ECLI:NL:GHAMS:2025:3375

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
23-001301-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake gewapende overval op Schöne Edelmetaal met ernstige bedreiging van politieambtenaren

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte, Mega Yaros, was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaar voor zijn rol in een gewapende overval op Schöne Edelmetaal in mei 2021, waarbij een grote hoeveelheid edelmetalen werd gestolen. Tijdens de overval werden medewerkers van Brinks en politieambtenaren bedreigd met vuurwapens. Het hof heeft de zaak opnieuw beoordeeld en kwam tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld. De rechtbank had eerder de verdachte vrijgesproken van enkele andere tenlastegelegde feiten, maar het hof heeft de straf verlaagd naar negen jaren en zes maanden, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De verdachte werd ook veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde politieambtenaren, die PTSS hebben opgelopen door de gebeurtenissen tijdens de overval. Het hof heeft de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers zwaar laten meewegen in de strafmaat.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001301-24
datum uitspraak: 11 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-114456-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] .
Dit arrest wordt gewezen in een strafzaak die bekend is geworden onder de namen Yaros I en Yaros II. Het hof wijst in de zaken van zeven verdachten gelijktijdig arrest.
Het gaat in deze zaak om de gewapende overval op Schöne Edelmetaal in Amsterdam-Noord, gevolgd door een achtervolging door de politie, waarbij vanuit de dadergroep op verschillende locaties met geweren is geschoten. In Broek in Waterland zijn de meeste overvallers aangehouden.
Deze aangehouden overvallers zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (respectievelijk chauffeur, bijrijder en inzittende van de betrokken [voertuig 2] ). Daarnaast gaat het om [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] (respectievelijk chauffeur en inzittende van de bij de overval gebruikte [voertuig 1] ). Een zesde betrokkene, [medeverdachte 6] die bijrijder was in de [voertuig 1] , is in Broek in Waterland om het leven gekomen. Het onderzoek naar de betrokkenheid van deze overvallers is genoemd Yaros I.
Verder stonden [medeverdachte 7] en [verdachte] terecht. Zij zijn beiden geruime tijd later aangehouden. Het onderzoek naar hun betrokkenheid is Yaros I (in de zaak [medeverdachte 7] ) en Yaros II (in de zaak [verdachte] ) genoemd. De verdenking in het geval van [medeverdachte 7] hield in dat hij, kort gezegd, in een coördinerende rol betrokken is geweest. [verdachte] is vervolgd wegens zijn rol als één van de uitvoerders.

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
6, 10, 14 en 28 oktober 2025 en 5, 7 en 27 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna advocaat-generaal) en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1.hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan Schöne Edelmetaal, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer medewerker(s) van Brinks, een of meer medewerker(s) van Schöne Edelmetaal en/of een of meer politieambtenaren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
 die medewerker(s) van Brinks en/of Schöne Edelmetaal met tie wraps vast te binden en/of
 met (automatische) vuurwapens(s) naar die medewerker(s) van Brinks en/of Schöne Edelmetaal te richten en/of
 die medewerker(s) van Brinks een mes te tonen en/of
 die medewerker(s) van Brinks te schoppen en/of
 met (een) (automatische) vuurwapen(s) op de openbare weg in de lucht te schieten en/of
 met (een) (automatische) vuurwapen(s) op de openbare weg een aantal kogels in de richting van voertuig(en) waar de politieambtenaren zich in bevonden te schieten en/of
 met (een) (automatische) vuurwapen(s) op de openbare weg op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren te schieten;
2.
