ECLI:NL:GHAMS:2025:3384

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
23-001450-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake gewapende overval op Schöne Edelmetaal met meerdere verdachten en politiebetrokkenheid

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte, Mega Yaros, was betrokken bij een gewapende overval op Schöne Edelmetaal in mei 2021, waarbij een grote hoeveelheid edelmetalen werd gestolen. Tijdens de vlucht van de overvallers werd er op politieambtenaren geschoten, wat leidde tot ernstige gevolgen voor de betrokken politieagenten, waaronder PTSS. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaren en zes maanden, waarbij het hof de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers zwaar heeft meegewogen. De rechtbank had eerder een lagere straf opgelegd, maar het hof oordeelde dat de omstandigheden van de zaak, waaronder de gewelddadige uitvoering van de overval en de bedreiging van politieambtenaren, een zwaardere straf rechtvaardigen. Daarnaast zijn er vorderingen tot schadevergoeding ingediend door de benadeelde partijen, waaronder politieambtenaren en de eigenaar van Schöne Edelmetaal, die door het hof zijn toegewezen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001450-23
datum uitspraak: 11 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-133494-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .
Dit arrest wordt gewezen in een strafzaak die bekend is geworden onder de namen Yaros I en Yaros II. Het hof wijst in de zaken van zeven verdachten gelijktijdig arrest.
Het gaat in deze zaak om de gewapende overval op Schöne Edelmetaal in Amsterdam-Noord, gevolgd door een achtervolging door de politie, waarbij vanuit de dadergroep op verschillende locaties met geweren is geschoten. In Broek in Waterland zijn de meeste overvallers aangehouden.
Deze aangehouden overvallers zijn [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] (respectievelijk chauffeur, bijrijder en inzittende van de betrokken [voertuig 2] ). Daarnaast gaat het om [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (respectievelijk chauffeur en inzittende van de bij de overval gebruikte [voertuig 1] ). Een zesde betrokkene, [medeverdachte 5] die bijrijder was in de [voertuig 1] , is in Broek in Waterland om het leven gekomen. Het onderzoek naar de betrokkenheid van deze overvallers is genoemd Yaros I.
Verder stonden [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] terecht. Zij zijn beiden geruime tijd later aangehouden. Het onderzoek naar hun betrokkenheid is Yaros I (in de zaak [medeverdachte 6] ) en Yaros II (in de zaak [medeverdachte 7] ) genoemd. De verdenking in het geval van [medeverdachte 6] hield in dat hij, kort gezegd, in een coördinerende rol betrokken is geweest. [medeverdachte 7] is vervolgd wegens zijn rol als één van de uitvoerders.

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
6, 7, 14 en 28 oktober 2025 en 3, 7 en 27 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: de advocaat-generaal) en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan Schöne Edelmetaal, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer medewerker(s) van Brinks, een of meer medewerker(s) van Schöne Edelmetaal en/of een of meer politieambtenaren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
 die medewerker(s) van Brinks en/of Schöne Edelmetaal met tie wraps vast te binden en/of
 met (automatische) vuurwapens(s) naar die medewerker(s) van Brinks en/of Schöne Edelmetaal te richten en/of
 die medewerker(s) van Brinks een mes te tonen en/of die medewerker(s) van Brinks te schoppen en/of
 met (een) (automatische) vuurwapen(s) op de openbare weg in de lucht te schieten en/of
 met (een) (automatische) vuurwapen(s) op de openbare weg een aantal kogels in de richting van voertuig(en) waarde politieambtenaren zich in bevonden te schieten en/of
 met (een) (automatische) vuurwapen(s) op de openbare weg op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren te schieten;
2.
primair
hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meer politieambtenaren, te weten [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] en/of [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5] en/of [politieambtenaar 6] en/of [politieambtenaar 7] en/of [politieambtenaar 8] en/of [politieambtenaar 9] en/of [politieambtenaar 10] en/of [politieambtenaar 11] en/of [politieambtenaar 12] en/of [politieambtenaar 13] (werkzaam bij de Nationale Politie) van het leven te beroven,
 [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje),
telkens met (een) (automatische) vuurwapen(s) een aantal kogels in de richting van voertuig(en) waar die politieambtenaren zich in bevonden en/of op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren heeft geschoten, welke poging(en) tot doodslag werd(en) vergezeld en/of voorafgegaan van een of meer strafbare feiten, te weten het (mede)plegen van een diefstal met geweld (te weten een overval op Schöne Edelmetaal, en welke poging(en) tot doodslag op de politieambtenaren werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan dat/die feit(en) hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of in Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten
 [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje),
van het leven te beroven, met (een) (automatische) vuurwapen(s) een aantal kogels in de richting van voertuig(en) waar die politieambtenaren zich in bevonden en/of op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten
 [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje),
heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend aan bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (een) (automatische) vuurwapen(s) getoond en/of voornoemd(e) vuurwapen(s) op bovengenoemd(e) perso(o)n(en) gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) (meermalen) met voornoemd(e) vuurwapen(s) in de lucht en/of in de richting van (het/de voertuig(en) van) bovengenoemd(e) perso(o)n(en) geschoten;
3.
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten
 [politieambtenaar 14] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of
 [politieambtenaar 15] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of
 [politieambtenaar 16] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of
 [politieambtenaar 17] (locatie: Meeuwenlaan (bus 2)) en/of
 [politieambtenaar 18] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of
 [politieambtenaar 19] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of
 [politieambtenaar 21] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of
 [politieambtenaar 22] (locatie: Onderweg passeren [voertuig 1] ) en/of
 [politieambtenaar 23] (locatie: Broek in Waterland/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 24] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 25] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 26] (locatie: Ramvoertuig),
heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend aan bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (een) (automatische) vuurwapen(s) getoond en/of voornoemd(e) vuurwapen(s) op bovengenoemd(e) perso(o)n(en) gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) (meermalen) met voornoemd(e) vuurwapen(s) in de lucht en/of in de richting van (het/de voertuig(en) van) bovengenoemd(e) perso(o)n(en) geschoten;
4.
primair
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland en/of Diemen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht aan/in (een) personenauto(‘s), te weten
 een [voertuig 1] met kenteken [kenteken 1] en/of
 een [voertuig 2] met kenteken [kenteken 2] en/of
 een [voertuig 3] met kenteken [kenteken 3] ,
door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met een brandbare stof (die in/over/tegen de personenauto(’s) was gesprenkeld/gegoten/gegooid), ten gevolge waarvan die personenauto(’s), geheel en/of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor het wegdek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland en/of Diemen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en wederrechtelijk
 een [voertuig 1] met kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, en/of
 een [voertuig 2] met kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, en/of
 een [voertuig 3] met kenteken [kenteken 3] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan [eigenaar] ,
in elk geval geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

4.Het onder 1 tenlastegelegde

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de medewerkers van Schöne Edelmetaal geen rechtstreeks slachtoffer van het onder 1 tenlastegelegde zijn en dat de laatste twee gedachtestreepjes (schieten in de richting van de (voertuig(en) van) politieambtenaren) niet kunnen worden bewezen.
Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
4.3.
Oordeel van het hof
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 19 mei 2021 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld, met dien verstande dat het hof niet bewezen acht dat het geweld of de bedreiging ermee mede tegen de medewerkers van Schöne Edelmetaal is gepleegd. Hoewel de situatie tijdens de overval voor hen zeer bedreigend is geweest zijn zij niet bedreigd of mishandeld op een instrumentele wijze als bedoeld in de delictsomschrijving van artikel 312 Wetboek van Strafrecht (Sr). In zoverre wordt de verdachte vrijgesproken.
De laatste twee gedachtestreepjes (schieten in de richting van de (voertuig(en) van) politieambtenaren) acht het hof, anders dan de raadsvrouw, gelet op hetgeen hierna ten aanzien van de feiten 2 en 3 wordt overwogen, ook bewezen.

