12.3.Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval die in tal van opzichten volstrekt van de buitencategorie is geweest. Hij maakte deel uit van een groep van ongeveer tien daders die met buitengewoon veel geweld een grote hoeveelheid edelmetalen heeft buit gemaakt. De omvang van de buit was al even uitzonderlijk.
De dadergroep had de beschikking over drie automatische aanvalsgeweren en een shotgun. Daarnaast waren twee handvuurwapens meegenomen. De daders hebben de twee medewerkers van Brink’s, die net een lading met edelmetalen hadden afgeleverd, met twee aanvalsgeweren bedreigd en onder schot gehouden. Beide medewerkers zijn door de verdachte mishandeld en gekneveld. Zij moesten met de handen vastgebonden op de grond liggen. Tijdens de overval heeft één van de mededaders met een aanvalsgeweer op straat tal van schoten gelost. Bij het verlaten van de plaats van de overval is door een andere overvaller opnieuw geschoten. De medewerkers van Brink’s hebben doodsangsten uitgestaan. Dat blijkt uit de verklaringen die zij tijdens het opsporingsonderzoek hebben afgelegd. De camerabeelden van de overval, die deel uitmaken van het procesdossier, laten niets aan de verbeelding over. Het geweld en de dreiging ermee moeten overweldigend en zeer beangstigend zijn geweest. Ook de medewerkers van Schöne Edelmetaal die zich in veiligheid konden brengen of in ruimtes konden blijven waar ze min of meer veilig waren, zijn heel bang geweest. Dit blijkt uit hun verklaringen, afgelegd tijdens het opsporingsonderzoek, en de toelichting die is gegeven op hun vorderingen benadeelde partij.
Het kan niet anders dan dat een ieder die zich tijdens deze overval op de openbare weg in de omgeving van Schöne Edelmetaal bevond het als een zeer bedreigende situatie heeft ervaren. Een onmiskenbare aanwijzing daarvoor is te vinden in de gerapporteerde ervaringen van de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen. Zij spreken van zware, doffe klappen.
Korte tijd later werd duidelijk dat dit buitensporige geweld nog maar het begin was geweest. Dit geweld, waarbij de verdachte fysiek niet meer aanwezig was, maakt deel uit van de strafverzwarende omstandigheden van de diefstal, zoals die door de verdachte is medegepleegd. Dit geweld kan ook aan hem, hoewel in overwegende mate niet ten laste van hem in de vorm van afzonderlijke strafbare feiten bewezen verklaard, worden toegerekend. Hij was op de hoogte van de meegebrachte wapens en van de besproken mogelijkheid om deze te gebruiken. Bovendien was hem, zo moet worden aangenomen, op de Meeuwenlaan in Amsterdam al duidelijk geworden dat deze wapens werden ingezet om de politie op afstand te houden.
De overvallers sloegen, voorzien van de buitgemaakte waardevolle materialen, op de vlucht in drie snelle auto’s. Wat zich tijdens deze vlucht heeft afgespeeld is door diverse betrokken politieambtenaren getypeerd als ‘wildwest’. ‘Het leek wel oorlog’, heeft een ander gezegd. Bepaald zonder overdrijving. Met hoge snelheden werd gereden door woonwijken. Grote risico’s voor de veiligheid van anderen werden daarbij niet geschuwd. Na enige tijd grepen enkele mededaders opnieuw naar hun aanvalsgeweren. Kennelijk om de politieauto’s, waarmee inmiddels de achtervolging was ingezet, van zich af te schudden. Vanuit twee vluchtauto’s werd geschoten. Het resultaat is in één woord schokkend. Maar liefst acht medewerkers van de politie hebben ernstige PTSS opgelopen. Vier van hen hebben vanwege gedeeltelijke of gehele arbeidsongeschiktheid de keuze moeten maken om ontslag te nemen of ander, mentaal minder belastend, werk te aanvaarden binnen de politieorganisatie. Voor veel anderen waren de gebeurtenissen zo indringend dat dit lange tijd ontregelend was in hun dagelijks leven. Dat politiemedewerkers tegen een stootje moeten kunnen, zoals betoogd door de verdediging, zullen ze waarschijnlijk zelf ook vinden maar zoveel grof geweld laat bij vrijwel ieder mens meer of minder diepe sporen na. Dat is volstrekt invoelbaar.
Nadat de achtervolging eindigde in Broek in Waterland bleek nogmaals dat deze overval goed voorbereid was. Uit de wijze van uitvoering van de overval bleek al dat er een gedegen voorbereiding aan vooraf was gegaan of dat er in elk geval duidelijke en precieze instructies waren gegeven.
Op een parkeerplaats in Broek in Waterland stonden twee vluchtauto’s klaar, waarin een groot deel van de meegebrachte buit werd geladen. Kennelijk was er op dat moment nog niet voldoende militaire munitie door de dadergroep verschoten. Blijkens het sporenbeeld is aldaar met twee aanvalsgeweren opnieuw geschoten om de, inmiddels meer dan twintig, toegesnelde politieambtenaren af te schrikken.
De gestolen edelmetalen hadden een waarde van meer dan veertien miljoen euro. Een aanzienlijk deel van de buit, ter waarde van ruim vier miljoen euro, is nog steeds niet teruggevonden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit deel van de buit is veilig gesteld met gebruikmaking van de derde auto die bij de overval betrokken was. In deze auto, de [voertuig 3] , zat de verdachte. Deze auto is korte tijd later uitgebrand aangetroffen en uit de processtukken kan worden opgemaakt dat de verdachte en de andere drie overvallers die hierin zijn gevlucht ook op de beschikbaarheid van een gereed staande auto konden rekenen waarmee zij hebben kunnen ontkomen. De uiteindelijke schade voor Schöne Edelmetaal bedroeg tweehonderdduizend euro, het eigen risico verbonden aan de verzekering voor diefstal.