primair
hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meer politieambtenaren, te weten [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] en/of [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5] en/of [politieambtenaar 6] en/of [politieambtenaar 7] en/of [politieambtenaar 8] en/of [politieambtenaar 9] en/of [politieambtenaar 10] en/of [politieambtenaar 11] en/of [politieambtenaar 12] en/of [politieambtenaar 13] (werkzaam bij de Nationale Politie) van het leven te beroven,
 [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje),
telkens met (een) (automatische) vuurwapen(s) een aantal kogels in de richting van voertuig(en) waar die politieambtenaren zich in bevonden en/of op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren heeft geschoten, welke poging(en) tot doodslag werd(en) vergezeld en/of voorafgegaan van een of meer strafbare feiten, te weten het (mede)plegen van een diefstal met geweld (te weten een overval op Schöne Edelmetaal, en welke poging(en) tot doodslag op de politieambtenaren werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan dat/die feit(en) hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of in Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten
 [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje),
van het leven te beroven, met (een) (automatische) vuurwapen(s) een aantal kogels in de richting van voertuig(en) waar die politieambtenaren zich in bevonden en/of op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten
 [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of
 [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of
 [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of
 [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje),
heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend aan bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (een) (automatische) vuurwapen(s) getoond en/of voornoemd(e) vuurwapen(s) op bovengenoemd(e) perso(o)n(en) gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) (meermalen) met voornoemd(e) vuurwapen(s) in de lucht en/of in de richting van (het/de voertuig(en) van) bovengenoemd(e) perso(o)n(en) geschoten;
3.hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten
 [politieambtenaar 14] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of
 [politieambtenaar 15] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of
 [politieambtenaar 16] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of
 [politieambtenaar 17] (locatie: Meeuwenlaan (bus 2)) en/of
 [politieambtenaar 18] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of
 [politieambtenaar 19] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of
 [politieambtenaar 20] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of
 [politieambtenaar 21] (locatie: Onderweg passeren [voertuig 1] ) en/of
 [politieambtenaar 22] (locatie: Broek in Waterland/Kruisweg) en/of
 [politieambtenaar 23] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 24] (locatie: Bruggetje) en/of
 [politieambtenaar 25] (locatie: Ramvoertuig),
heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend aan bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (een) (automatische) vuurwapen(s) getoond en/of voornoemd(e) vuurwapen(s) op bovengenoemd(e) perso(o)n(en) gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) (meermalen) met voornoemd(e) vuurwapen(s) in de lucht en/of in de richting van (het/de voertuig(en) van) bovengenoemd(e) perso(o)n(en) geschoten;
4.
primair
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland en/of Diemen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht aan/in (een) personenauto(‘s), te weten
 een [voertuig 1] met kenteken [kenteken 1] en/of
 een [voertuig 2] met kenteken [kenteken 2] en/of
 een [voertuig 3] met kenteken [kenteken 3] ,
door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met een brandbare stof (die in/over/tegen de personenauto(’s) was gesprenkeld/gegoten/gegooid), ten gevolge waarvan die personenauto(’s), geheel en/of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor het wegdek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair
hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland en/of Diemen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en wederrechtelijk
 een [voertuig 1] met kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, en/of
 een [voertuig 2] met kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, en/of
 een [voertuig 3] met kenteken [kenteken 3] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan [eigenaar] ,
in elk geval geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

4.Het onder 1 tenlastegelegde

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het onder 1 tenlastegelegde.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.
4.3.
Oordeel van het hof
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 19 mei 2021 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld, met dien verstande dat het hof niet bewezen acht dat het geweld of de bedreiging ermee mede tegen de medewerkers van Schöne Edelmetaal is gepleegd. Hoewel de situatie tijdens de overval voor hen zeer bedreigend is geweest zijn zij niet bedreigd of mishandeld op een instrumentele wijze als bedoeld in de delictsomschrijving van artikel 312 Wetboek van Strafrecht (Sr). In zoverre wordt de verdachte vrijgesproken.

5.Het onder 2 tenlastegelegde

5.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het onder 2 tenlastegelegde.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten.
5.3.
Oordeel van het hof
5.3.1.