5.Het onder 2 tenlastegelegde

5.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat er voor alle verdachten een bewezenverklaring kan volgen voor enkele incidenten die onder feit 2 primair ten laste zijn gelegd als poging gekwalificeerde doodslag en dat voor de meeste overige tenlastegelegde incidenten een bewezenverklaring kan volgen voor de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging.
Een bewezenverklaring voor het primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag dient te volgen voor:
de invoegstrook S115 richting de A10 ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , gedachtestreepje 1 en 2);
de N247/Slochterweg/busbaan ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , gedachtestreepje 1 en 2);
de locatie Broekergouw/Kruisweg ten aanzien van de inzittenden van de Hyundai Kona ( [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 3] , gedachtestreepje 3 en 4);
de locatie Galggouw (met de hoek Broekergouw) ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Passat ( [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] , gedachtestreepje 5 en 6);
de locatie ‘Bruggetje’ (op de Kruisweg richting Broekergouw) ten aanzien van de [politieambtenaar 7] en [politieambtenaar 8] , gedachtestreepje 7 en 8).
Een bewezenverklaring voor het meer subsidiair tenlastegelegde medeplegen van bedreiging dient te volgen voor de locatie:
Zuiderzeeweg ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , gedachtestreepje 1 en 2);
de Afrit S116 /A10 richting ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , gedachtestreepje 1 en 2);
de N247 (geschoten vanuit de [voertuig 2] ) ten aanzien van de inzittenden van de Hyundai Kona ( [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] , gedachtestreepje 3 en 4);
de N247 ten aanzien van de bestuurder van de Volkswagen Passat ( [politieambtenaar 5] , gedachtestreepje 5)
Galggouw/Broekergouw ten aanzien van de inzittenden van de politiebus ( [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] ; gedachtestreepje 10, 11 en 12);
het ‘Kippenbruggetje’ ten aanzien van de inzittenden van de politiebus ( [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] , gedachtestreepje 10, 11 en 12);
‘Bruggetje’ (Kruisweg richting Broekergouw) ten aanzien van de [politieambtenaar 13] , gedachtestreepje 13.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot integrale vrijspraak ten aanzien van de bijrijder van de Volkswagen Passat ( [politieambtenaar 6] ) op de N247 (gedachtestreepje 6).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat voor een bewezenverklaring van het onder feit 2 primair (medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag) en feit 2 subsidiair (medeplegen van poging tot doodslag) tenlastegelegde onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is. Niet vastgesteld kan worden dat er door een of meer verdachten gericht op de politieambtenaren is geschoten, zodat al om die reden een bewezenverklaring voor het primair en subsidiair tenlastegelegde niet kan volgen. Door de verdediging is er in dit verband op gewezen dat een bewezenverklaring niet enkel kan worden gebaseerd op de inhoud van het door de politieambtenaar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen omdat de politieambtenaar in deze zaak ook slachtoffer is en aangifte heeft gedaan. Van de betrouwbaarheid en waarachtigheid van de afgelegde verklaring kan dan niet zonder meer worden uitgegaan. In dit verband is er door de verdediging op gewezen dat de waarnemingen van de politieambtenaren beïnvloed kunnen zijn geweest door het slechte – regenachtige – weer waardoor het zicht beperkt was en door de chaotische stressvolle situatie waarin de politieambtenaren zich bevonden.
Daarnaast heeft de verdediging erop gewezen dat de politieambtenaren niet consistent hebben verklaard gedurende de procedure nu er verschillen zijn waar te nemen ten aanzien van de feiten voor zover deze zijn gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen, de aangifte, de aanvullende aangifte en de verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.
Verder verschillen de verklaringen van de politieambtenaren in een aantal gevallen onderling terwijl ze op dat moment in hetzelfde dienstvoertuig zaten en/of het zelfde incident beschrijven.
Ook is er door de verdediging op gewezen dat voor de stelling van verschillende politieambtenaren dat er veel schoten zijn gevuurd door de verdachten en dat er sprake was van bursts, sproei en salvo’s geen bewijs aanwezig is. Sterker nog, uit de verklaring van een getuige, aangemerkt als ervaringsdeskundige, moet worden afgeleid dat indien hiervan sprake zou zijn geweest er bewijs zou moeten zijn van inslagen en er veel meer hulzen zouden moeten zijn gevonden terwijl dit niet is vastgesteld.
De verdediging heeft ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde medeplegen van bedreiging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
5.3.
Inleidende overwegingen over de waardering van het gepresenteerde bewijs
Er is een omvangrijk opsporingsdossier aan het hof ter beschikking gesteld op grond waarvan de advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof overgaat tot bewezenverklaring van het merendeel van de aan alle verdachten onder 2 (in uiteenlopende varianten), 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Het hof ziet aanleiding om voorafgaand aan de beoordeling van het gepresenteerde bewijs voor feit 2 enkele algemene opmerkingen te maken, die mede het kader bepalen voor de door het hof te verrichten bewijswaardering.
5.3.1.
Bewijswaarde en bewijskracht
Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft tussen partijen debat plaatsgevonden over de bewijskracht die, tegen de achtergrond van de omstandigheden waaronder de kort na de overval aangehouden verdachten zijn achtervolgd, aan de resultaten van opsporing kan worden toegekend. In de vonnissen heeft de rechtbank hieraan ook beschouwingen gewijd.
Bij feit 2 gaat het om strafbare feiten die tegen politieambtenaren zouden zijn gepleegd. Daarvan hebben de meesten van hen processen-verbaal van bevinden opgemaakt. Daarna hebben zij veelal ook aangifte gedaan en zijn aanvullende aangiftes opgenomen. De meeste betrokkenen zijn later nogmaals als getuige gehoord door de rechter-commissaris. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep, onder meer onder verwijzing naar het vonnis, gewezen op de factoren die van invloed kunnen zijn geweest op de waarnemingen van de politieambtenaren. Het gaat daarbij in het bijzonder om de stressvolle omstandigheden, de dreiging die van de vluchtende daders van de overval is uitgegaan, de weersomstandigheden en de bijeenkomsten die de politie heeft georganiseerd om over de gebeurtenissen van 19 mei 2021 te spreken. Het heeft de rechtbank onder andere tot de conclusie gebracht dat zij een proces-verbaal als bedoeld in artikel 344, tweede lid, Sv, dat op grond van die bepaling kan dienen tot volstrekt bewijs, toch niet voldoende acht voor enige bewezenverklaring.
Het hof overweegt dat ingevolge artikel 344, tweede lid, Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, door de rechter kan worden aangenomen enkel op grond van een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Genoemde bepaling maakt geen uitzondering voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd. Naar het oordeel van het hof bestaat daarom op zichzelf geen grond om deze wettelijke regel van bewijsrecht opzij te zetten of van een aanvullend vereiste te voorzien. Wel is het zo dat de wet in de vorm van het bepaalde in artikel 338 Sv de rechter opdraagt om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, slechts aan te nemen indien hij daarvan de overtuiging heeft bekomen. Daarvoor moet hij vertrouwen hebben in de betrouwbaarheid van het betreffende proces-verbaal van de betrokken opsporingsambtenaar. In geval namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359, tweede lid, tweede volzin Sv wordt ingenomen met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel, dient de rechter, bij afwijking van dit standpunt door dat bewijsmiddel toch tot het bewijs te bezigen, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Het hof zal, anders dan de rechtbank, niet de algemene eis stellen dat een proces-verbaal van bevindingen telkens dient te zijn voorzien van aanvullend bewijs voordat tot bewezenverklaring kan worden overgegaan.
Het hof overweegt voorts dat de rechter volgens vaste rechtspraak tot beantwoording van een door verdediging of Openbaar Ministerie naar voren gebracht standpunt verplicht is indien dat duidelijk, beargumenteerd, en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht. Alleen dan is sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als hiervoor bedoeld.
Dit brengt met zich dat het hof eisen stelt aan bewijsverweren die betrekking hebben op het gewicht dat aan processen-verbaal en verklaringen van de betrokken politieambtenaren mag worden toegekend. Deze verweren dienen concreet te zijn over de omstandigheden waar de verdediging het oog op heeft en op de gevolgen die deze hebben gehad. Beschouwingen over mogelijke invloeden van externe factoren, denkbare verstoringen in de waarneming of de mogelijkheid van beïnvloeding van het geheugen als gevolg van debriefings of andere vormen van uitwisseling van ervaringen zijn, voor zover in algemene zin naar voren gebracht, niet toereikend.
Dit betekent dat het hof, anders dan de rechtbank, er niet reeds op voorhand vanuit gaat dat de eerder genoemde factoren in meer of mindere mate de bewijskracht of bewijswaarde van de resultaten van het opsporingsonderzoek hebben aangetast. Het door het hof te verrichten onderzoek zal, onder meer op geleide van gevoerde verweren, betrekking hebben op concrete aanknopingspunten voor het vermoeden dat de waarneming van de politieambtenaren zou zijn bemoeilijkt of dat zij daarover op enig moment onvolledig dan wel onjuist zouden hebben gerapporteerd. Hun antwoorden, gegeven op nadere vragen over de aanwezigheid en doorwerking van die mogelijk verstorende factoren, gesteld door verhorende verbalisanten gedurende het opsporingsonderzoek of tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris, vormen het object van dat onderzoek.
In dat onderzoek gaat de aandacht in het bijzonder uit naar hetgeen er kan worden vastgesteld over de wijze van totstandkoming van processen-verbaal en verklaringen en naar consistentie. Daarbij moet worden opgemerkt dat consistentie als algemeen kenmerk op zichzelf niet zonder meer bijdraagt aan het oordeel over betrouwbaarheid van gerapporteerde waarnemingen en bevindingen en over de bruikbaarheid ervan voor het bewijs. Maar de mate waarin die consistentie betrekking heeft op de kern van verklaringen kan, beoordeeld in samenhang met de inhoud van andere verklaringen en objectieve resultaten van opsporing, wél van invloed zijn op de reikwijdte van conclusies over die betrouwbaarheid en bruikbaarheid.
Het hof neemt op voorhand ook niet aan dat tijdsverloop als zodanig een omstandigheid is die de bruikbaarheid van een bewijsmiddel zonder meer in negatieve zin beïnvloedt. In zoverre wordt de advocaat-generaal gevolgd in de bij requisitoir naar voren gebrachte uitgangspunten.
Het voorgaande doet niet af aan de verantwoordelijkheid van het hof om ook zelfstandig, dat wil zeggen buiten het verband van gevoerde verweren, de potentiële bewijsmiddelen te beoordelen op samenhang en consistentie. In het bijzonder wanneer blijkt van tegenstrijdigheden binnen of tussen de gepresenteerde bewijsmiddelen, die op basis van de overige inhoud van het dossier niet kunnen worden verklaard of begrepen, is een behoedzame en kritische beoordeling nodig. Deze toetsing beweegt zich zowel op het niveau van de algemene lijnen als op het niveau van relevante details. Daarvoor zijn echter geen algemene regels te geven. Het hof ziet hierin, anders dan de rechtbank, dan ook geen aanleiding om aanvullende uitgangspunten voor die bewijswaardering te formuleren.
5.3.2. ‘
Gericht schieten’
In de feitelijke omschrijving van de poging tot gekwalificeerde doodslag en de poging tot doodslag, respectievelijk onder 2 primair en 2 subsidiair telkens ten laste gelegd, is wat de feitelijke gedragingen betreft opgenomen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, heeft geschoten ‘in de richting van’ de (voertuigen van de) politieambtenaren. Ter terechtzitting zijn door partijen standpunten naar voren gebracht die betrekking hebben op de beoordeling van het bewijs voor dit ten laste gelegde schieten. Daarbij hebben zij de bewijsopgave opgevat als beantwoording van de vraag of er ‘gericht’ is geschoten.
Uit de processtukken kan worden afgeleid dat één of meer personen (waarbij in dit verband in het midden kan blijven wie dat zijn geweest) na de overval op Schöne Edelmetaal hebben geschoten. Er zijn, voor zover van belang voor het onder 2 tenlastegelegde, schoten gelost tijdens de vlucht waarbij de overvallers werden achtervolgd door de politie en op de locatie in Broek in Waterland waar de buit werd overgeladen in andere vluchtauto’s. Tijdens de vlucht werd door de overvallers en door de politie met zeer hoge snelheid gereden. De afstanden tussen de auto’s waren volgens de politieambtenaren afwisselend klein en iets groter. In Broek in Waterland was in één geval sprake van een met hoge snelheid voorbij rijdende politieauto die mogelijk werd beschoten. Voorts kan op basis van diverse verklaringen worden aangenomen dat de aanvalsgeweren waarmee werd geschoten van uiteenlopende kwaliteit waren en tijdens het vuren in zekere mate bewogen.
Daarom kunnen naar het oordeel van het hof de woorden ‘in de richting van’, zoals opgenomen in de tenlastelegging niet op één lijn worden gesteld met ‘gericht schieten’. Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde omstandigheden dienen de aanwezigheid van vol opzet dan wel van voorwaardelijk opzet, opgevat als de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg en de bewuste aanvaarding daarvan, te worden beoordeeld.
Dat betekent overigens niet dat de lat voor de bewijslevering wordt verlaagd. Het hof zal uitgaan van de bewoordingen van de tenlastelegging en beoordelen of schieten in de richting van de politieambtenaren in één of meer gevallen bewezen is. Daarbij komt ter toets of dit in het licht van alle relevante omstandigheden en aan de hand van de toepasselijke maatstaven tot bewijs voor enige variant van het onder 2 telkens tenlastegelegde kan leiden.
5.3.3.
Aanmerkelijke kans
In het verlengde van het voorgaande wordt nog het volgende overwogen. Geen van de verdachten heeft verklaard dat het de bedoeling was om andere personen te raken. Reeds daarom zal het hof dienen te beoordelen of, waar het gaat om de poging tot doodslag, in twee varianten ten laste gelegd onder 2 primair en subsidiair, bij de schutters voorwaardelijk opzet heeft bestaan om personen dodelijk te treffen.
Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat naar algemene ervaringsregels de kans op een bepaald gevolg aanmerkelijk is en dat de verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. Daarbij komt, zo blijkt uit vaste rechtspraak, betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Deze twee factoren vormen in hun onderlinge samenhang de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging. De beoordeling van deze uiterlijke verschijningsvorm is een min of meer objectieve toetsing, vooral in het geval aan de verklaring van de verdachte in dit verband geen of weinig waarde kan worden gehecht. Van dat laatste is, zoals later in dit arrest zal blijken, in deze strafzaak sprake. Bijzondere risicoverhogende of risicoverlagende omstandigheden, zowel afhankelijk als onafhankelijk van de wil van de verdachte, kunnen daarbij van aanvullende betekenis zijn. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Er is tot slot geen grond om de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. In dit geval betekent dit dat het hof niet sneller een aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg mag aannemen op de grond dat dit een zeer ernstig gevolg zou zijn geweest.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat geen algemene regels zijn te geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan dat deze kans in een percentage zou zijn uit te drukken. De te beoordelen kans dient ‘geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen te zijn’. Deze formulering van de maatstaf valt te ontlenen aan vroegere rechtspraak van de Hoge Raad. Daarover heeft de Hoge Raad overwogen dat met de introductie van het nieuwe criterium ‘aanmerkelijke kans’ niet een wezenlijk andere vorm of mate van waarschijnlijkheid is beoogd. Dit betekent dat, zo nodig, bij een weging van de mate van waarschijnlijkheid, ook bij deze oude formulering aansluiting kan worden gezocht.
Ook vanuit dit perspectief bezien ziet het hof reden om bij de beoordeling van de tenlastelegging van feit 2, primair en subsidiair, dicht te blijven bij de daarin opgenomen woorden ‘in de richting van’. Met de operationalisering ervan door middel van het woord ‘gericht’, gehanteerd door procespartijen tijdens het debat ter terechtzitting in beide instanties, wordt een subjectieve component geïntroduceerd die onvoldoende recht doet aan de bewoordingen van de tenlastelegging en aan de context waarop deze betrekking heeft. Daardoor zou de beoordeling, gelet op specifieke kenmerken van de zaak, kunnen worden vertroebeld. Het hof stelt zich ten doel om dat te vermijden.
5.3.4.
Overige aspecten in verband met de bewijsvoering
De verdediging heeft voorts gewezen op enkele factoren die aanleiding zouden moeten geven tot een kritische beoordeling van de verklaringen en processen-verbaal van de betrokken politieambtenaren. Aan deze factoren zou namelijk telkens een relativering of soms zelfs falsificatie van de door hen gerelateerde bevindingen en waarnemingen kunnen worden ontleend.
‘De ervaringsdeskundige’
In de opsporingsfase is een persoon als getuige gehoord die veel ervaring heeft met het gebruik van een type aanvalswapen dat bekend is onder de benaming ‘Kalasjnikov’. Hij is nogmaals, naar het hof begrijpt opnieuw in de hoedanigheid van getuige, gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft zich uitgelaten over de mogelijkheden om met een wapen van dit type in het algemeen en met de onder de verdachten aangetroffen wapens in het bijzonder zodanig te schieten dat een persoon in wiens richting wordt geschoten wordt geraakt. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen uiteenlopende posities van de schutter, variërend van dynamisch (vanuit een snel rijdende auto) tot statisch (vanuit stilstand). De afstand die door een afgeschoten projectiel moet worden afgelegd speelt ook een rol bij de mate van nauwkeurigheid als er gericht wordt geschoten. Voorts zijn de kwaliteit van de schutter en de mate waarin hij is getraind volgens de ervaringsdeskundige van invloed.
Het hof zal de opmerkingen van de ervaringsdeskundige niet betrekken in de bewijswaardering. In strafvorderlijke zin heeft deze persoon een atypische hoedanigheid. Hij heeft, zo blijkt uit zijn verklaringen, veel ervaring opgedaan in gevechtssituaties waarbij aanvalswapens zijn gebruikt. Toch heeft hij niet de rol van de deskundige van wie, behoudens de zich hier niet voordoende situatie waarin gronden bestaan om reeds op voorhand niet van zijn verklaring uit te gaan, het oordeel naar zijn aard gewicht in de schaal legt bij de beoordeling van het bewijs. De deskundige is in dit geval een getuige van wie de door hem gerapporteerde ervaringen met vergelijkbare wapens aan de processtukken zijn toegevoegd. Dit betekent ook dat een aanzienlijk deel van de opmerkingen van de ervaringsdeskundige (begrijpelijkerwijs) het niveau van hetgeen naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen, niet ontstijgen. Voor zover de ervaringsdeskundige zich specifiek over de gebruikte vuurwapens heeft uitgelaten heeft hij, na kennisneming van de omstandigheden waaronder deze zijn gebruikt, toegelicht dat te verwachten valt dat de trefpunten een aanzienlijke spreiding zullen vertonen. Voorts biedt het dossier geen betrouwbare aanknopingspunten voor vaststellingen ten aanzien van de kwaliteit van de schutters, die in de hierna volgende overwegingen zullen worden geïdentificeerd. Dit houdt voor een deel verband met de omstandigheid dat ten aanzien van enkele incidenten niet met zekerheid kan worden vastgesteld wie er heeft geschoten. Anderdeels hebben de betrokken schutters gezegd dat zij geen of vrijwel geen ervaring hebben met wapens van het type Kalasjnikov dan wel daarover wisselende verklaringen afgelegd.
Tot slot merkt het hof op dat voor beantwoording van de vraag of één of meer schutters voorwaardelijk opzet op een dodelijk resultaat hebben gehad de maatstaf onder meer is gelegen in de aanwezigheid van de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg. Zoals hiervoor reeds is overwogen vindt die beoordeling plaats aan de hand van algemene ervaringsregels. Het hof kan zich voorstellen dat onder (hier niet aan de orde zijnde) omstandigheden de deugdelijkheid van de poging ter discussie kan komen te staan op basis van door een deskundige ingebrachte informatie over de kwaliteit van een wapen. Maar overigens laat de aanmerkelijke kans op het dodelijk gevolg zich naar zijn aard niet beoordelen op basis van de inbreng van deze ervaringsdeskundige. Dit geldt in het bijzonder voor het incident waarbij volgens de ervaringsdeskundige bij ‘gerichte’ schoten een auto of persoon zou zijn geraakt, te weten het moment waarop de schutter vanuit stilstand heeft geschoten in Broek in Waterland op de parkeerplaats. Niet valt in te zien dat uit het enkele gegeven dat er geen inslagen zijn aangetroffen, noch personen zijn geraakt, moet worden afgeleid dat niet in de richting van politieambtenaren zou kunnen zijn geschoten. Dat zou immers tot de ongerijmdheid leiden dat een aanmerkelijke kans op een resultaat onder bepaalde omstandigheden met zekerheid tot het beoogde of in de gedraging besloten liggende resultaat zou moeten hebben geleid om het bestaan van die kans te mogen aannemen. Zo’n standpunt kan niet als juist worden aanvaard.