De slotsom kan zijn dat de verdachte actief betrokken is geweest bij een overval van uitzonderlijke brutaliteit die met veel raffinement is voorbereid en uitgevoerd, waarbij de uitvoering en het vervolg daarvan met veel geweld en dreiging met geweld gepaard gingen. In dit verband zijn enkele sprekende details in deze strafmotivering nog onbesproken gebleven. Het hof noemt de meegebrachte ‘kraaienpoten’, de kogelwerende vesten die door bijna alle overvallers werden gedragen, de munitie die voor een deel van pantser doorborende kwaliteit was, de ‘walkie talkies’ die in alle auto’s aanwezig waren voor de onderlinge communicatie. Voorbeelden die illustreren dat het de bedoeling was om ook onder moeilijke omstandigheden of bij tegenslag zich van het bezit van de buit te verzekeren. Over de mate waarin de verdachte in het gehele traject van voorbereiding betrokken is geweest kunnen weinig conclusies met zekerheid worden getrokken, maar dat ieder van de daders in hoofdlijnen op de hoogte moet zijn geweest van de rolverdeling kan zonder meer worden geconcludeerd.
Het hof rekent het de verdachte ook aan dat het lange tijd heeft geduurd voordat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn bijdrage aan deze overval. Pas ter terechtzitting in hoger beroep, drieënhalf jaar na zijn aanhouding, heeft hij erkend dat hij er strafbaar betrokken bij is geweest. Of er sprake is van enigszins doorleefde spijtgevoelens valt te betwijfelen. Na terugkeer in [plaats 2] heeft de verdachte er bij de organisatie op aangedrongen dat hij 50.000 euro plus een evenredig deel van de buit zou ontvangen.
Het hof heeft ook kennis genomen van de informatie die beschikbaar is over eerdere veroordelingen van de verdachte in [land 1] . Deze gegevens, die voornamelijk betrekking hebben op minder recente strafbare feiten, hebben het hof geen aanleiding gegeven om er acht op te slaan in het kader van de straftoemeting.
De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof het een en ander gezegd over zijn persoonlijke omstandigheden. Daaruit blijkt dat het leven niet altijd makkelijk is geweest en dat er zorgen zijn over zijn jongste kind. De hiervoor weergegeven overwegingen moeten evenwel tot de conclusie leiden dat hierin geen ruimte kan worden gevonden voor enige vorm van strafmatiging. Vergelding is in het geval van de verdachte een overheersend strafdoel. Met een zware straf beoogt het hof daarnaast het algemeen-preventieve signaal te geven dat het plegen van strafbare feiten, in het bijzonder van feiten van deze aard en omvang, tot een krachtige reactie van de strafrechter zal leiden.
Indien en voor zover de verdediging heeft beoogd te wijzen op de voor de verdachte nadelige gevolgen van de Wet Straffen en Beschermen, overweegt het hof, zoals herhaald in zeer veel rechterlijke beslissingen, dat deze wetgeving uitsluitend betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en daarom buiten het bestek van de door de strafrechter te verrichten beoordeling valt.
Ter terechtzitting zijn standpunten ingenomen over de wijze waarop de feiten 1 tot en met 4 zich, in geval van gehele of volledige bewezenverklaring, tot elkaar verhouden en welke regels van samenloop van toepassing zouden zijn. Naar het oordeel van het hof staan de onder 3 bewezen verklaarde gevallen van bedreiging in een meerdaads verband. Het zijn op zichzelf staande feiten, gepleegd op verschillende momenten door verschillende schutters, met telkens andere slachtoffers. Evenmin valt in te zien dat zij alle tot één wilsbesluit zijn te herleiden. Het enkele gegeven dat men als collectief een gewapende overval pleegt kan immers niet tot die conclusie leiden. Daarom zijn deze feiten door het hof gekwalificeerd als meermalen gepleegd. Deze onder 3 bewezen verklaarde gevallen van bedreiging staan elk afzonderlijk in een verhouding tot feit 1 als die van eendaadse samenloop.
Voorgaande beschouwingen brengen het hof tot de conclusie dat alle aanleiding bestaat om voor de in vereniging gepleegde diefstal met geweld als vertrekpunt uit te gaan van een gevangenisstraf van tien jaren. Nu de verdachte van het merendeel van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, legt de gedeeltelijke bewezenverklaring van feit 3 geen aanvullend gewicht in de schaal. Aan hem zal daarom bij wijze van uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren worden opgelegd.
Redelijke termijn
In verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal het hof strafvermindering toepassen. De verdachte is op grond van een Europees Aanhoudingsbevel in [land 1] aangehouden op 19 april 2022. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 28 mei 2024. De verdachte was die gehele periode gedetineerd. Gelet op de te hanteren maatstaf van 16 maanden is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ongeveer negen maanden. Kort na de vonnisdatum is hoger beroep in gesteld. De verdachte verblijft nog steeds in voorlopige hechtenis. Heden, op 11 december 2025 wijst het hof arrest, waarmee de redelijke termijn van berechting in de appelfase met ongeveer drie maanden is overschreden. Deze beide overschrijdingen van in totaal ongeveer één jaar brengen met zich dat het hof de strafvermindering zal bepalen op zes maanden.
Conclusie
Het hof zal de verdachte aldus veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.