Inhoud van de gepresenteerde bewijsmiddelen
Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij deze, naar verschillende incidenten uitgesplitste, feiten telkens heeft medegepleegd. Het hof heeft hiervoor overwogen dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen. Uit de bewijsmiddelen die het hof daarvoor gebruikt blijkt wat betreft het onder 2 tenlastegelegde onder meer dat:
 [medeverdachte 5] de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie invoeg/ S115/A10 en op de locatie N247/Slochterweg/busbaan, in beide gevallen tegen de politieambtenaren NP 225356 en [politieambtenaar 2] , respectievelijk chauffeur en bijrijder van de Volkswagen Touran;
 [medeverdachte 2] de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie Broekergouw/Kruisweg in Broek in Waterland, tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 3] , respectievelijk de chauffeur en bijrijder van de Hyundai Kona;
 een niet te identificeren persoon, die deel uitmaakte van de dadergroep, de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie Galggouw in Broek in Waterland, tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] , respectievelijk chauffeur en bijrijder van de Volkswagen Passat;
 bij de overige onder 2 opgenomen incidenten, behoudens enkele gevallen waarvoor bewijs ontbreekt, [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] of een niet met zekerheid te identificeren schutter, deel uitmakend van de dadergroep, de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft gepleegd.
5.3.2.
Maatstaven
Bij deze stand van zaken staat ter beoordeling of de hiervoor bedoelde personen één of meer van deze feiten alleen hebben gepleegd of dat zij één of meer van deze feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen (onder wie [verdachte] ) hebben gepleegd. Daarbij staat het hof allereerst stil bij de vraag of sprake is van medeplegen van de bewezen te verklaren gevallen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Deze incidenten lenen zich wat deze bewijsvraag betreft voor een gezamenlijke bespreking.
Voor het bewijs van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering ervan. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties moet in de bewijsvoering aandacht worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zijn onder meer relevante factoren de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt, blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad, een beoordeling van het concrete geval. In dit verband kan de procesopstelling van de verdachte ook een rol spelen.
Voor medeplegers geldt dat zij het door de delictsomschrijving geëiste opzet moeten hebben. Dat brengt mee dat van het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag slechts sprake kan zijn als de betrokkene opzet heeft op het van het leven beroven van een ander en het medeplegen van de poging tot doodslag tevens is gepleegd met (één van de varianten van) het bijkomend oogmerk dat artikel 288 Sr eist.
Volgens vaste rechtspraak is in het geval van medeplegen voor een bewezenverklaring niet vereist dat de verdachte alle bestanddelen van de delictsomschrijving zelf heeft vervuld. Evenmin is nodig dat de verdachte alle handelingen die, ontleend aan de tenlastelegging, in de feitelijke omschrijving van de bewezenverklaring worden opgenomen, heeft uitgevoerd. Mede met toepassing van deze uitgangspunten en de algemene maatstaven voor het bewijs van medeplegen is het hof tot de bewezenverklaring van feit 1 gekomen, zoals eerder in dit arrest is overwogen.
Dit impliceert echter niet dat, wanneer deze feitelijke, door de verdachte niet verrichte, gedragingen als afzonderlijke delicten worden ten laste gelegd, reeds op grond daarvan ook tot bewezenverklaring van die feiten kan worden overgegaan. De bewijsbaarheid van de onder 2 ten laste gelegde feiten vereist telkens een zelfstandige beoordeling op basis van de daarvoor uit het dossier af te leiden bewijsmiddelen. Dit betekent evenwel niet dat dit een geïsoleerde beoordeling is waarin volledig wordt geabstraheerd van de inhoud van de voor bewezenverklaring van feit 1 gebruikte bewijsmiddelen. Evenmin staat enige rechtsregel eraan in de weg dat het hof nadere vaststellingen afleidt uit en conclusies verbindt aan die bewijsmiddelen met het oog op de bewijsvoering inzake feit 2. Dat betekent het volgende.
De eerste stap is beantwoording van de vraag of de verdachte de delictsomschrijving zelf volledig heeft vervuld. Als daarvan sprake is, is de vervolgvraag of anderen een zodanige bijdrage aan het door hem gepleegde feit hebben geleverd dat de gevolgtrekking moet zijn dat de verdachte het feit samen met één of meer anderen heeft gepleegd.