Deze factoren brengen, in samenhang beschouwd, met zich dat de waarde van de informatie die is verschaft door de ervaringsdeskundige zodanig moet worden gerelativeerd dat hieraan geen betekenis kan toekomen bij de waardering van het gepresenteerde bewijs of in het kader van de bewijsvoering.
Resultaten van forensisch onderzoek
De verdediging heeft naar voren gebracht dat er geen personen zijn geraakt, noch inslagen zijn aangetroffen in de betrokken politieauto’s, bomen en woningen in de omgeving van plaatsen waar, vanuit de groep waarvan de verdachte deel uitmaakte, is geschoten. Evenmin zijn er op enkele relevante locaties hulzen gevonden. Op enkele andere locaties lag slechts een beperkt aantal hulzen. Dit moet, naar het hof begrijpt, op onderdelen tot de conclusie leiden dat er geheel niet is geschoten dan wel dat er niet intensief of niet ‘gericht’ is geschoten.
Het hof stelt op grond van de processtukken vast dat er kort na de overval onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van hulzen op de locatie van Schöne Edelmetaal aan de Meeuwenlaan in Amsterdam, op de parkeerplaats in Broek in Waterland waar de dadergroep is overgestapt in andere gereedstaande auto’s en op de Galggouw in Broek in Waterland. Op 14 december 2021 is op twee locaties gezocht, te weten bij de oprit van de S115 naar de A10 in Amsterdam-Noord en, voor een tweede maal, op de genoemde parkeerplaats. De zoekacties die zijn uitgevoerd kort na de overval hebben tot resultaat gehad dat er hulzen, afkomstig van patronen gebruikt door de verdachten, zijn gevonden. De latere acties hebben niet geleid tot enig resultaat.
Het hof overweegt dat, voor zover er wel hulzen zijn gevonden, deze bevindingen geen onderscheidend karakter hebben voor beantwoording van de vraag of er ook gericht op, dan wel in de richting van, politieambtenaren is geschoten.
Voor zover er geen hulzen zijn gevonden moet onderscheid worden gemaakt tussen de gevallen waarin op de betreffende locatie vruchteloos is gezocht en de gevallen waarin er niet is gezocht. In de laatste categorie vallen de bermen langs de A10, de afslag van de A10 naar de N247 en de N247 (waaronder begrepen de hoofdrijbaan en de busbaan bekend onder de naam Slochterweg en de weg naar Broek in Waterland na passage van de afslag naar de N235 richting Purmerend). Hieraan kan geen bijzonder gewicht worden toegekend waar het gaat om de waardering van de verklaringen van de politieambtenaren over de gang van zaken.
Wat betreft de eerste categorie gaat het met name om de oprit naar de A10 vanaf de S115 in Amsterdam-Noord. In een proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2021 is het gebied aangeduid waar op
14 december 2021 is gezocht naar hulzen. Blijkens die aanduiding is alleen gezocht in de grasberm, gelegen aan de binnenkant van de haakse bocht naar de oprit. Daar komt bij dat dit onderzoek ruim een half jaar na de dag waarop de overval heeft plaatsgehad is uitgevoerd. Deze omstandigheden, in samenhang beschouwd, kunnen niet tot de conclusie leiden dat er op de betreffende oprit in het geheel niet is geschoten. Daar waar de betrokken politieambtenaren stellig, eensluidend en bij herhaling verklaren dat er door één van de leden van de dadergroep vanuit de [voertuig 1] is geschoten kan onder deze omstandigheden het enkele ontbreken van hulzen op de locatie in kwestie, daargelaten het antwoord op de vraag of er in meer of mindere mate gericht is geschoten, zo’n vergaande conclusie niet dragen.
Voorts gaat het om het deel van de Zuiderzeeweg (S115) tot aan het tankstation van BP waar op
11 juni 2021 is gezocht, maar deze locatie speelt in de beoordeling van het bewijs, zoals hierna zal blijken, geen rol van grote betekenis.
5.4.
Oordeel van het hof
Voor zover er verweren zijn gevoerd die betrekking hebben op de bewijskracht en bewijswaarde van een proces-verbaal van bevindingen, het ontbreken van forensisch bewijs, de verklaring van de ervaringsdeskundige en het (voorwaardelijk) opzet verwerpt het hof deze verweren op grond van hetgeen hiervoor is overwogen.
In een aantal gevallen (als het primair en subsidiair tenlastegelegde niet kunnen worden bewezen) zal het hof hierna tot de conclusie komen dat sprake is van een bedreiging. In dat verband stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht vereist is dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.
Uit de aangiftes blijkt dat alle politieambtenaren die aangifte hebben gedaan dit ook hebben gedaan wegens bedreiging. Gelet op de omstandigheden inhoudende dat tijdens de vluchtroute vanuit de hardrijdende auto’s is geschoten met automatische wapens op de openbare weg, dan wel automatische wapens in de richting van de politieambtenaren zijn gehouden/getoond, acht het hof in die gevallen bewezen dat bij de betrokken politieambtenaren in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
Het opzet van de schutters op de bedreiging kan uit de aard van de gedragingen en de hiervoor bedoelde omstandigheden worden afgeleid. Wat betreft het opzet van de daders die niet hebben geschoten zal een overweging aan medeplegen worden gewijd.
In het licht van de voorgaande algemene overwegingen met betrekking tot de bewijswaardering stelt het hof ten aanzien van de verschillende incidenten die in verschillende varianten onder 2 zijn ten laste gelegd, het volgende vast.
5.4.1.
[politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] (Volkswagen Touran)
Locatie Zuiderzeeweg (in de directe omgeving van het BP tankstation)
Nu de aangevers niet hebben verklaard dat gericht op hen is geschoten, maar enkel in de lucht kan het primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde reeds daarom niet worden bewezen. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie vanuit de [voertuig 1] door [medeverdachte 4] in de lucht is geschoten. Dit betekent dat [medeverdachte 4] de genoemde politieambtenaren heeft bedreigd op de wijze als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Locatie invoeg/S115/A10
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op de oprit S115 richting de A10 gericht op de Volkswagen Touran waarin de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] zaten, is geschoten alsook dat in de richting van die politieambtenaren is geschoten. De schutter was [medeverdachte 4] , die op de achterbank van de [voertuig 1] zat.
Het hof overweegt dat er op essentiële elementen sprake is van continuïteit en consistentie in de verklaringen van de betrokken politieambtenaren. Bovendien hebben zij hun waarnemingen gedaan terwijl zij op zeer korte afstand van de [voertuig 1] reden. Daarom komt het hof tot een selectie van bewijsmiddelen zoals in de bijlage weergegeven.
Het schieten heeft plaatsgevonden tijdens de vlucht na de gewapende overval op Brink’s waarde transport op het terrein van Schöne Edemetaal in Amsterdam Noord. Door in de richting van de politieambtenaren te schieten is, gelet op wat hiervoor over het (voorwaardelijk) opzet is overwogen, sprake van voorwaardelijk opzet op de dood en omdat dit schietincident heeft plaatsgevonden na de gewapende overval en met het doel om aan de politie te ontsnappen en het behoud van de buit te verzekeren, is dit een poging tot gekwalificeerde doodslag.
Locatie afrit/S116/A10 naar N247
In navolging van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewezenverklaring kan volgen voor de primair en subsidiair tenlastegelegde poging (gekwalificeerde) doodslag. Nu de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] in het proces-verbaal van bevindingen hebben geverbaliseerd dat zij zagen dat op de A10 de persoon die linksachter in de [voertuig 1] zat uit het raam hing met het lange vuurwapen, dat het voertuig met hoge snelheid door de bocht de A10 in de richting van de S116 Purmerend opdraaide en zij vervolgens weer een doffe knal hoorden, volgt
– mede gelet op wat hiervoor over de bedreiging is overwogen – dat wel is bewezen dat [medeverdachte 4] heeft geschoten. Dit was bedreigend voor de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] ) op de afrit S116 (A10) richting de N247.
Locatie N247/Slochterweg/busbaan (Shell tankstation)
Het hof acht gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4] vanuit de [voertuig 1] in de richting van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] ) heeft geschoten op de N247/Slochterweg/Busbaan (in de buurt van het Shell station).
Het hof betrekt in dit oordeel dat de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] al in hun proces-verbaal van bevindingen hebben geverbaliseerd dat zij zagen dat er op die locatie gericht op hen werd geschoten. Dit bevestigen beide politieambtenaren in hun aangiftes waarin ze beiden ook verklaren dat er op de locatie N247/Slochterweg (in de directe omgeving van de het Shell benzinestation) op hen wordt geschoten. Het hof ziet – gelet ook op wat hierover in de algemene overwegingen is overwogen – geen reden om hieraan te twijfelen. Dat het slechte weer en de enorme stress waarin de politieambtenaren verkeerden hun waarneming kan hebben vertroebeld is – zoals hiervoor ook is overwogen – evenmin voldoende reden om aan de waarnemingen te twijfelen. Dit leidt tot de slotsom dat [medeverdachte 4] op deze locatie met het voorwaardelijk opzet op de dood heeft geschoten in de richting van de betrokken politieambtenaren.
5.4.2.
[politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] (Hyundai Kona)
Locatie N247 (vanuit de [voertuig 2] )
In navolging van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewezenverklaring kan volgen voor de primair en subsidiair tenlastegelegde poging (gekwalificeerde) doodslag. Door de politieambtenaren wordt immers niet verklaard dat op die plek gericht op hen is geschoten. Door de politieambtenaar [politieambtenaar 5] die als bestuurder in de Volkswagen Passat zat, is geverbaliseerd dat hij portofonisch hoorde dat twee opvallende politievoertuigen achter de voertuigen van (het hof begrijpt) de verdachten reden van waaruit door de verdachten op de collega’s werd geschoten en dat hij toen zicht had op de collega’s die daadwerkelijk werden beschoten met automatische wapens. Op grond van deze verklaring kan echter niet worden vastgesteld vanuit welk voertuig werd geschoten en op welke politieauto dit was gericht zodat het hof deze waarneming onvoldoende acht om aan te nemen dat er toen gericht op de inzittenden van de Hyundai Kona is geschoten door een inzittende van de [voertuig 2] . Nu op grond van de bevindingen van de politieambtenaren [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] wel kan worden vastgesteld dat de [voertuig 2] met hoge snelheid vanaf de afrit (komende van de A10) de Slochterweg (N247) opreed en dat een persoon uit het linker achterportier hing met een automatisch wapen en dat deze vanuit de [voertuig 2] heeft geschoten, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de vaststelling dat [medeverdachte 2] , die toen achterin de [voertuig 2] zat, in de lucht heeft geschoten. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen wat in algemene zin over de vereisten voor de bewijswaardering van bedreiging is overwogen.
Locatie Broekergouw/Kruisweg
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 19 mei 2021 in Broek in Waterland op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg voor de daar geparkeerde [voertuig 1] door een verdachte meerdere keren is geschoten in de richting van de politieambtenaren in de voorbij rijdende Hyundai Kona. Door aldus, onder uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden, in de richting van de politieambtenaren te schieten is er, gelet op wat hiervoor over het opzet is overwogen, sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Omdat dit schietincident heeft plaatsgevonden na de gewapende overval en met het doel om aan de politie te ontsnappen en de buit te verzekeren, is dit een poging tot gekwalificeerde doodslag.
Het door de verdediging gevoerde verweer inhoudende dat door het slechte weer en de stress waarin de politieambtenaren verkeerden, hun waarnemingen zijn beïnvloed in die zin dat zij ten onrechte menen te hebben gezien dat er gericht op hen is geschoten wordt verworpen op grond van de hiervoor opgenomen algemene overwegingen hierover. Hetzelfde lot treft het verweer dat het ontbreken van geconstateerde inslagen of overig forensisch bewijs de verklaring van de politieambtenaren onbetrouwbaar maakt.
Voor beantwoording van de vraag wie de schutter was op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg overweegt het hof het volgende.
De bijrijder heeft in haar aangifte verklaard dat zij de man die zij na de aanhoudingen van de verdachten in het weiland overnam, direct herkende als de schutter die op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg op haar en haar collega had geschoten. Ze herkende zijn rastahaar waar hij een soort sok of mutsje overheen droeg. In haar aanvullende aangifte heeft zij verklaard dat hij een soort rastanetje/panty droeg waaronder donker rastahaar/een rastaknot zat en hij had een opvallende oranje/rode skibril op. Bij de rechter-commissaris heeft ze desgevraagd verklaard dat de schutter een oranje skibril op had. Het haarnetje heeft zij gezien op zijn hoofd op het moment dat hij in hun richting schoot. Zij heeft hem herkend toen hij in het weiland lag. De afstand tussen de schutter en de Hyundai Kona was max 10 meter.
De bestuurder heeft in zijn aangifte op 2 juni 2021 verklaard dat hij een man met een rood/oranje skibril met een automatisch wapen heeft gezien voor de geparkeerde wagens die vervolgens schoot. Deze man stond op ongeveer 10 meter van de auto waarin de politieambtenaren zaten, vandaan. Deze verbalisant heeft enkele weken later in zijn aanvullende aangifte opnieuw verklaard dat de schutter een rode skibril droeg, in het donker gekleed was en een bult met haar op zijn hoofd had onder een soort haarnetje. De afstand tussen de schutter en de Hyundai waarin hij reed was ongeveer 8 à 10 meter. Hij heeft later de verdachte met de rode skibril overgenomen van collega’s. Desgevraagd bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat de schutter een soort panty over zijn hoofd had met rastahaar. Hij had een skibril op. Dat de schutter een haarnetje had, had hij al waargenomen op het moment dat de schutter richting hem en zijn collega schoot. Hij heeft de schutter later in het weiland overgenomen.
Het hof stelt vast dat op het moment van het schieten de afstand tussen de schutter en de politieambtenaren in de Hyundai Kona ongeveer 8 à 10 meter was; zij hebben hem dus van dichtbij gezien. Beide politieambtenaren hebben verklaard over het rastahaar en het netje/panty waaronder het haar werd gedragen en de rood/oranje skibril. Bovendien hebben zij beiden verklaard dat zij de schutter herkenden toen zij hem van collega’s in het weiland overnamen.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen vast dat het [verdachte] is geweest die op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg in de richting van de politieambtenaren in de voorbij rijdende Hyundai Kona heeft geschoten.
Het hof heeft in dit oordeel betrokken dat, hoewel nog twee andere verdachten een rood/oranjekleurige skibril droegen, deze verdachten op significante wijze niet aan het overige signalement voldoen.
[medeverdachte 4] , de enige persoon in de dadergroep die buiten [verdachte] ook een negroïde uiterlijk heeft, was immers niet in het donker gekleed, maar droeg juist lichte (groenkleurige) kleding en [medeverdachte 5] had een geblokte jas aan. Ook onderscheiden deze verdachten zich doordat zij onmiskenbaar geen rastahaar hadden. Bovendien was [medeverdachte 5] op het moment van de aanhoudingen al niet meer in leven.
Het door de verdediging gepresenteerde verweer dat het problematisch is dat de verbalisanten niet in het proces-verbaal van bevindingen over het rastahaar en het haarnetje hebben verklaard maar pas in hun latere (aanvullende) aangifte en dat daarmee de verklaringen van de politieambtenaren van latere datum onvoldoende betrouwbaar zijn, volgt het hof niet. Het proces-verbaal is opgemaakt op de dag waarop het schietincident heeft plaatsgevonden. Dat niet alle details over het uiterlijk van de schutter in een dergelijk proces-verbaal van bevindingen zijn opgenomen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van een verklaring daarover op een later moment. In dit verband wijst het hof erop dat de bijrijder al op 31 mei 2021 en dus minder dan twee weken later heeft verklaard over het rastahaar en het haarnetje en zij is ook bij deze verklaring gebleven in haar aanvullende aangifte en haar verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris. De bestuurder heeft eveneens al in zijn aangifte verklaard over de rode skibril en over het rastahaar in zijn aanvullende aangifte van 2 juli 2021 en is eveneens bij deze verklaring gebleven toen hij bij de rechter-commissaris werd gehoord.
Het hof heeft gelet op de gedetailleerde verklaringen over het uiterlijk van de schutter en de duidelijke herkenningen door de politieambtenaren van de schutter toen zij hem overnamen in het weiland, geen reden aan deze waarnemingen te twijfelen.
5.4.3.
[politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] (Volkswagen Passat)
Locatie N247
Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal van bevindingen van de politieambtenaren [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] niets is gerelateerd over gericht schieten op deze locatie op deze politieambtenaren. De bijrijder ( [politieambtenaar 6] ) heeft volgens de aangifte en de overige door deze politieambtenaar afgelegde verklaringen niets gezien. In navolging van het requisitoir van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte wat betreft dit incident, voor zover betrekking hebbend op deze verbalisant, van het tenlastegelegde in alle varianten moet worden vrijgesproken. Verder stelt het hof vast dat de politieambtenaar [politieambtenaar 6] weliswaar heeft verklaard in zijn aangifte dat er is geschoten, maar deze aangifte wordt niet ondersteund door een ander bewijsmiddel zodat om die reden ook een integrale vrijspraak dient te volgen wat betreft dit incident voor zover betrekking hebbend op de politieambtenaar [politieambtenaar 5] .
Locatie Galggouw/Broekergouw
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat er op de hoek Galggouw en de Broekergouw door een verdachte in de richting van de inzittenden van de Volkswagen Passat is geschoten. Door aldus op de politieambtenaren te schieten is, gelet op wat hiervoor over het (voorwaardelijk) opzet is overwogen, sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van deze politieambtenaren. Omdat dit schietincident heeft plaatsgevonden na de gewapende overval en met het doel om aan de politie te ontsnappen en de buit veilig te stellen, wordt dit aangemerkt als een poging tot gekwalificeerde doodslag.
Door de verdediging is erop gewezen dat de bestuurder van de Volkswagen Passat ( [politieambtenaar 5] ) in zijn aanvullende aangifte heeft verklaard dat hij niet heeft gezien waarop de schutter richtte zodat er onvoldoende bewijs is voor opzet op de dood.
Het hof stelt vast dat de beide politieambtenaren in het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot deze locatie melding maken van het gericht op hen schieten. In de aanvullende aangifte heeft politieambtenaar [politieambtenaar 5] verklaard dat de schutter hun kant op draaide met het wapen. Weliswaar heeft hij toen ontkennend geantwoord op de vraag of hij zag waarop de schutter richtte, maar desgevraagd heeft hij ten overstaan van de rechter-commissaris ter toelichting hierop verklaard dat hij niet kon zien of de schutter op de wielen of op de borstkast richtte maar dat hij heeft gezien dat hij het wapen in de richting van de politieambtenaren hield en dat er gevuurd werd.
Het hof ziet, gelet op de verklaringen en in het bijzonder de uitleg die de politieambtenaar als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris heeft gegeven over de verschillende accenten in de door hem gerapporteerde waarnemingen en bevindingen, geen reden te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van deze politieambtenaar over de wijze waarop is geschoten. Zijn verklaring in zijn aanvullende aangifte doet geen afbreuk aan de bruikbaarheid van zijn eerder gerelateerde bevindingen. Bovendien sluit deze aan op de bevindingen van zijn collega [politieambtenaar 6] , zoals verwoord in het proces-verbaal van bevindingen dat door het hof voor het bewijs wordt gebruikt. Het hof begrijpt de verklaring van [politieambtenaar 5] in de aanvullende aangifte aldus dat hij niet precies kon zeggen waarop werd gericht maar dat hij wel bij zijn verklaring zoals geverbaliseerd in het proces-verbaal van bevindingen blijft dat er in hun richting is gevuurd.
Dat het een van de verdachten is geweest die toen in de richting van de VW Passat heeft geschoten, stelt het hof vast op grond van de bewijsmiddelen. Niet kan worden vastgesteld welke verdachte toen vuurde.
5.4.4.
[politieambtenaar 7] , [politieambtenaar 8] , [politieambtenaar 29] en [politieambtenaar 13]
Locatie Bruggetje
Ten aanzien van [politieambtenaar 7]
