiddels heeft hij meer vertrouwen in de moeder en is hij bereid zich welwillend en meewerkend op te stellen. Het enige doel van de vader is en blijft dat hij op een stabiele, respectvolle en zorgzame manier contact kan onderhouden met zijn dochter, zodat zij opgroeit met beide ouders in haar leven en dat hij een rol van betekenis kan hebben in het leven van zijn dochter.
5.4
De moeder vindt dat de rechtbank het gezamenlijk gezag terecht heeft beëindigd. Anders dan de vader stelt lukt het de ouders niet om op een constructieve manier met elkaar te communiceren. Door de ervaringen van de moeder binnen het huwelijk, als gevolg waarvan de moeder (met code rood) in een vrouwenopvang heeft gezeten, heeft de moeder veel angst voor de vader. Doordat de ouders niet in staat zijn om met elkaar te communiceren, is het ook niet mogelijk om in gezamenlijk overleg beslissingen te nemen over [minderjarige] , waardoor het risico bestaat dat de beslissingen over [minderjarige] niet in het vereiste tempo genomen kunnen worden. Bovendien speelt de man slechts een beperkte rol in het leven van [minderjarige] . Voordat Sensazorg betrokken was, heeft [minderjarige] de vader (los van een aantal videobelmomenten) slechts een enkele keer fysiek gezien. Hij heeft daarom onvoldoende zicht op de ontwikkeling en behoefte van [minderjarige] , hetgeen wel noodzakelijk is om gezagsbeslissingen over haar te kunnen nemen.
5.5
De raad heeft ter zitting het hof geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De vader geeft aan dat contact mogelijk is tussen hem en de moeder, met name over praktische zaken zoals de aanschaf van luiers of het samen drinken van koffie. Dit zijn echter geen gezagsbeslissingen. In het belang van [minderjarige] , haar stabiliteit en het kunnen nemen van tijdige en adequate beslissingen, ziet de raad geen aanleiding om in het advies af te wijken van de beslissing die de rechtbank heeft genomen.
De beoordeling
5.6
Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag van de ouders over een minderjarig kind het wettelijk uitgangspunt is. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer met zich mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders zijn [in] 2021 in Marokko gehuwd, waarna de moeder op 4 juli 2021 bij de vader in zijn woning in [plaats A] is ingetrokken. Vrijwel direct ontstonden er zeer heftige ruzies en conflicten. Op 12 augustus 2021 is de moeder met code rood in de vrouwenopvang opgenomen. [in] 2022 is [minderjarige] geboren. De ouders zijn op 16 november 2023 gescheiden. Inmiddels heeft de vader elke veertien dagen één keer fysiek contact met [minderjarige] , gedurende een uur onder begeleiding van Sensa Zorg, en één keer in de veertien dagen hebben zij telefonisch contact.
Vanwege het belaste verleden, waarin zij slechts zeer kort samen hebben geleefd, en het wederzijdse wantrouwen is de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord. Zij slagen er niet in om in het belang van [minderjarige] duurzaam tot een constructieve communicatie te komen. Sinds begin 2025 is Sensa Zorg bij het gezin betrokken geraakt. Zij hebben een hulpverleningstraject ingezet, waaraan beide ouders meewerken. In dit traject is Senza Zorg leidend in de vormgeving van het contact tussen de ouders. Zo is tijdens de zitting gebleken dat de ouders geen rechtstreeks contact met elkaar hebben, maar (minimale) communicatie met elkaar hebben via een WhatsApp groep, die door Sensa Zorg wordt beheerd en begeleid. Dit gaat in principe goed, maar zonder de begeleiding van Sensa Zorg valt verbetering van de situatie tussen de ouders binnen afzienbare termijn niet te verwachten en is het niet mogelijk voor de ouders om beslissingen van enig belang aangaande [minderjarige] gezamenlijk te nemen.
Ook is voldoende aannemelijk geworden dat het verkrijgen van een paspoort voor [minderjarige] problemen opleverde en dat de vader ook meermaals zijn toestemming heeft geweigerd voor vakanties, waarvoor de moeder twee keer een procedure voor vervangende toestemming heeft moeten starten bij de rechtbank. Uit de uitlatingen die de vader tijdens de zitting in hoger beroep heeft gedaan concludeert het hof dat voornoemde gebeurtenissen geen incidentele situaties zijn geweest, maar dat het (nog steeds) om een structureel probleem gaat dat de gezamenlijke uitoefening van het gezag bemoeilijkt. Gedwongen overleg over gezagskwesties zorgt voor veel stress en een verminderde belastbaarheid van de vrouw. Dit is niet in het belang van [minderjarige] , nu de moeder als de hoofdverzorger beschikbaar dient te zijn voor [minderjarige] .
Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat de moeder gezagsbeslissingen samen met de vader moet nemen. Beslissingen kunnen onder de geschetste omstandigheden niet gezamenlijk en niet voldoende voortvarend en adequaat worden genomen.
Het hof is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat de beëindiging van het gezamenlijk gezag en het belasten van de moeder met het eenhoofdig gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel dan ook bekrachtigen. Het hof wenst hierbij te benadrukken dat dit niet betekent dat de vader geen actieve rol in het leven van zijn dochter kan vervullen. Gezamenlijk gezag is niet noodzakelijk voor een mogelijke uitbreiding van de omgang. Ook moet de moeder als gezagsouder – wellicht door tussenkomst van Sensa Zorg - de vader blijven informeren over het welzijn van [minderjarige] en belangrijke ontwikkelingen in haar leven. Zo blijft de vader op de hoogte van belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige] . Het hof gaat er vanuit dat de moeder daarvoor zorg zal dragen. Zo kan de vader toch betrokken blijven bij [minderjarige] , ook al heeft hij geen gezag meer.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de beslissing over het gezag.
verzoekt de griffier krachtens het bepaald in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie-en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van Baardewijk, J.M.C. Louwinger-Rijk en A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.