Als de verdachte de delictsomschrijving zelf niet of niet volledig heeft vervuld, dient onderzocht te worden welke bijdrage van de verdachte uit de processtukken kan worden afgeleid. Deze moet worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor weergegeven maatstaven die betrekking hebben op medeplegen.
Het hof zal deze kwesties, mede met het oog op zoveel mogelijk eenvormigheid in de in de zaken van de verdachte en zijn medeverdachten te wijzen arresten, in samenhang bespreken.
5.3.3.
Toepassing op de zaak
De verdachten hebben deelgenomen aan een gewapende overval waarbij een hoeveelheid edelmetalen is buitgemaakt met een waarde van meer dan 14 miljoen euro. Daarbij is gebruik gemaakt van drie automatische aanvalsgeweren en een shotgun. Met in elk geval twee aanvalsgeweren is daadwerkelijk op verschillende momenten en op verschillende locaties geschoten. Een derde is gebruikt om te dreigen. Daarnaast waren nog twee vuistvuurwapens, een mes en aanzienlijke hoeveelheden munitie, waaronder van pantser doorborende kwaliteit, meegenomen.
In de respectieve fasen van de opsporing en de berechting is telkens één van de vragen geweest of er sprake was van een gezamenlijk plan voor de overval. In dat verband is vooral van belang dat er een bijeenkomst is geweest in een appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] van de late avond tot de ochtend voorafgaand aan de overval. Met name [medeverdachte 4] heeft daarover bij verschillende gelegenheden verklaard. Ook uit de verklaringen van [medeverdachte 5] tijdens het opsporingsonderzoek kan worden opgemaakt dat er vooroverleg heeft plaatsgevonden. Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, was [verdachte] ook aanwezig in het appartement, maar hij heeft niets gemerkt van besprekingen, noch zou hij daaraan hebben deelgenomen. De beoordeling van de waarachtigheid van die verklaring kan gelet op het navolgende achterwege blijven.
De verdediging heeft bij pleidooi tegen deze achtergrond aandacht gevraagd voor het, in haar visie, ontbrekende harde bewijs van een plan voor de overval. Dat zou grond moeten zijn voor de conclusie dat opzet op het medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag, voor zover daarvan bij één of meer schietincidenten sprake zou zijn, niet kan worden bewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen.
De overval is, zo kan allereerst worden vastgesteld, zodanig uitgevoerd dat daaruit blijkt dat, op tal van essentiële onderdelen, sprake is geweest van voorafgaande onderlinge afstemming. De overvallers zaten steeds in dezelfde samenstelling en op dezelfde plaatsen in de auto’s, ook nadat zij in Broek in Waterland waren overgestapt in de andere vluchtauto’s. De gehele operatie is in vier minuten uitgevoerd. Daarbij waren de rollen verdeeld. [medeverdachte 4] ramde de voordeur met de door hem bestuurde [voertuig 1] . Dat was, zo blijkt uit zijn verklaring, tijdens een voorverkenning afgesproken. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] renden als eersten naar binnen, ieder met een lang geweer in de aanslag. [medeverdachte 3] bleef buiten en positioneerde zich direct op de parallelweg en loste met het aan hem toebedeelde wapen meer dan tien schoten in de lucht. Dat was volgens afspraak zijn taak, zo heeft hij zelf verklaard. [verdachte] , zo heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, paste geweld toe op de beide medewerkers van Brinks en bond hen allebei vast met tie wraps. De overige daders, van wie er enkele in hoger beroep niet terecht staan, hebben de dozen uit de transportwagen naar buiten gebracht en geplaatst in de [voertuig 1] en de [voertuig 3] . Uit dit samenstel van handelingen leidt het hof af dat er sprake was van een planmatige aanpak.