Het hof stelt vast dat de politieambtenaar [politieambtenaar 7] geen proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt. Wel heeft hij aangifte gedaan van gericht schieten door een verdachte op deze locatie. Voor de vraag of er voldoende steunbewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, is de verklaring van politieambtenaar [politieambtenaar 8] relevant. Weliswaar blijkt uit de verklaring van die politieambtenaar dat er gericht is geschoten, maar naar het oordeel van het hof kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de beide politieambtenaren voor wat betreft het gericht schieten over precies dezelfde locatie spreken. De samenhang tussen beide verklaringen is daarom onvoldoende betekenisvol voor de bewijslevering.
Nu het bewijs voor opzet op de dood niet blijkt uit andere bewijsmiddelen dan een enkele aangifte zal de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde (ten aanzien van [politieambtenaar 7] ) worden vrijgesproken. Omdat zowel politieambtenaar [politieambtenaar 7] als politieambtenaar [politieambtenaar 8] wel allebei hebben verklaard over het schieten op deze locatie, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de bedreiging van politieambtenaar [politieambtenaar 7] op deze locatie, gepleegd door één van de leden van de dadergroep.
Ten aanzien van [politieambtenaar 8]
Politieambtenaar [politieambtenaar 8] heeft een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt kort gezegd inhoudende dat de man met een Kalasjnikov op hem en zijn collega’s richtte en diverse malen in hun richting schoot toen hij op de brug stond. Het hof heeft overwogen dat het bewijs dat een feit is gepleegd in beginsel kan worden gebaseerd op de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen, maar dat er omstandigheden kunnen zijn die ertoe leiden dat van dat uitgangspunt niet onverkort kan worden uitgegaan. Nu deze politieambtenaar in zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris zijn waarnemingen duidelijk heeft genuanceerd, is van een dergelijke omstandigheid sprake. Dit betekent dat het hof in dit geval aanleiding ziet om het opgemaakte proces-verbaal van bevindingen niet als toereikend bewijsmiddel te beschouwen, en van oordeel is dat er aanvullend bewijs nodig is om tot een bewezenverklaring van opzet op de dood aan te nemen. Dit aanvullende bewijs ontbreekt in deze zaak zodat het hof reeds daarom tot een vrijspraak komt van het primair en subsidiair tenlastegelegde poging (gekwalificeerde) doodslag ten aanzien van politieambtenaar [politieambtenaar 8] . Zoals ook overwogen ten aanzien van politieambtenaar [politieambtenaar 7] is er gelet op de verklaringen van beide politieambtenaren, zoals opgenomen in hun aangiftes, wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde bedreiging, gepleegd door één van de leden van de dadergroep.
Ten aanzien van [politieambtenaar 9]
In navolging van het requisitoir van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging dat ten aanzien van deze politieambtenaar de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, stelt het hof vast dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor enige variant van het verwijt in feit 2 ten aanzien van deze politieambtenaar zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van [politieambtenaar 13]
Nu de aangever en zijn collega in het proces-verbaal van bevindingen niet hebben verklaard dat gericht op hen is geschoten, maar enkel in de lucht wordt de verdachte – zoals ook door de advocaat-generaal is gerekwireerd – reeds daarom van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend in de lucht is geschoten door één van de leden van de dadergroep.
5.4.5.
[politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] (politiebus)
Locatie Broekergouw/Galggouw
Het hof volgt de advocaat-generaal in het standpunt dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er is geschoten op een manier waaruit opzet op de dood kan worden afgeleid.
Daarom zal de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend is geschoten.
Locatie Kippenbruggetje
Nu de aangevers in het proces-verbaal van bevindingen niet hebben verklaard dat er op enigerlei wijze op hen is geschoten, wordt de verdachte – zoals ook door de advocaat-generaal is gerekwireerd van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken.
Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend is geschoten.
5.4.6.
Medeplegen
Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij deze, naar verschillende incidenten uitgesplitste, feiten telkens heeft medegepleegd. In het voorgaande is overwogen dat het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen bewezen acht dat:
 [medeverdachte 4] de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie invoeg/ S115/A10 en op de locatie N247/Slochterweg/busbaan, in beide gevallen tegen de politieambtenaren NP 225356 en [politieambtenaar 2] , respectievelijk chauffeur en bijrijder van de Volkswagen Touran;
 [verdachte] de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie Broekergouw/Kruisweg in Broek in Waterland, tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 3] , respectievelijk de chauffeur en bijrijder van de Hyundai Kona;
 een niet te identificeren persoon, die deel uitmaakte van de dadergroep, de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie Galggouw in Broek in Waterland, tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] , respectievelijk chauffeur en bijrijder van de Volkswagen Passat;
 bij de overige onder 2 opgenomen incidenten, behoudens enkele deelvrijspraken, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] of een niet met zekerheid te identificeren schutter, deel uitmakend van de dadergroep, de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft gepleegd.
Maatstaven
Bij deze stand van zaken staat ter beoordeling of de hiervoor bedoelde personen één of meer van deze feiten alleen hebben gepleegd of dat zij één of meer van deze feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen hebben gepleegd. Daarbij staat het hof allereerst stil bij de vraag of sprake is van medeplegen van de bewezen te verklaren gevallen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Deze incidenten lenen zich wat deze bewijsvraag betreft voor een gezamenlijke bespreking.
Voor het bewijs van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering ervan. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties moet in de bewijsvoering aandacht worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zijn onder meer relevante factoren de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt, blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad, een beoordeling van het concrete geval. In dit verband kan de procesopstelling van de verdachte ook een rol spelen.
Voor medeplegers geldt dat zij het door de delictsomschrijving geëiste opzet moeten hebben. Dat brengt mee dat van het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag slechts sprake kan zijn als de betrokkene opzet heeft op het van het leven beroven van een ander en het medeplegen van de poging tot doodslag tevens is gepleegd met (één van de varianten van) het bijkomend oogmerk dat artikel 288 Sr eist.
Volgens vaste rechtspraak is in het geval van medeplegen voor een bewezenverklaring niet vereist dat de verdachte alle bestanddelen van de delictsomschrijving zelf heeft vervuld. Evenmin is nodig dat de verdachte alle handelingen die, ontleend aan de tenlastelegging, in de feitelijke omschrijving van de bewezenverklaring worden opgenomen, heeft uitgevoerd. Mede met toepassing van deze uitgangspunten en de algemene maatstaven voor het bewijs van medeplegen is het hof tot de bewezenverklaring van feit 1 gekomen, zoals eerder in dit arrest is overwogen. Opmerking verdient daarbij dat het hof in dat verband heeft gemarkeerd dat de bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 2 en 3 tevens bijdragen aan de verantwoording van de bewijsconstructie in het geval van de zaak van de verdachte.
Het voorgaande impliceert echter niet dat, wanneer deze feitelijke, door de verdachte niet verrichte, gedragingen als afzonderlijke delicten worden ten laste gelegd, reeds op grond van die bewezenverklaring van feit 1 ook tot bewezenverklaring van die andere feiten kan worden overgegaan. De bewijsbaarheid van de onder 2 ten laste gelegde feiten vereist telkens een zelfstandige beoordeling op basis van de daarvoor uit het dossier af te leiden bewijsmiddelen. Dit betekent evenwel niet dat dit een geïsoleerde beoordeling is waarin volledig wordt geabstraheerd van de inhoud van de voor bewezenverklaring van feit 1 gebruikte bewijsmiddelen. Evenmin staat enige rechtsregel eraan in de weg dat het hof nadere vaststellingen afleidt uit en conclusies verbindt aan die bewijsmiddelen met het oog op de bewijsvoering inzake feit 2. Dat betekent het volgende.
De eerste stap is beantwoording van de vraag of de verdachte de delictsomschrijving zelf volledig heeft vervuld. Als daarvan sprake is, is de vervolgvraag of anderen een zodanige bijdrage aan het door hem gepleegde feit hebben geleverd dat de gevolgtrekking moet zijn dat de verdachte het feit samen met één of meer anderen heeft gepleegd.
Als de verdachte de delictsomschrijving zelf niet of niet volledig heeft vervuld, dient onderzocht te worden welke bijdrage van de verdachte uit de processtukken kan worden afgeleid. Deze moet worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor weergegeven maatstaven die betrekking hebben op medeplegen.
Het hof zal deze kwesties, mede met het oog op zoveel mogelijk eenvormigheid in de in de zaken van de verdachte en zijn medeverdachten te wijzen arresten, in samenhang bespreken.
Toepassing op de zaak
De verdachten hebben deelgenomen aan een gewapende overval waarbij een hoeveelheid edelmetalen is buitgemaakt met een waarde van meer dan 14 miljoen euro. Daarbij is gebruik gemaakt van drie automatische aanvalsgeweren en een shotgun. Met in elk geval twee aanvalsgeweren is daadwerkelijk op verschillende momenten en op verschillende locaties geschoten. Een derde is gebruikt om te dreigen. Daarnaast waren nog twee vuistvuurwapens, een mes en aanzienlijke hoeveelheden munitie, waaronder van pantser doorborende kwaliteit, meegenomen.
In de respectieve fasen van de opsporing en de berechting is telkens één van de vragen geweest of er sprake was van een gezamenlijk plan voor de overval. In dat verband is vooral van belang dat er een bijeenkomst is geweest in een appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] , van de late avond tot de ochtend voorafgaand aan de overval. Met name [medeverdachte 3] heeft daarover bij de politie verklaard. Ook uit de verklaringen van [medeverdachte 4] tijdens het opsporingsonderzoek kan worden opgemaakt dat er vooroverleg heeft plaatsgevonden . Wie daarbij aanwezig waren kan op grond van hun verklaringen niet worden vastgesteld. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat in dat appartement een groot aantal uitvoerders van de overval aanwezig was maar op nadere vragen weigerde hij om namen te noemen. Ook kan uit de verklaring van [medeverdachte 3] worden opgemaakt dat een persoon in het appartement aanwezig was, die als de organisator kan worden aangemerkt. Deze gaf informatie en instructies. [medeverdachte 3] noemt deze man [bijnaam 1] . Sommige verdachten ontkennen bij een gezamenlijk vooroverleg te zijn geweest. Overig bewijs dat hen met zekerheid in het appartement in [plaats 1] plaatst ontbreekt. Daarom kan niet worden vastgesteld dat alle uitvoerders die avond en nacht in het appartement aanwezig waren.
De verdediging heeft bij pleidooi tegen deze achtergrond aandacht gevraagd voor het, in haar visie, ontbrekende harde bewijs van een plan voor de overval. Daarbij is met name één punt sterk geaccentueerd. Vrijwel alle betrokken uitvoerders van de overval hebben verklaard dat er wél een afspraak bestond over het gebruik van de vuurwapens. Deze afspraak hield in dat onder geen beding zou worden geschoten op personen, ook niet na een eventuele betrapping door de politie. Er zou alleen in de lucht worden geschoten. De verdachte heeft dit ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Daarin zou grond gelegen moeten zijn voor de conclusie dat opzet op het medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag, voor zover daarvan bij één of meer schietincidenten sprake zou zijn, niet kan worden bewezen. Naar het oordeel van het hof dient hierop een ander licht te worden geworpen en worden bovendien enkele relevante aspecten over het hoofd gezien. Daartoe wordt als volgt overwogen.
De overval is, zo kan allereerst worden vastgesteld, zodanig uitgevoerd dat daaruit blijkt dat, op tal van essentiële onderdelen, sprake is geweest van voorafgaande onderlinge afstemming. De overvallers zaten steeds in dezelfde samenstelling en op dezelfde plaatsen in de auto’s, ook nadat zij in Broek in Waterland waren overgestapt in de andere vluchtauto’s. De gehele operatie is in vier minuten uitgevoerd. Daarbij waren de rollen verdeeld. [medeverdachte 3] ramde de voordeur met de door hem bestuurde [voertuig 1] . Het rammen van de voordeur was, zo blijkt uit zijn verklaring, tijdens een voorverkenning afgesproken. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] renden als eersten naar binnen, ieder met een lang geweer in de aanslag. [medeverdachte 2] bleef buiten en positioneerde zich direct op de parallelweg en loste meer dan tien schoten in de lucht. Dat was volgens afspraak zijn taak, zo heeft hij zelf verklaard. [medeverdachte 7] paste geweld toe op de beide medewerkers van Brinks en bond hen allebei vast met tie wraps. De overige daders, van wie er enkele in hoger beroep niet terecht staan, hebben de dozen uit de transportwagen naar buiten gebracht en geplaatst in de [voertuig 1] en de [voertuig 3] . Uit dit samenstel van handelingen leidt het hof af dat er sprake was van een planmatige aanpak.
Het hof stelt met de rechtbank vast dat de verklaringen over het moment waarop en de plaats waar de bedoelde afspraak over het gebruik van de vuurwapens is gemaakt, dan wel gecommuniceerd, uiteen lopen. Ook zijn de verklaringen op dit punt algemeen en vaag. De waarachtigheid ervan kan daarom moeilijk worden beoordeeld. Maar als deze afspraak wel zou zijn gemaakt is het volgende van belang.
Allereerst leidt het veronderstelde bestaan van deze afspraak tot de conclusie dat er kennelijk over het gebruik van de wapens is gesproken en dat dit gebruik niet is uitgesloten. Sterker nog, op grond van de afgelegde verklaringen moet worden aangenomen dat gebruik van de aanvalsgeweren in bepaalde gevallen, waaronder betrapping door de politie en een daarop volgende achtervolging, als passende oplossing werd beschouwd.
Bijna alle verdachten droegen zichtbaar kogelwerende vesten, met uitzondering van [verdachte] . Of [medeverdachte 7] een dergelijk vest droeg kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Dit feit betekent op zich beschouwd al dat de verdachten allen rekening hebben gehouden met een gewelddadige confrontatie, onder meer met de politie, waar het gebruik van vuurwapens onderdeel van zou kunnen zijn.
Daar komt bij dat reeds tijdens de overval is geschoten. [medeverdachte 2] loste schoten buiten op straat. Dat waren harde klappen, zo blijkt uit de verklaringen van de daar aanwezige politieambtenaren. [medeverdachte 4] kwam na de overval naar buiten terwijl hij schoot. Rond dat moment, in elk geval voordat de overvallers wegreden in drie vluchtauto’s, de [voertuig 1] , de [voertuig 2] en de [voertuig 3] , stonden al drie opvallende politievoertuigen in de directe omgeving van Schöne Edelmetaal. De daders zijn met hoge snelheid weggereden en hebben daarbij de route gevolgd die uit de bewijsmiddelen blijkt. Vanaf de Zuiderzeeweg in Amsterdam-Noord zijn de [voertuig 1] en de [voertuig 2] achtervolgd door politieauto’s naar Broek in Waterland. De A4, met daarin onder anderen [medeverdachte 7] , is ontkomen door op de Zuiderzeeweg af te slaan naar de A10 in de andere richting. [medeverdachte 1] bestuurde de [voertuig 2] , met [verdachte] als bijrijder en [medeverdachte 2] links op de achterbank. De [voertuig 1] werd bestuurd door [medeverdachte 3] ; naast hem zat [medeverdachte 5] , die later in het weiland in Broek in Waterland door een politiekogel dodelijk werd getroffen; links achterin zat [medeverdachte 4] .
Tijdens de vlucht is diverse malen vanuit beide auto’s, zoals hiervoor besproken, door [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en een niet met zekerheid aan te wijzen schutter uit de dadergroep geschoten. [verdachte] en de niet te identificeren schutter hebben geschoten op de parkeerplaats in Broek in Waterland. Wat betreft [medeverdachte 4] in twee gevallen en wat betreft [verdachte] en de andere schutter op de genoemde locatie telkens in de vorm van poging tot gekwalificeerde doodslag. Dit geweld vond plaats in het kader van een vlucht waarbij uit de gang van zaken blijkt dat alle inzittenden van de [voertuig 1] en de [voertuig 2] zich, in bezit van de buit, aan aanhouding door de politie wilden onttrekken. Er werden zeer hoge snelheden bereikt waarbij op risicovolle wijze werd gereden. Op de parkeerplaats in Broek in Waterland werd de buit vanuit de [voertuig 1] overgeladen in de gereed staande [voertuig 4] en [voertuig 5] . Alle daders waren daar in meer of mindere mate mee bezig. Ook zijn zij, nadat de [voertuig 1] en de [voertuig 2] in brand waren gestoken, opnieuw weggereden. Op verschillende momenten werd daarbij geschoten. Nadat het onmogelijk was geworden om verder te rijden zijn zij het weiland in gerend, behalve [medeverdachte 3] die zich in een afvalcontainer in de tuin van een van de woningen had verstopt.
Dit houdt in dat genoemde verdachten, terwijl het vuurwapengeweld op verschillende plaatsen en in uiteenlopende omstandigheden werd toegepast, zich op geen enkel moment hebben gedistantieerd. Integendeel, ze hebben zich tot het uiterste ingespannen om in bezit te blijven van de buit en om een aanhouding te vermijden.
De bijdrage van elk van de hiervoor genoemde verdachten kan, in het geval zij niet zelf de schutter waren, worden aangemerkt als een bijdrage van voldoende gewicht. Het geweld is toegepast tijdens een gezamenlijke criminele onderneming. Het toegepaste vuurwapengeweld was daarbij een belangrijk onderdeel in de uitvoering, zowel voor de verkrijging van de buit als voor de vlucht. Daarmee was, blijkens de aanwezigheid van automatische vuurwapens en kogelwerende vesten, vooraf rekening gehouden. De reële mogelijkheid van een gewapend treffen, zoals kennelijk ingecalculeerd door de verdachten, impliceert de mogelijkheid dat bij de toepassing van vuurwapengeweld grenzen worden overschreden. De aanwezigheid van de zware aanvalsgeweren die de verdachten hadden meegenomen, heeft aan die mogelijkheid bijgedragen. Aldus heeft zich de reële mogelijkheid van intensievere geweldstoepassing door de respectieve schutters gerealiseerd. Het is niet uit te sluiten dat de overige verdachten deze overschrijding van grenzen niet hebben verwacht, althans daarmee niet volledig rekening hebben gehouden. Maar deze mogelijkheid was onder de gegeven omstandigheden niet zo onwaarschijnlijk dat medeplegen uitgesloten moet worden geacht.
Alle inzittenden van de twee auto’s zijn in nauwe samenwerking de gehele tijd tot aan hun aanhouding bij de vlucht betrokken geweest en hebben zich op geen enkel moment teruggetrokken. De chauffeurs hebben bovendien in aanzienlijke mate bijgedragen aan de zeer gevaarlijke omstandigheden waaronder de schoten zijn gelost en zij hebben daarmee rechtsreeks bijgedragen aan de factoren die de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg hebben doen ontstaan. De twee bijrijders hebben daarop geen enkel moment ingegrepen. [verdachte] , één van de twee bijrijders, heeft zelfs op de parkeerplaats aanleiding gezien om ook zelf potentieel dodelijke schoten te lossen.
In dit licht maakt het geen verschil of de waarachtigheid van de verklaring van elk van de verdachten, die inhoudt dat alleen in de lucht zou worden geschoten, in het midden wordt gelaten of dat hiervan wordt uitgegaan. De hiervoor weergegeven gang van zaken en de overige gedane vaststellingen leiden reeds tot de conclusie dat [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] de bewezen geachte pogingen tot gekwalificeerde doodslag tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Als deze redengevende feiten en omstandigheden worden gewaardeerd tegen de achtergrond van de door de verdachten gerapporteerde afspraak komt daar nog bij dat er vooraf kennelijk al rekening is gehouden met een confrontatie met de politie waar gebruik van vuurwapens een reële mogelijkheid zou zijn.
De slotsom is dan ook dat de genoemde verdachten die zijn gevlucht in de [voertuig 1] en in de [voertuig 2] , als medepleger betrokken zijn geweest bij de hiervoor besproken gevallen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Zij hadden opzet op het gronddelict en op de nauwe en bewuste samenwerking. Door het directe en instrumentele verband met de door de verdachten gepleegde diefstal met geweld is het bewijs van het in artikel 288 Sr bedoelde bijkomende oogmerk ook gegeven.
Het hof komt op dezelfde gronden tot de conclusie dat, wat betreft de incidenten waar de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging bewezen is geacht, ook telkens sprake is van medeplegen.
In het geval van [medeverdachte 7] valt de afweging anders uit. Op hem zijn de hiervoor gegeven overwegingen niet van toepassing. Hij was fysiek niet aanwezig tijdens de vlucht naar Broek in Waterland. Daarmee vervalt een onderdeel van de bewijsvoering die op het aandeel van de andere betrokken verdachten is toegepast. Dit werkt door in de waardering van aard en omvang van de betrokkenheid van [medeverdachte 7] tijdens de uitvoering van de overval nadat de vlucht was ingezet. De verdachte [medeverdachte 7] zal daarom worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 is tenlastegelegd.