Het hof overweegt voorts dat de medeverdachten die direct betrokken zijn geweest bij de uitvoering van de overval allen hebben verklaard dat er een afspraak was gemaakt over het gebruik van de vuurwapens. Er zou alleen in de lucht worden geschoten. Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft dit als getuige ter terechtzitting in hoger beroep in de zaak van de verdachte herhaald. Het hof stelt met de rechtbank vast dat de verklaringen over het moment waarop en de plaats waar de bedoelde afspraak over het gebruik van de vuurwapens is gemaakt, dan wel gecommuniceerd, uiteen lopen. Ook zijn de verklaringen op dit punt algemeen en vaag. Maar als deze afspraak wel zou zijn gemaakt en [verdachte] ervan op de hoogte zou zijn geweest, is het volgende van belang.
Allereerst leidt het veronderstelde bestaan van deze afspraak tot de conclusie dat er kennelijk over het gebruik van de wapens is gesproken en dat dit gebruik niet is uitgesloten. Sterker nog, op grond van de afgelegde verklaringen moet worden aangenomen dat gebruik van de aanvalsgeweren in bepaalde gevallen, waaronder betrapping door de politie en een daarop volgende achtervolging, als passende oplossing werd beschouwd.
Bijna alle verdachten droegen zichtbaar kogelwerende vesten, met uitzondering van [medeverdachte 2] . Of [verdachte] een dergelijk vest droeg kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Dit feit betekent op zich beschouwd al dat de verdachten allen rekening hebben gehouden met een gewelddadige confrontatie, onder meer met de politie, waar het gebruik van vuurwapens onderdeel van zou kunnen zijn.
Daar komt bij dat reeds tijdens de overval is geschoten. [medeverdachte 3] loste schoten buiten op straat. Dat waren harde klappen, zo blijkt uit de verklaringen van de daar aanwezige politieambtenaren. [medeverdachte 5] kwam na de overval naar buiten terwijl hij schoot. Rond dat moment, in elk geval voordat de overvallers wegreden in drie vluchtauto’s, de [voertuig 1] , de [voertuig 2] en de [voertuig 3] , stonden al drie opvallende politievoertuigen in de directe omgeving van Schöne Edelmetaal. De daders zijn met hoge snelheid weggereden en hebben daarbij de route gevolgd die uit de bewijsmiddelen blijkt. Vanaf de Zuiderzeeweg in Amsterdam-Noord zijn de [voertuig 1] en de [voertuig 2] achtervolgd door politieauto’s naar Broek in Waterland. De [voertuig 3] , met daarin onder anderen [verdachte] , is ontkomen door op de Zuiderzeeweg af te slaan naar de A10 in de andere richting. [medeverdachte 1] bestuurde de [voertuig 2] , met [medeverdachte 2] als bijrijder en [medeverdachte 3] links op de achterbank. De [voertuig 1] werd bestuurd door [medeverdachte 4] ; naast hem zat [medeverdachte 6] , die later in het weiland in Broek in Waterland door een politiekogel dodelijk werd getroffen; links achterin zat [medeverdachte 5] .
Tijdens de vlucht is diverse malen vanuit de [voertuig 1] en de [voertuig 2] , zoals hiervoor besproken, door [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en een niet met zekerheid aan te wijzen schutter uit de dadergroep geschoten. [medeverdachte 2] en de niet te identificeren schutter hebben geschoten op de parkeerplaats in Broek in Waterland. Wat betreft [medeverdachte 5] in twee gevallen en wat betreft [medeverdachte 2] en de andere schutter op de genoemde locatie telkens in de vorm van een bewijsbare poging tot gekwalificeerde doodslag. Dit geweld vond plaats in het kader van een vlucht waarbij uit de gang van zaken blijkt dat alle inzittenden van de [voertuig 1] en de [voertuig 2] zich, in bezit van de buit, aan aanhouding door de politie wilden onttrekken. Er werden zeer hoge snelheden bereikt waarbij op risicovolle wijze werd gereden. Op de parkeerplaats in Broek in Waterland werd de buit vanuit de [voertuig 1] overgeladen in de gereed staande [voertuig 4] en [voertuig 5] . Alle daders waren daar in meer of mindere mate mee bezig. Ook zijn zij, nadat de [voertuig 1] en de [voertuig 2] in brand waren gestoken, opnieuw weggereden. Op verschillende momenten werd daarbij geschoten. Nadat het onmogelijk was geworden om verder te rijden zijn zij het weiland in gerend. [medeverdachte 4] had zich verstopt in een afvalcontainer in de tuin van een van de woningen.