6.Het onder 3 tenlastegelegde

6.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.
6.3.
Oordeel van het hof
Het hof acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen alle onder 3 ten laste gelegde gevallen van bedreiging bewezen.
Ten aanzien van de bedreiging met gebruikmaking van een automatisch vuurwapen, gepleegd op de Meeuwenlaan in Amsterdam tijdens de overval wordt het volgende vastgesteld en overwogen. Buiten redelijke twijfel staat dat [medeverdachte 2] tijdens de overval buiten heeft gestaan en diverse malen in de lucht heeft geschoten. Dit levert bedreiging op jegens de genoemde inzittenden van bus 1 en bus 3. [medeverdachte 4] is de persoon geweest die dreigend zijn aanvalsgeweer heeft getoond richting bus 2.
Voorts is het [medeverdachte 2] geweest die op de locatie Broek in Waterland/Kruisweg uit de wegrijdende [voertuig 4] schoot, wat een bedreiging van [politieambtenaar 23] oplevert. Van de overige onder 3 opgenomen incidenten kan niet met zekerheid worden gezegd wie de persoon is geweest die heeft geschoten dan wel dreigend een vuurwapen heeft getoond. Wel is er telkens sprake geweest van bedreiging.
Op de gronden zoals uiteengezet in de overwegingen over medeplegen bij feit 2 acht het hof eveneens bewezen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij alle incidenten medepleger van de bedreiging zijn geweest.
Wat betreft [medeverdachte 7] blijft de bewezenverklaring beperkt tot het medeplegen van bedreiging van de inzittenden van bus 1, bus 2 en bus 3. Hij zal van hetgeen overigens onder 3 is tenlastegelegd worden vrijgesproken om dezelfde redenen als weergegeven bij de bespreking van feit 2.

7.Het onder 4 tenlastegelegde

7.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. De verdediging heeft ten aanzien van de primair tenlastegelegde brandstichting aangevoerd dat geen gemeen gevaar voor goederen te duchten was, en ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde vernieling dat de voertuigen in eigendom waren en met toestemming in brand werden gestoken, zodat geen sprake is van een wederrechtelijke vernieling.
7.3.
Oordeel van het hof
Feit 4 heeft onder meer betrekking op het in brand steken van de [voertuig 2] en de [voertuig 1] op en bij de parkeerplaats aan de Broekergouw in Broek in Waterland. [medeverdachte 3] heeft, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, samen met een ander de [voertuig 1] in brand gestoken. [verdachte] heeft blijkens zijn eigen verklaring benzine in de [voertuig 2] gegooid waarna deze door een ander in brand werd gestoken. [medeverdachte 2] heeft verklaard de [voertuig 2] in brand te hebben gestoken.
Het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep, biedt aanknopingspunten om nadere vaststellingen te doen over de personen die de brandstichting in één van de twee auto’s in Broek in Waterland hebben gepleegd. Geen van de overige verdachten heeft een bewijsbare rol in de uitvoering gehad, zodanig dat hij aantoonbaar de delictsomschrijving heeft vervuld.
Voorts vermeldt de tenlastelegging de brandstichting in de [voertuig 3] , de derde vluchtauto, die uitgebrand is aangetroffen in Diemen. Daarvan kan niet worden vastgesteld wie de dader is geweest.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de brandstichting in alle drie vluchtauto’s moet worden beschouwd als onderdeel van een gezamenlijk plan van alle daders van de diefstal met geweld. Het kan aan de advocaat-generaal worden toegegeven dat het een veel voorkomende werkwijze is dat vluchtauto’s na ernstige delicten uitgebrand worden achtergelaten. Maar het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om met zekerheid te oordelen dat dit ook in dit geval onderdeel van een planmatige aanpak is geweest. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen in het voorgaande met betrekking tot feit 2 over een mogelijk plan, een planmatige werkwijze en het bereik ervan is overwogen. De in de tenlastelegging onder 4 omschreven handelingen kunnen, anders dan bij de feiten 2 en 3, niet binnen de reikwijdte van die planmatige werkwijze en van de daarvan deel uitmakende reële mogelijkheden worden gebracht.
Het hof acht daarom bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging brand hebben gesticht in de [voertuig 2] en dat [medeverdachte 3] samen met een ander brand heeft gesticht in de [voertuig 1] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen. Beide branden waren hevig als gevolg waarvan de auto’s min of meer volledig waren uitgebrand. In het bijzonder houden de bewijsmiddelen in dat ook het rubber van de banden van beide auto’s volledig was weggebrand. Dit heeft naar algemene ervaringsregels gevaar voor het wegdek, zoals in de tenlastelegging vermeld, veroorzaakt. De overige verdachten zullen worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.

8.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van Brinks en politieambtenaren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
 die medewerkers van Brinks met tie wraps vast te binden en
 met automatische vuurwapens naar die medewerkers van Brinks te richten en
 die medewerkers van Brinks een mes te tonen en
 een medewerker van Brinks te schoppen en
 met automatische vuurwapens op de openbare weg in de lucht te schieten en
 met automatische vuurwapens op de openbare weg een aantal kogels in de richting van voertuigen waar de politieambtenaren zich in bevonden te schieten en
 met automatische vuurwapens op de openbare weg op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren te schieten;
2.
primair
hij, op 19 mei 2021 in Amsterdam en/of Broek in Waterland, tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om meermalen opzettelijk de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] (werkzaam bij de Nationale Politie) van het leven te beroven, door
in Amsterdam:
 met betrekking tot de [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie invoeg/S115/A10 met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten;
 met betrekking tot de [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie N247/Slochterweg/busbaan met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten;
in Broek in Waterland:
 met betrekking tot de [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] op de locatie Broekergouw/Kruisweg met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten;
 met betrekking tot de [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] op de locatie Galggouw met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten;
welke pogingen tot doodslag werden voorafgegaan van het medeplegen van een diefstal met geweld (te weten een overval bij Schöne Edelmetaal) en welke pogingen tot doodslag op de politieambtenaren werden gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat feiten hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij, op 19 mei 2021 in Amsterdam en/of Broek in Waterland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij
in Amsterdam
 ten aanzien van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie Zuiderzeeweg opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen in de lucht geschoten;
in Amsterdam of Broek in Waterland:
 ten aanzien van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie afrit/S116/A10 naar de N247 opzettelijk dreigend een automatisch vuurwapen getoond en voornoemd vuurwapen op hen gericht en geschoten;
 ten aanzien van [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] opzettelijk dreigend vanuit de [voertuig 2] op de N247 met een automatisch vuurwapen (in de lucht) geschoten;
in Broek in Waterland:
 ten aanzien van [politieambtenaar 7] en [politieambtenaar 8] op de locatie Bruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen geschoten;
 ten aanzien van [politieambtenaar 10] en [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] op de locatie Galggouw/Broekergouw en Kippenbruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen (in de richting van het voertuig van [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] ) geschoten;
 ten aanzien van [politieambtenaar 13] op de locatie Bruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen in de lucht geschoten;
3.
hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam of Broek in Waterland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten
in Amsterdam:
 [politieambtenaar 14] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en
 [politieambtenaar 15] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en
 [politieambtenaar 16] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en
 [politieambtenaar 18] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en
 [politieambtenaar 19] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en
 [politieambtenaar 21] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend aan bovengenoemde personen een automatisch vuurwapen getoond en voornoemd vuurwapen op bovengenoemde personen gericht en/of gericht gehouden en/of (meermalen) met voornoemd vuurwapen in de lucht en/of in de richting van (het voertuig van) bovengenoemde person(en) geschoten;
in Amsterdam:
 [politieambtenaar 17] (locatie: Meeuwenlaan (bus 2)) en
 [politieambtenaar 22] (locatie: Onderweg passeren [voertuig 1] ) en
in Broek in Waterland:
 [politieambtenaar 23] (locatie: Broek in Waterland/Kruisweg) en
 [politieambtenaar 24] (locatie: Bruggetje) en
 [politieambtenaar 25] (locatie: Bruggetje) en
 [politieambtenaar 26] (locatie: Ramvoertuig),
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend aan bovengenoemde personen een automatisch vuurwapen getoond en/of voornoemd vuurwapen op bovengenoemde personen gericht en/of gericht gehouden;
4.
primair
hij, op 19 mei 2021 te Broek in Waterland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht aan/in een personenauto, te weten
 een [voertuig 2] met kenteken [kenteken 2]
door open vuur in aanraking te brengen met benzine, die in/over/tegen de personenauto was gesprenkeld/gegoten/gegooid, ten gevolge waarvan die personenauto is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor het wegdek te duchten was.
Hetgeen onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3 en 4 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

9.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3 en 4 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op het heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit, hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,
meermalen gepleegd.
Het onder 2 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Het onder 4 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

10.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3 en 4 primair bewezenverklaarde uitsluit.

11.Oplegging van straf

11.1.
Vonnis van de rechtbank
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3, 4 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
11.2.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3, 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
11.3.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval die in tal van opzichten volstrekt van de buitencategorie is geweest. Hij maakte deel uit van een groep van ongeveer tien daders die met buitengewoon veel geweld een grote hoeveelheid edelmetalen heeft buit gemaakt. De omvang van de buit was al even uitzonderlijk.
De dadergroep had de beschikking over drie automatische aanvalsgeweren en een shotgun. Daarnaast waren twee handvuurwapens meegenomen. De daders hebben de twee medewerkers van Brink’s Waardentransport, die net een lading met edelmetalen hadden afgeleverd, met twee aanvalsgeweren bedreigd en onder schot gehouden. Beide medewerkers zijn mishandeld en gekneveld. Zij moesten met de handen vastgebonden op de grond liggen. Tijdens de overval heeft één van de mededaders met een aanvalsgeweer op straat tal van schoten gelost. Bij het verlaten van de plaats van de overval is door een andere overvaller opnieuw geschoten. De medewerkers van Brink’s hebben doodsangsten uitgestaan.
Dat blijkt uit de verklaringen die zij tijdens het opsporingsonderzoek hebben afgelegd. De camerabeelden van de overval, die deel uitmaken van het procesdossier, laten niets aan de verbeelding over. Het geweld en de dreiging ermee moeten overweldigend en zeer beangstigend zijn geweest. Ook de medewerkers van Schöne Edelmetaal die zich in veiligheid konden brengen of in ruimtes konden blijven waar ze min of meer veilig waren, zijn heel bang geweest. Dit blijkt uit hun verklaringen, afgelegd tijdens het opsporingsonderzoek, en de toelichting die is gegeven op hun vorderingen benadeelde partij.
Het kan niet anders dan dat een ieder die zich tijdens deze overval op de openbare weg in de omgeving van Schöne Edelmetaal bevond het als een zeer bedreigende situatie heeft ervaren. Een onmiskenbare aanwijzing daarvoor is te vinden in de gerapporteerde ervaringen van de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen. Zij spreken van zware, doffe klappen.
Korte tijd later werd duidelijk dat dit buitensporige geweld nog maar het begin was geweest. De overvallers sloegen, voorzien van de buitgemaakte waardevolle materialen, op de vlucht in drie snelle auto’s. Wat zich tijdens deze vlucht heeft afgespeeld is door diverse betrokken politieambtenaren getypeerd als ‘wildwest’. ‘Het leek wel oorlog’, heeft een ander gezegd. Bepaald zonder overdrijving. Met hoge snelheden werd gereden door woonwijken. Grote risico’s voor de veiligheid van anderen werden daarbij niet geschuwd. Na enige tijd grepen enkele mededaders opnieuw naar hun aanvalsgeweren. Kennelijk om de politieauto’s, waarmee inmiddels de achtervolging was ingezet, van zich af te schudden. Vanuit twee vluchtauto’s werd geschoten. De bewezenverklaring van feit 2 spreekt boekdelen. Op verschillende momenten was hierbij sprake van pogingen om achtervolgende politieambtenaren te doden. Het resultaat is in één woord schokkend. Maar liefst acht medewerkers van de politie hebben ernstige PTSS opgelopen. Vier van hen hebben vanwege gedeeltelijke of gehele arbeidsongeschiktheid de keuze moeten maken om ontslag te nemen of ander, mentaal minder belastend, werk te aanvaarden binnen de politieorganisatie. Voor veel anderen waren de gebeurtenissen zo indringend dat dit lange tijd ontregelend was in hun dagelijks leven. Dat politiemedewerkers tegen een stootje moeten kunnen, zullen ze waarschijnlijk zelf ook vinden maar zoveel grof geweld laat bij vrijwel ieder mens meer of minder diepe sporen na. Dat is volstrekt invoelbaar.
Nadat de achtervolging eindigde in Broek in Waterland bleek nogmaals dat deze overval goed voorbereid was. Zoals reeds is overwogen in de bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 bleek uit de wijze van uitvoering van de overval al dat er een gedegen voorbereiding aan vooraf was gegaan of dat er in elk geval duidelijke en precieze instructies waren gegeven. Op een parkeerplaats in Broek in Waterland stonden twee vluchtauto’s klaar, waarin een groot deel van de meegebrachte buit werd geladen. Kennelijk was er op dat moment nog niet voldoende militaire munitie door de dadergroep verschoten. Blijkens het sporenbeeld is aldaar met twee aanvalsgeweren opnieuw geschoten om de, inmiddels meer dan twintig, toegesnelde politieambtenaren af te schrikken. Eén maal is daarbij vanaf zeer korte afstand door de verdachte geschoten op een voorbij rijdende politieauto. Ook dit heeft in het kader van de bewijswaardering een poging tot gekwalificeerde doodslag opgeleverd.
De daders hebben ook toen hun pogingen om te ontkomen niet afgebroken. De twee auto’s waarmee ze waren weggereden van de plaats van de overval werden in brand gestoken. Daarna zijn de verdachte en zijn mededaders nog weggereden in de twee vluchtauto’s. Kort daarna werd hen door politievoertuigen de verdere doorgang belemmerd. Inmiddels hadden verschillende politieambtenaren besloten om hun dienstwapen te gebruiken. Toen de verdachten vervolgens de weilanden in vluchtten was dit geweld van de zijde van de politie opnieuw onvermijdelijk. De verdachten boden er geen enkele duidelijkheid over of zij inmiddels ongewapend waren. Eén van hen is nog uit een vluchtauto gestapt, voorzien van een geweer waarmee hij de bestuurder van een politieauto had bedreigd. Het leidt dan ook niet tot verbazing dat er na uitgebreid onderzoek door de Rijksrecherche is geconcludeerd dat er conform de Geweldsinstructie is gehandeld, ook al heeft één van de overvallers het niet overleefd.
De gestolen edelmetalen hadden een waarde van meer dan veertien miljoen euro. Een aanzienlijk deel van de buit, ter waarde van ruim vier miljoen euro, is nog steeds niet teruggevonden. Aangenomen mag worden dat dit deel van de buit is veilig gesteld met gebruikmaking van de derde auto die bij de overval betrokken was. Ook deze auto is korte tijd later uitgebrand aangetroffen en uit de processtukken kan worden opgemaakt dat de vier overvallers die hierin zijn gevlucht ook op de beschikbaarheid van een gereed staande auto konden rekenen waarmee zij hebben kunnen ontkomen. De uiteindelijke schade voor Schöne Edelmetaal bedroeg tweehonderdduizend euro, het eigen risico verbonden aan de verzekering voor diefstal.
De slotsom kan zijn dat de verdachte actief betrokken is geweest bij een overval van uitzonderlijke brutaliteit die met veel raffinement is voorbereid en uitgevoerd, waarbij de uitvoering en het vervolg daarvan met veel geweld en dreiging met geweld gepaard gingen. In dit verband zijn enkele sprekende details in deze strafmotivering nog onbesproken gebleven. Het hof noemt de meegebrachte ‘kraaienpoten’, de kogelwerende vesten die door bijna alle overvallers werden gedragen, de munitie die voor een deel van pantser doorborende kwaliteit was, de ‘walkie talkies’ die in alle auto’s aanwezig waren voor de onderlinge communicatie. Voorbeelden die illustreren dat het de bedoeling was om ook onder moeilijke omstandigheden of bij tegenslag zich van het bezit van de buit te verzekeren. Over de mate waarin de verdachte in het gehele traject van voorbereiding betrokken is geweest kunnen weinig conclusies met zekerheid worden getrokken, maar dat ieder van de daders in hoofdlijnen op de hoogte moet zijn geweest van de rolverdeling kan zonder meer worden geconcludeerd.
De verdachte is meermalen door de [land] onherroepelijk veroordeeld tot gevangenisstraffen van aanzienlijke tot lange duur vanwege strafbare feiten. Het hof weegt dit mee ten nadele van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof het een en ander gezegd over zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder zijn familieomstandigheden. De hiervoor weergegeven overwegingen moeten evenwel tot de conclusie leiden dat hierin geen ruimte kan worden gevonden voor enige vorm van strafmatiging. Vergelding is in het geval van de verdachte een overheersend strafdoel. Met een zware straf beoogt het hof daarnaast het algemeen-preventieve signaal te geven dat het plegen van strafbare feiten, in het bijzonder van feiten van deze aard en omvang, tot een krachtige reactie van de strafrechter zal leiden.
Indien en voor zover de verdediging heeft beoogd te wijzen op de voor de verdachte nadelige gevolgen van de Wet Straffen en Beschermen, overweegt het hof, zoals herhaald in zeer veel rechterlijke beslissingen, dat deze wetgeving uitsluitend betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en daarom buiten het bestek van de door de strafrechter te verrichten beoordeling valt.
Ter terechtzitting zijn standpunten ingenomen over de wijze waarop de feiten 1 tot en met 4 zich, in geval van gehele of volledige bewezenverklaring, tot elkaar verhouden en welke regels van samenloop van toepassing zouden zijn. Naar het oordeel van het hof staan de onder 2 en 3 bewezen verklaarde gevallen van bedreiging en poging tot gekwalificeerde doodslag in een meerdaads verband. Het zijn op zichzelf staande feiten, gepleegd op verschillende momenten en locaties, door verschillende schutters, met telkens andere slachtoffers. Evenmin valt in te zien dat zij alle tot één wilsbesluit zijn te herleiden. Het enkele gegeven dat men als collectief een gewapende overval pleegt kan immers niet tot die conclusie leiden. Daarom zijn deze feiten door het hof gekwalificeerd als meermalen gepleegd. Deze onder 2 en 3 bewezen verklaarde gevallen van respectievelijk poging tot gekwalificeerde doodslag en bedreiging staan elk afzonderlijk in een verhouding tot feit 1 als die van eendaadse samenloop. In de zaken waarin het hof het onder 4 tenlastegelegde bewezen verklaart is het hof van oordeel dat dit niet wordt geabsorbeerd door feit 1.
Voorgaande beschouwingen brengen het hof tot de conclusie dat alle aanleiding bestaat om voor de in vereniging gepleegde diefstal met geweld als vertrekpunt uit te gaan van een gevangenisstraf van tien jaren. De ernst van het geweld komt in versterkte mate tot uitdrukking in de eveneens bewezen verklaarde gevallen van medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op de politieambtenaren. Het gaat om maar liefst vier incidenten, waarbij ten aanzien van drie incidenten de schutter identificeerbaar is gebleken. Dit leidt tot een opwaartse bijstelling ten opzichte van het genoemde vertrekpunt. Met het oog op inzichtelijkheid van de straftoemeting vermeldt het hof hier de uitgangspunten voor de straffen voor alle verdachten in de zaak Yaros. Voor de schutters acht het hof een gevangenisstraf van zestien jaren passend en geboden. Aan de verdachten die in het licht van de nauwe en bewuste samenwerking met de schutters als medeplegers zijn aangemerkt zal het hof een gevangenisstraf van twaalf jaren opleggen. [medeverdachte 7] ontspringt gezien de partiële vrijspraken de dans; aan hem wordt een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren opgelegd. Wat betreft [medeverdachte 6] is het uitgangspunt een gevangenisstraf van twaalf jaren vanwege zijn centrale coördinerende rol, gevolgd door een verzwaring tot zestien jaren op grond van het bewezen verklaarde meermalen medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag.
Redelijke termijn
In verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal het hof strafvermindering toepassen. De verdachte is in verzekering gesteld op de pleegdatum, te weten 19 mei 2021. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 3 april 2023. De verdachte was die gehele periode gedetineerd. Gelet op de te hanteren maatstaf van 16 maanden is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ongeveer zeven maanden. Kort na de vonnisdatum is hoger beroep in gesteld. De verdachte verblijft nog steeds in voorlopige hechtenis. Heden, op 11 december 2025 wijst het hof arrest, waarmee de redelijke termijn van berechting in de appelfase met ongeveer zestien maanden is overschreden. Deze beide overschrijdingen brengen met zich dat het hof de strafvermindering zal bepalen op zes maanden.
Conclusie
Het hof zal de verdachte aldus veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en zes maanden.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