Dit houdt in dat genoemde verdachten, terwijl het vuurwapengeweld op verschillende plaatsen en in uiteenlopende omstandigheden werd toegepast, zich op geen enkel moment hebben gedistantieerd. Integendeel, ze hebben zich tot het uiterste ingespannen om in bezit te blijven van de buit en om een aanhouding te vermijden.
De bijdrage van elk van de hiervoor genoemde verdachten kan, in het geval zij niet zelf de schutter waren, worden aangemerkt als een bijdrage van voldoende gewicht. Het geweld is toegepast tijdens een gezamenlijke criminele onderneming. Het toegepaste vuurwapengeweld was daarbij een belangrijk onderdeel in de uitvoering, zowel voor de verkrijging van de buit als voor de vlucht. Daarmee was, blijkens de aanwezigheid van automatische vuurwapens en kogelwerende vesten, vooraf rekening gehouden. De reële mogelijkheid van een gewapend treffen, zoals kennelijk ingecalculeerd door de verdachten, impliceert de mogelijkheid dat bij de toepassing van vuurwapengeweld grenzen worden overschreden. De aanwezigheid van de zware aanvalsgeweren die de verdachten hadden meegenomen, heeft aan die mogelijkheid bijgedragen. Aldus heeft zich de reële mogelijkheid van intensievere geweldstoepassing door de respectieve schutters gerealiseerd. Het is niet uit te sluiten dat de overige verdachten deze overschrijding van grenzen niet hebben verwacht, althans daarmee niet volledig rekening hebben gehouden. Maar deze mogelijkheid was onder de gegeven omstandigheden niet zo onwaarschijnlijk dat medeplegen uitgesloten moet worden geacht.
Alle inzittenden van de twee auto’s zijn in nauwe samenwerking de gehele tijd tot aan hun aanhouding bij de vlucht betrokken geweest en hebben zich op geen enkel moment teruggetrokken. De chauffeurs hebben bovendien in aanzienlijke mate bijgedragen aan de zeer gevaarlijke omstandigheden waaronder de schoten zijn gelost en zij hebben daarmee rechtsreeks bijgedragen aan de factoren die de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg hebben doen ontstaan. De twee bijrijders hebben daarop geen enkel moment ingegrepen. [medeverdachte 2] , één van de twee bijrijders, heeft zelfs op de parkeerplaats aanleiding gezien om ook zelf potentieel dodelijke schoten te lossen.
In dit licht maakt het geen verschil of de waarachtigheid van de verklaring van elk van de verdachten, die inhoudt dat alleen in de lucht zou worden geschoten, in het midden wordt gelaten of dat hiervan wordt uitgegaan. De hiervoor weergegeven gang van zaken en de overige gedane vaststellingen leiden reeds tot de conclusie dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] de bewezen geachte pogingen tot gekwalificeerde doodslag tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Als deze redengevende feiten en omstandigheden worden gewaardeerd tegen de achtergrond van de door de verdachten gerapporteerde afspraak komt daar nog bij dat er vooraf kennelijk al rekening is gehouden met een confrontatie met de politie waar gebruik van vuurwapens een reële mogelijkheid zou zijn.