12.Vorderingen van de benadeelde partijen

In deze strafzaak heeft een groot aantal benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding ingediend. De advocaat-generaal heeft betoogd dat, behoudens enkele hierna te bespreken nuances, de vorderingen geheel kunnen worden toegewezen.
Namens de verdachte is tegen de meeste vorderingen op uiteenlopende wijzen verweer gevoerd, uitmondend in het standpunt dat het hof dient over te gaan tot afwijzing van de vordering of matiging van het toe te kennen bedrag dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard.
Ter bespreking van die verweren volgen hierna enkele opmerkingen en overwegingen van algemene aard. In aansluiting daarop zullen de vorderingen, voor zover nodig, in het licht van de gegeven onderbouwing en de betwisting, nader worden besproken.
12.1.
Algemene opmerkingen en overwegingen
Er is een groot aantal vorderingen benadeelde partij ingediend door politieambtenaren. Deze vorderingen hebben, behoudens een enkele uitzondering, alle betrekking op immateriële schade die is ontstaan als gevolg van het door de verdachte en zijn medeverdachten toegepaste geweld. Het hof bespreekt hier enkele aspecten die voor de beoordeling van al deze vorderingen van belang zijn.
Grondslag
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat het, nu bij de benadeelde partijen geen sprake is van lichamelijk letsel of schade in de eer en goede naam, de vraag is of de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Wie zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
In de onderhavige zaak zijn de vorderingen van de benadeelde partijen in categorieën ingedeeld. De schadebedragen behorend bij die categorieën zijn € 875,00, € 1.750,00, € 2.650,00, € 10.000,00 en € 12.000,00. In het licht van dit toetsingskader overweegt het hof dat, naarmate het gevorderde schadevergoedingsbedrag hoger is het accent bij de beoordeling meer zal liggen op de concrete onderbouwing.
Voor de eerste drie categorieën geldt voorts dat er ten aanzien van de betrokken benadeelde partij sprake is van bewezenverklaring van poging tot gekwalificeerde doodslag of bedreiging. Voor zover het gaat om de poging tot gekwalificeerde doodslag gaat het hof ervan uit dat de aard en de ernst van de normschending zodanig zijn dat de nadelige gevolgen zeer voor de hand liggen. Aantasting in de persoon op andere wijze wordt daarom aangenomen.
De gevallen van bedreiging die het hof bewezen verklaart hebben telkens betrekking op een strafbaar feit waarbij in de nabijheid of omgeving van de betrokkene is geschoten met één of meer aanvalsgeweren onder omstandigheden waarin de schutter tijdens de gewapende overval personen op afstand hield dan wel tezamen met mededaders van de gewapende overval probeerde te ontkomen. Het gaat daarom om bedreigingen die voor de politieambtenaar, die tot taak heeft om met proportionele geweldstoepassing tot aanhoudingen over te gaan, zeer ontregelend zijn.
Ten aanzien van de eerste twee categorieën gaat het hof er in beginsel vanuit dat in aard en ernst van de normschending ook bij deze zeer ontregelende bedreigingen voldoende billijkheidsgronden zijn gelegen om de vordering volledig toe te wijzen. Wat betreft de derde categorie is de toetsing, afhankelijk van hetgeen ter betwisting is aangevoerd, enigszins indringender.
Bij de twee hoogste categorieën wordt een concrete onderbouwing vereist die voldoende concrete gegevens bevat waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Dit houdt volgens vaste rechtspraak overigens niet in dat daarvan slechts sprake is indien het gaat om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, en evenmin dat dit geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld.
Onduidelijkheden in de vorderingen
De advocaat van de benadeelde partijen heeft naar het oordeel van het hof ten aanzien van enkele vorderingen niet volledige duidelijkheid verschaft over de hoogte van de vordering in eerste aanleg. Hij heeft in de procedure bij de rechtbank enkele malen onderscheid gemaakt tussen de hoogte van de vordering en het bedrag waarvan hij, zoals hij het formuleerde, om toekenning ‘verzocht’. De rechtbank heeft in deze gevallen blijkens de vonnissen een keuze gemaakt ten aanzien van de wijze waarop de vordering door haar diende te worden opgevat. Dit heeft het hof gesteld voor enkele interpretatieproblemen die ook ter terechtzitting aan de advocaat zijn voorgelegd. Bij de bespreking van de vorderingen waar dit aan de orde is, zal daarop worden teruggekomen.
Groter incasseringsvermogen
Ten aanzien van sommige vorderingen is door de verdediging betoogd dat van politieambtenaren mag worden verwacht dat zij een vorm van professionele weerbaarheid hebben. Zij moeten verondersteld worden meer te kunnen incasseren waar het gaat om crisissituaties en van de dreiging die daarvan uitgaat. Het hof stelt vast dat hier niet telkens is duidelijk gemaakt of de kern van dit verweer een eigen schuld-karakter heeft of dat is beoogd om te vragen om een billijkheidscorrectie. Wat daarvan zij, er kan in elk geval worden vastgesteld dat de verdediging in de kern het causale verband tussen de onrechtmatige daad en de ontstane schade niet heeft betwist. Voor zover de hoogte van het schadebedrag wordt betwist zal met enige precisie moeten worden toegelicht wat daarvoor de aanknopingspunten zijn en van welke aard die betwisting is. Het hof stelt vast dat, in het bijzonder waar het om de hierna te bespreken eerste drie categorieën vorderingen gaat, die scherpte ontbreekt. Wat de twee hoogste categorieën betreft is het volgende van belang.
De vorderingen ten bedrage van € 10.000,00 en € 12.000,00
De advocaat van de benadeelde partijen heeft in zijn schriftelijke toelichting en ter terechtzitting telkens gegevens ter beschikking gesteld ter onderbouwing van deze beide bedragen. Er is bij alle benadeelde partijen die schadevergoeding in deze orde vorderen sprake van PTSS. In het geval van een vordering van € 10.000,00 is de betrokkene binnen een periode van twee jaren min of meer hersteld. Het hogere bedrag, € 12.000,00, is gevorderd als dat herstel niet heeft plaatsgevonden. Het hof beoordeelt de vorderingen op grond van het debat tussen partijen ter terechtzitting. Dat debat had onder meer betrekking op de keuzes die de advocaat voor één van deze bedragen had gemaakt. Het hof stelt in dit verband voorop dat het aan de benadeelde partij is om een schadebedrag op te voeren en daar de onderbouwing voor te geven. Voorts stelt het hof in algemene zin vast dat de Rotterdamse schaal, waarnaar ter terechtzitting in hoger beroep ook enkele malen is verwezen, geen enkele contra-indicatie biedt voor toekenning van de gevorderde bedragen als de PTSS naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Integendeel, dan zijn ook veel hogere schadebedragen denkbaar. Waar de vorderingen afzonderlijk worden besproken zal het hof hierop nader ingaan.
Predispositie
Ten aanzien van een aantal gevallen heeft de verdediging gesteld dat de ontstane schade mede het gevolg is van andere persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In navolging van de rechtbank overweegt het hof dat enige vorm van predispositie, voor zover gebleken, het causale verband tussen het strafbare handelen van de verdachte en de schade niet doorbreekt. Voor zover er is beoogd de hoogte van het schadebedrag te betwisten herhaalt het hof wat hiervoor ten aanzien van het veronderstelde grotere incasseringsvermogen is vastgesteld en overwogen.
Wettelijke rente
Het hof zal bij elke toewijzende beslissing bepalen dat wettelijke rente dient te worden vergoed met als ingangsdatum 19 mei 2021, de dag waarop één of meer van de schadeveroorzakende feiten hebben plaatsgevonden.
Hoofdelijkheid
De benadeelde partijen hebben elk verzocht om de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit telkens toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders indien en voor zover deze jegens de benadeelde partij tot vergoeding van dezelfde schade zijn veroordeeld.
Proceskosten
Ten aanzien van de proceskosten overweegt het hof dat redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting daarvan dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Daarin wordt bij de vorderingen als hier aan de orde doorgaans het ‘Liquidatietarief Kanton’ gehanteerd. Dat heeft de rechtbank kennelijk ook gedaan. Voor de behandeling in appel is het zogeheten liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven van toepassing dat per 1 februari 2024 voor de laatste maal is geïndexeerd.
Het hof zal (indien het tot toewijzing van (een deel van) de vordering komt) de verdachte telkens veroordelen in de proceskosten die door de benadeelde partij, die vergoeding van immateriële schade vordert, zijn gemaakt waarbij wordt uitgegaan van genoemd liquidatietarief, zoals van toepassing op de vonnisdatum. De kostenveroordeling zal voor zover het de eerste aanleg betreft daarom overeenkomen met de veroordeling in het vonnis. Waar het gaat om de proceskosten in hoger beroep maakt het hof een onderscheid tussen de categorieën vorderingen. Het hof stelt vast dat de advocaat van de benadeelde partijen ten aanzien van de eerste drie categorieën (de vorderingen van
€ 875,00, € 1.750,00 en € 2.625,00) betrekkelijk weinig aanvullende werkzaamheden heeft hoeven verrichten, zeker waar het gaat om activiteiten voorafgaand aan de terechtzitting. Het hof hanteert voor deze vorderingen een (1) punt. Voor de overige vorderingen hanteert het hof twee punten voor de vergoeding van proceskosten in hoger beroep. Het te hanteren tarief is gebaseerd op het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’, zoals geldend vanaf 1 februari 2024. Het hof sluit aan bij de categorie ‘incidenteel appel/hoger beroep van een uitspraak van de kantonrechter op het hof’. Tarief I is van toepassing op de vorderingen van € 875,00, € 1.750,00 en € 2.625,00. Dat bedraagt in dit geval de helft van € 858,00, te weten € 429,00 per punt. Tarief II is van toepassing op de overige vorderingen. Dat bedraagt in dit geval de helft van € 1.214,00, te weten € 607,00 per punt. Nu twee punten voor deze vorderingen worden toegekend bedraagt de proceskostenvergoeding € 1.214,00 per vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal ten aanzien van de vorderingen, indien en voor zover toegewezen, telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Gijzeling
Ingevolge artikel 36f, vijfde lid, Sr dient het hof de duur te bepalen volgens welke gijzeling kan worden toegepast bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De maximale duur is één jaar. Dit heeft tot gevolg dat het hof steeds bij elke oplegging neerwaarts zal afwijken van het aantal dagen dat volgens de doorgaans gehanteerde tabel zou moeten worden bepaald.
12.2.
De vorderingen nader beoordeeld
12.2.1.
Politieambtenaren
[politieambtenaar 19] , [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 8] , [politieambtenaar 6] , [politieambtenaar 22] , [politieambtenaar 14] , [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 25] , [politieambtenaar 16] , [politieambtenaar 15] , [politieambtenaar 18] , [politieambtenaar 11] , [politieambtenaar 21] en [politieambtenaar 26]
Deze benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, met uitzondering van de vordering van [politieambtenaar 26] , € 875,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag. De vordering van [politieambtenaar 26] was hoger maar is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 875,00. In hoger beroep is de vordering, voor zover toegewezen, aan de orde.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 875,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 primair of 2 meer subsidiair of 3 bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. De benadeelde partijen hebben verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. De schadevergoedingsmaatregel zal wat betreft de benadeelde partijen [politieambtenaar 10] en [politieambtenaar 14] voor een ander bedrag worden opgelegd op elders in dit arrest te bespreken gronden.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand per vordering op € 372,00 plus € 429,00. Dat is totaal € 801,00 per vordering. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 13] , [politieambtenaar 24] , [politieambtenaar 12] en [politieambtenaar 17]
Deze benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof onderzocht wat de hoogte van de initiële vordering van [politieambtenaar 17] is geweest. De advocaat van de benadeelde partij heeft betoogd dat dit € 12.000,00 is geweest. Het hof stelt vast dat de rechtbank blijkens het vonnis de vordering zo heeft opgevat dat deze
€ 1.750,00 bedroeg. Naar het oordeel van het hof heeft de advocaat in de appelfase de hoogte van zijn vordering in eerste aanleg onvoldoende opgehelderd en teveel onduidelijkheid laten bestaan. Daarom gaat ook het hof uit van € 1.750,00.
De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 1.750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 meer subsidiair of 3 bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vorderingen voldoende blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest.
De benadeelde partijen hebben verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand per vordering op € 561,00 plus € 429,00. Dat is totaal € 990,00 per vordering. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 4]
Deze benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 2.625,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 2.625,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder feit 1 en onder feit 2 primair bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vorderingen voldoende blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. [politieambtenaar 5] heeft zestien sessies bij een GZ-psycholoog gehad, waarbij ook EMDR-traumatherapie is ondergaan en het geestelijk letsel is met stukken van ARQ onderbouwd. [politieambtenaar 4] heeft naar aanleiding van de schietincidenten vier sessies gehad bij een GZ-psycholoog met EMDR therapie en cognitieve gedragstherapie.
De benadeelde partijen hebben verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand per vordering op € 654,00 plus € 429,00. Dat is totaal € 1.083,00 per vordering. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 23]
Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de initiële vordering
€ 12.000,00 bedroeg. Blijkens het vonnis, waarin melding wordt gemaakt van een volledige toewijzing van de vordering, is de rechtbank ervan uitgegaan dat deze € 2.625,00 bedroeg.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof hierover vragen gesteld aan de advocaat van de benadeelde partij. Hij heeft gezegd dat zijn opmerkingen in eerste aanleg, gemaakt op schrift en ter terechtzitting, zo moeten worden begrepen dat hij, gelet op het toestandsbeeld dat in eerste aanleg bestond, begrip zou hebben voor toewijzing van een lager bedrag. Inmiddels is gebleken dat bij de betrokkene PTSS is vastgesteld en dat er sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Uit de processtukken blijkt dat de advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn reactie op de pleidooien in alle zaken bij wijze van, zoals hij het noemde, ‘een iets uitgebreidere motivering’, heeft verwezen naar de klachten die de benadeelde partij in die fase had. Daarom ‘verzocht’ hij toekenning van een lager bedrag. Van betekenis is dan de volgende toevoeging. ‘Indien voorafgaand aan een behandeling in hoger beroep door de psycholoog een ziektebeeld en een vermoedelijk causaal verband met het incident wordt vastgesteld, zal alsdan de toekenning van een hoger bedrag worden verzocht.’ Voorts stelt het hof vast dat in het voegingsformulier ongeclausuleerd het bedrag van € 12.000,00 is genoemd. Tegen deze achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat de advocaat weliswaar in ongelukkige bewoordingen heeft bijgedragen aan het ontstaan van het misverstand, maar dat hierin onvoldoende grond is gelegen om in hoger beroep niet uit te gaan van een vordering ter hoogte van € 12.000,00.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 12.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 3 bewezenverklaarde. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vordering en de brieven van ARQ van
23 januari 2024 en 25 juli 2024 voldoende blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. Hij heeft ernstige PTSS-klachten en is in september 2022 ziek gemeld, waarvoor hij in 17 sessies onder meer EMDR-therapie heeft gehad met het accent op de gebeurtenissen op 19 mei 2021. Er is inmiddels sprake van herstel maar betrokkene is nu nog voor 40% arbeidsongeschikt.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen en gelet op de wijze waarop de rechtbank de vordering heeft opgevat, de kosten rechtsbijstand op € 654,00 plus
€ 1.214,00. Dat is totaal € 1.868,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 7]
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vordering blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. Zij heeft PTSS-klachten ontwikkeld (blijkend uit een rapport van ARQ van 22 september 2022) die nog steeds voortduren. Deze hebben geresulteerd in gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand op € 933,00 plus € 1.214,00. Dat is totaal € 2.147,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 3]
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 10.000,00 aan immateriële schade en € 42.040,00 aan materiële schade, bestaand in de gevolgen van studievertraging, beide te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is voor zover het de immateriële schade betreft bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag. Wat het materiële deel is zij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 primair bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vordering blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. Zij heeft PTSS-klachten ontwikkeld (blijkend uit een rapport van ARQ van 26 mei 2022) die nog steeds voortduren. Zij heeft thans een andere functie binnen de politie, omdat zij niet langer in staat was om operationele werkzaamheden uit te voeren.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
De vordering tot vergoeding van materiële schade is in hoger beroep teruggebracht tot een bedrag van
€ 11.577,50. Ook ten aanzien van deze vordering is het de vraag wat er in eerste aanleg aan schadevergoeding is gevorderd. De stukken bieden aanknopingspunten voor de conclusie dat de vordering niet meer bedroeg dan € 5.618,75. De gevolgen daarvan kunnen echter onbesproken blijven gelet op het navolgende. Het staat vast dat de betrokkene ernstige klachten, verband houdend met het opgelopen trauma, heeft gekregen en nog steeds heeft. Dat heeft het hof aanleiding gegeven om de vordering wat het immateriële deel betreft geheel toe te wijzen. Het is zonder meer voorstelbaar dat deze situatie ook gevolgen heeft gehad voor het verloop van de studie die de benadeelde partij volgde. Hoewel hierover een debat van voldoende kwaliteit ter terechtzitting heeft plaatsgehad zou elke begroting van de schade, in het licht van de ingenomen standpunten, tot te veel complicaties leiden. Als gevolg van een gebrek aan feiten die door het hof als vaststaand kunnen worden aangenomen bestaan er ook onvoldoende aanknopingspunten voor het hof om van zijn schattingsbevoegdheid gebruik te maken. Nader onderzoek zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Het hof zal voor het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand op € 1.119,00 plus € 1.214,00. Dat is totaal € 2.333,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 2]
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 12.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Hoewel een daartoe strekkende beslissing van de rechtbank ontbreekt houdt het hof het ervoor dat de benadeelde partij voor het resterende deel niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering.
De vordering is in hoger beroep opnieuw volledig aan de orde.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 12.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 2 primair bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld. Het hof verwijst naar de algemene overwegingen en stelt voorts vast dat uit de toelichting op de vordering blijkt wat de uitwerking op de betrokken politieambtenaar is geweest. Zij heeft PTSS-klachten ontwikkeld (blijkend uit rapporten van ARQ van 11 februari 2022 en
5 april 2022) die nog steeds voortduren. Deze hebben erin geresulteerd dat zij voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard en dat aan haar eervol ontslag is verleend door de politie.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand op € 1.119,00 plus € 1.214,00. Dat is totaal € 2.333,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 27] , [politieambtenaar 28] en [politieambtenaar 30]
Deze benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor het bedrag van € 12.000,00. Het gaat om immateriële schade, bestaand in shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep geheel afgewezen op de grond dat geen shockschade kan worden vastgesteld.
De vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw volledig aan de orde met dien verstande dat ten aanzien van de benadeelde partij [politieambtenaar 27] de vordering voor immateriële schade in hoger beroep is beperkt tot het bedrag van € 10.000,00. De benadeelde partij heeft bij wijze van primair standpunt herhaald dat sprake is van shockschade maar heeft in hoger beroep subsidiair ook betoogd dat er sprake is van schade in de vorm van geestelijk letsel die rechtstreeks verband heeft met de bewezen verklaarde feiten.
Voor deze drie benadeelde partijen geldt dat zij, anders dan de overige politieambtenaren die schadevergoeding vorderen, niet zijn vermeld op de tenlastelegging. Ter beoordeling staat daarom of de gestelde schade in voldoende rechtstreeks verband staat met feit 1, de diefstal met geweld in vereniging.
Naar het oordeel van het hof is niet aangetoond dat één van de benadeelde partijen shockschade heeft. Er is niet voldaan aan de voorwaarden zoals ontwikkeld in de rechtspraak.
Uit de stukken blijkt dat [politieambtenaar 27] geruime tijd ziek is geweest als gevolg van PTSS. Hij is goeddeels hersteld maar heeft door de omstandigheden een andere functie, te weten op kantoor, gekregen. Gelet op deze onderbouwing is het hof van oordeel dat het geestelijk letsel voldoende is onderbouwd en in voldoende mate in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit 1. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand in hoger beroep op € 1.214,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
Uit de stukken blijkt dat [politieambtenaar 28] en [politieambtenaar 30] geruime tijd ziek zijn geweest. In toelichting is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel nu er sprake is van een gediagnosticeerde PTSS die heeft geleid tot een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Beide benadeelde partijen zijn eervol ontslagen. Gelet op deze onderbouwing is het hof van oordeel dat het geestelijk letsel voldoende is onderbouwd en in voldoende mate in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit 1. Het hof zal de omvang van de immateriële schade van beide benadeelde partijen op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 12.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand in hoger beroep per vordering op € 1.214,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
De benadeelde partijen hebben verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor de toegewezen bedragen telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
12.2.2.
Schöne Edelmetaal
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200.000,00 aan materiële schade, bestaand in het eigen risico van de verzekering, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag. De schadevergoedingsmaatregel is daarbij niet opgelegd.
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg daarnaast gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 19.031,05. De rechtbank heeft een bedrag van € 4.982,00 toegewezen.
Het hof stelt vast dat de vordering op grond van artikel 421, tweede lid, Sv in hoger beroep voortduurt met inbegrip van de vordering tot vergoeding van proceskosten, voor zover toegewezen in eerste aanleg. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij meegedeeld dat het bedrag van € 200.000,00 is betaald. In zoverre wordt de vordering niet gehandhaafd. Wel vordert de benadeelde partij dat de proceskostenveroordeling zoals uitgesproken door de rechtbank zal worden herhaald.
Gelet op de beslissing van de rechtbank waarbij de vordering tot vergoeding van de materiële schade volledig is toegewezen bestaat geen grond voor het oordeel dat de vordering nodeloos is ingediend. Het hof zal de vordering tot vergoeding van de in eerste aanleg gemaakte proceskosten dan ook toewijzen.
12.2.3.
Medewerkers van Schöne Edelmetaal
Deze benadeelde partijen, bekend onder de nummers [medewerker 1] , [medewerker 2] , [medewerker 3] , [medewerker 4] , [medewerker 5] , [medewerker 6] en [medewerker 7] , hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering van ieder van hen bedraagt € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. Voor het overige zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. In hoger beroep zijn de vorderingen opnieuw in volle omvang aan de orde.
Het hof overweegt dat de benadeelde partijen als medewerkers van Schöne Edelmetaal aanwezig waren ten tijde van de overval. Zij zijn, zoals overwogen ten aanzien van de bewijsbeslissingen, niet direct bedreigd maar ze zijn wel zeer bang geweest. Dat betekent dat het onder 1 bewezenverklaarde ook een
onrechtmatige daad jegens hen impliceert. De aard en de ernst van de normschending bij deze gepleegde overval zijn zodanig dat de nadelige gevolgen ervan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Evenals bij de politieambtenaren gaat om een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW.
Naar het oordeel van het hof kan de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid worden geschat op een bedrag van € 1.500,00. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde. De advocaat van de benadeelde partijen heeft ter terechtzitting in hoger beroep meegedeeld dat dit bedrag aan ieder van de benadeelde partijen reeds is betaald. In zoverre is er dus geen sprake meer van schade en dienen de vorderingen te worden afgewezen. Daartoe zal het hof dan ook overgaan.
Wat betreft het resterende deel van de vorderingen, nogmaals € 1.500,00, kunnen de nadelige gevolgen naar het oordeel van het hof niet op dezelfde wijze als zo voor de hand liggend worden beschouwd dat de gestelde schade zonder meer kan worden aangenomen. Voor een nader onderzoek biedt het strafproces geen plaats. De benadeelde partijen zullen daarom in dit deel van de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding.
Het hof zal voorts bepalen dat de verdachte en de benadeelde partijen elk hun eigen kosten dragen.

13.Schadevergoedingsmaatregel

De advocaat-generaal heeft met betrekking tot de benadeelde partijen [politieambtenaar 10] en [politieambtenaar 14] gevorderd dat het hof de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen tot een bedrag van elk € 10.000,00. Deze twee vorderingen lenen zich vanwege de ermee verbonden rechtsvraag voor een gezamenlijke bespreking. Beide benadeelde partijen hadden tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg een vordering gedaan wegens immateriële schade tot een bedrag van € 875,00. Deze vorderingen zijn door de rechtbank volledig toegewezen. Ingevolge het bepaalde in artikel 421, tweede lid, Sv zijn deze vorderingen ter hoogte van dit toegewezen bedrag in hoger beroep opnieuw aan de orde. Enige respectievelijk geruime tijd nadat de rechtbank in de strafzaken vonnis had gewezen kwam aan het licht dat beide slachtoffers ernstige PTSS-klachten ontwikkelden. Daarom heeft de advocaat van de benadeelde partijen ter terechtzitting in hoger beroep de wens kenbaar gemaakt dat ten gunste van hen alsnog de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr zal worden opgelegd. In beide gevallen gaat het om een schadebedrag dat is begroot op € 10.000,00.
Aan de orde is de vraag of voor het hof de ruimte bestaat om de door de advocaat-generaal gevorderde schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor het genoemde bedrag dat aanzienlijk hoger ligt dan het bedrag dat was opgenomen in de initiële vordering tot schadevergoeding.
Het hof stelt voorop dat een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij niet kan worden verhoogd in de hoger beroepsfase. Ingevolge het derde lid van artikel 421 Sv kan de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering, voor zover die vordering door de rechtbank niet is toegewezen. Volgens vaste jurisprudentie moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd, en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen.
In algemene zin stelt het hof, in navolging van de Hoge Raad, vast dat de wet niet uitsluit dat de strafrechter buiten het verband van de voegingsprocedure ex artikel 51f Sv de schadevergoedingsmaatregel oplegt. Voorwaarde daarbij is dat er sprake is van aansprakelijkheid naar burgerlijk recht als bedoeld in artikel 36f, tweede lid, Sr. Die aansprakelijkheid wordt doorgaans vastgesteld door de rechter op basis van hetgeen is ingebracht in het partijdebat ter terechtzitting dat, in geval hoger beroep wordt ingesteld door de verdachte of het openbaar ministerie, in twee instanties wordt gevoerd. Het is primair de taak van de rechter om de kwaliteit van dat debat te bewaken en te waarborgen.
Het hof heeft in eerdere uitspraken overwogen dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr in hoger beroep, voor een bedrag dat hoger is dan de initiële vordering, gezien het wettelijk stelsel, niet categorisch is uitgesloten. Wel is een terughoudende beoordeling nodig waarbij leidend moet zijn of zich een uitzonderlijke situatie voordoet. Zo’n uitzonderingsgeval is in een beperkt aantal arresten aangenomen nadat na vonniswijzing door de rechtbank was gebleken dat er aanzienlijk meer schade was ontstaan die rechtstreeks verband hield met het strafbare feit. Het ging daarbij om schade die redelijkerwijs niet was te voorzien ten tijde van behandeling van de strafzaak door de rechtbank.
Beide benadeelde partijen om wie het hier gaat hebben alsnog PTSS ontwikkeld nadat lange tijd was verstreken. Hier was in het geheel geen sprake van toen de rechtbank de strafzaak behandelde. Het bestaan van de PTSS en de ontstaanswijze in een laat stadium zijn verantwoord aan de hand van brieven van deskundigen die ook traumabehandelingen, waaronder EMDR, hebben gegeven.
In het geval van [politieambtenaar 10] gaat het om een brief van ARQ van 11 oktober 2024, waarnaar de advocaat-generaal heeft verwezen. Daaruit blijkt dat de diagnose PTSS is gesteld en dat 15 sessies EMDR hebben plaatsgevonden.
In het geval van [politieambtenaar 14] gaat het om een brief van ARQ van 4 april 2023 waaruit blijkt dat PTSS is ontstaan rond de periode van behandeling van de strafzaak in eerste aanleg.
Het hof heeft, nu het om een strafrechtelijke maatregel ten laste van de verdachte gaat, oog voor de processuele positie van de verdachte. Namens hem is in de kern aangevoerd dat het hier niet gaat om een uitzonderingsgeval dat oplegging van de maatregel rechtvaardigt. Dit verweer ziet derhalve niet op de onderbouwing van het schadebedrag als zodanig en houdt geen materiële betwisting in.
Gelet op de onderbouwing is het hof van oordeel dat het geestelijk letsel voldoende is aangetoond en dat beide benadeelde partijen ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Deze schade staat in voldoende mate in rechtstreeks verband tot het onder 1 en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde (wat betreft [politieambtenaar 10] ) en het onder 1 en 3 bewezenverklaarde (wat betreft [politieambtenaar 14] ).
Het hof stelt, in het licht van de gegeven onderbouwing, vast dat billijkheidsgronden aanwezig zijn om de aansprakelijkheid van de verdachte naar burgerlijk recht tot het door de advocaat-generaal in de vordering tot oplegging van de maatregel genoemde bedrag aan te nemen. Dit betekent dat zich een situatie voordoet waarin tegen toewijzing van de vordering van de advocaat-generaal geen materiële bezwaren bestaan.
In processueel opzicht bestaan evenmin belemmeringen. Het hof zal de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel daarom toewijzen tot het bedrag van € 10.000,00, onder toevoeging van de hoofdelijkheidsclausule. Dit laat onverlet dat in het kader van de reguliere voegingsprocedure in het voorgaande reeds is overwogen dat toewijzing van de vordering benadeelde partij tot het in dat verband gevorderde bedrag zal plaatsvinden.

14.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 157, 285 (oud), 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3 en 4 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
De benadeelde partijen [politieambtenaar 19] , [politieambtenaar 8] , [politieambtenaar 6] , [politieambtenaar 22] , [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 25] , [politieambtenaar 16] , [politieambtenaar 15] , [politieambtenaar 18] , [politieambtenaar 11] , [politieambtenaar 21] en [politieambtenaar 26]
Wijst toe elk van de vorderingen tot schadevergoeding van deze benadeelde partijen ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak elk begroot op € 801,00 (achthonderdéén euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van ieder van deze slachtoffers aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling telkens op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partijen [politieambtenaar 10] en [politieambtenaar 14]
Wijst toe elk van de vorderingen tot schadevergoeding van deze benadeelde partijen ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak elk begroot op € 801,00 (achthonderdéén euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van ieder van deze slachtoffers aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling telkens op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partijen [politieambtenaar 13] , [politieambtenaar 24] , [politieambtenaar 12] en [politieambtenaar 17]
Wijst toe elk van de vorderingen tot schadevergoeding van deze benadeelde partijen ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak elk begroot op € 990,00 (negenhonderdnegentig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van ieder van deze slachtoffers aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling telkens op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partijen [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 4]
Wijst toe elk van de vorderingen tot schadevergoeding van deze benadeelde partijen ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.625,00 (tweeduizend zeshonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak elk begroot op € 1.083,00 (duizend drieëntachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van ieder van deze slachtoffers aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.625,00 (tweeduizend zeshonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling telkens op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partij [politieambtenaar 23]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van deze benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.868,00 (duizend achthonderdachtenzestig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.000,00 (twaalfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partij [politieambtenaar 7]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van deze benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 2.147,00 (tweeduizend honderdzevenenveertig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partij [politieambtenaar 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van deze benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij
voor het overige niet-ontvankelijkin de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 2.333,00 (tweeduizend driehonderddrieëndertig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partij [politieambtenaar 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van deze benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
2.333,00 (tweeduizend driehonderddrieëndertig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.000,00 (twaalfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partij [politieambtenaar 27]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van deze benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.214,00 (duizend tweehonderdveertien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelden partije [politieambtenaar 28] en [politieambtenaar 30]
Wijst toe elk van de vorderingen tot schadevergoeding van deze benadeelde partijen ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak elk begroot op
1.214,00 (duizend tweehonderdveertien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van ieder van deze slachtoffers aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.000,00 (twaalfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling telkens op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partijen [medewerker 1] , [medewerker 2] , [medewerker 3] , [medewerker 4] , [medewerker 5] , [medewerker 6] en [medewerker 7] (medewerkers van Schöne Edelmetaal)
Wijst de vorderingen van deze benadeelde partijen tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
De benadeelde partij Schöne Edelmetaal
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 4.982,00 (vierduizend negenhonderd tweeëntachtig euro).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. E. Mijnsberge en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van
mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
11 december 2025.