De slotsom is dan ook dat de genoemde verdachten die zijn gevlucht in de [voertuig 1] en in de [voertuig 2] , als medepleger betrokken zijn geweest bij de hiervoor besproken gevallen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Zij hadden opzet op het gronddelict en op de nauwe en bewuste samenwerking. Door het directe en instrumentele verband met de door de verdachten gepleegde diefstal met geweld is het bewijs van het in artikel 288 Sr bedoelde bijkomende oogmerk ook gegeven.
Het hof komt op dezelfde gronden tot de conclusie dat, wat betreft de incidenten waar de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging bewezen is geacht, ook telkens sprake is van medeplegen.
In het geval van [verdachte] valt de afweging anders uit. Op hem zijn de hiervoor gegeven overwegingen niet van toepassing. Hij was fysiek niet aanwezig tijdens de vlucht naar Broek in Waterland. Daarmee vervalt een onderdeel van de bewijsvoering die op het aandeel van de andere betrokken verdachten is toegepast. Dit werkt door in de waardering van aard en omvang van de betrokkenheid van [verdachte] tijdens de uitvoering van de overval nadat de vlucht was ingezet. De verdachte [verdachte] zal daarom worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 is tenlastegelegd.

6.Het onder 3 tenlastegelegde

6.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het onder 3 tenlastegelegde.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten.
6.3.
Oordeel van het hof
Het hof acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen alle onder 3 ten laste gelegde gevallen van bedreiging bewijsbaar.
Ten aanzien van de bedreiging met gebruikmaking van een automatisch vuurwapen, gepleegd op de Meeuwenlaan in Amsterdam tijdens de overval wordt het volgende vastgesteld en overwogen. Buiten redelijke twijfel staat dat [medeverdachte 3] tijdens de overval buiten heeft gestaan en diverse malen in de lucht heeft geschoten. Dit levert bedreiging op jegens de genoemde inzittenden van bus 1 en bus 3. [medeverdachte 5] is de persoon geweest die dreigend zijn aanvalsgeweer heeft getoond richting bus 2.
Voorts is het [medeverdachte 3] geweest die op de locatie Broek in Waterland/Kruisweg uit de wegrijdende Peugeot schoot, wat een bedreiging van [politieambtenaar 22] oplevert. Van de overige onder 3 opgenomen incidenten kan niet met zekerheid worden gezegd wie de persoon is geweest die heeft geschoten dan wel dreigend een vuurwapen heeft getoond. Wel is er telkens sprake geweest van bedreiging.
Op de gronden zoals uiteengezet in de overwegingen over medeplegen bij feit 2 acht het hof eveneens bewezen dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] bij alle incidenten medepleger van de bedreiging zijn geweest.
Wat betreft [verdachte] blijft de bewezenverklaring beperkt tot het medeplegen van bedreiging van de inzittenden van bus 1, bus 2 en bus 3. Hij zal van hetgeen overigens onder 3 is tenlastegelegd worden vrijgesproken om dezelfde redenen als weergegeven bij de bespreking van feit 2.
Aanvullend wordt daartoe het volgende overwogen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voorafgaand aan de overval aanwezig is geweest in het appartement in [plaats 1] en dat daar veel mensen aanwezig waren. Hij heeft daar ook een klein wapen in handen gedrukt gekregen. Ook heeft hij daar kogelwerende vesten gezien en toen dacht hij dat het om meer dan een gewone diefstal zou gaan. De medeverdachte [medeverdachte 4] heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep in de zaak van de verdachte verklaard dat de overval in het appartement in [plaats 1] is voorbesproken en dat er een afspraak is gemaakt over het gebruik van de meegenomen aanvalsgeweren. Onder deze omstandigheden is sprake van medeplegen van de bedreigingen door de verdachte ten aanzien van de inzittenden van de politiebussen op de Meeuwenlaan in Amsterdam-Noord.

7.Het onder 4 tenlastegelegde

7.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het onder 4 tenlastegelegde.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten.
7.3.
Oordeel van het hof
Feit 4 heeft onder meer betrekking op het in brand steken van de [voertuig 2] en de [voertuig 1] op en bij de parkeerplaats aan de Broekergouw in Broek in Waterland. [medeverdachte 4] heeft, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, samen met een ander de [voertuig 1] in brand gestoken. [medeverdachte 2] heeft blijkens zijn eigen verklaring benzine in de [voertuig 2] gegooid waarna deze door een ander in brand werd gestoken. [medeverdachte 3] heeft verklaard de [voertuig 2] in brand te hebben gestoken.
Het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep, biedt aanknopingspunten om nadere vaststellingen te doen over de personen die de brandstichting in één van de twee auto’s in Broek in Waterland hebben gepleegd. Geen van de overige verdachten heeft een bewijsbare rol in de uitvoering gehad, zodanig dat hij aantoonbaar de delictsomschrijving heeft vervuld.
Voorts vermeldt de tenlastelegging de brandstichting in de [voertuig 3] , de vluchtauto waarin [verdachte] zat, die uitgebrand is aangetroffen in Diemen. Daarvan kan niet worden vastgesteld wie de dader is geweest.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de brandstichting in alle drie vluchtauto’s moet worden beschouwd als onderdeel van een gezamenlijk plan van alle daders van de diefstal met geweld. Het kan aan de advocaat-generaal worden toegegeven dat het een veel voorkomende werkwijze is dat vluchtauto’s na ernstige delicten uitgebrand worden achtergelaten. Maar het dossier biedt, behoudens de verklaring van [medeverdachte 4] tijdens het opsporingsonderzoek, onvoldoende aanknopingspunten om met zekerheid te oordelen dat dit ook in dit geval onderdeel van een planmatige aanpak is geweest. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen in het voorgaande over een mogelijk plan, een planmatige werkwijze, het bereik ervan en het opzet van de verdachte is overwogen. De in de tenlastelegging onder 4 omschreven handelingen kunnen, anders dan bij het partieel bewezenverklaarde feit 3, niet binnen de reikwijdte van die planmatige werkwijze en van de daarvan deel uitmakende reële mogelijkheden worden gebracht.
Het hof acht daarom bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging brand hebben gesticht in de [voertuig 2] en dat [medeverdachte 4] samen met een ander brand heeft gesticht in de [voertuig 1] . Uit de processtukken blijkt dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen. De verdachte was samen met anderen gevlucht in de [voertuig 3] . Hij heeft ontkend deze auto in brand te hebben gestoken. Ook overigens ontbreekt daarvoor bewijs. Op de gronden als hiervoor uiteengezet kan hij ook niet als medepleger worden aangemerkt. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.

8.Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan. Hij heeft verzocht de [medeverdachte 8] te horen met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4. De voorwaarde houdt in dat als het hof de verklaring van de verdachte (inhoudende dat hij niet wist van voorafgaande afspraken over het al dan niet gericht schieten op politieambtenaren als dat bij betrapping nodig zou zijn) niet volgt bij het beoordelen van het bewijs met betrekking tot de verdenking dat er door medeverdachten gericht is geschoten op politieambtenaren, dat dan dit verzoek wordt gedaan. Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in het voorgaande overwogen dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen. Wat betreft de bewezenverklaring van dit feit heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd. Met zijn verzoek heeft de raadsman het oog gehad op de gang van zaken tijdens de vlucht waarbij de [voertuig 2] en de [voertuig 1] betrokken waren, meer in het bijzonder op de vraag of vanuit deze auto’s in de richting van de politie is geschoten. Waar het gaat om de feiten 2, 3 en 4 zal het hof in de zaak van de verdachte alleen een aantal gevallen van bedreiging, gepleegd ten tijde van de overval bij Schöne Edelmetaal en ten laste gelegd onder 3, bewezen verklaren. Van het onder 2 tenlastegelegde, dat onder meer betrekking heeft op het gepleegde vuurwapengeweld tijdens de vlucht vanuit de genoemde twee auto’s, wordt de verdachte geheel vrijgesproken. Dat geldt eveneens voor het onder feit 4 tenlastegelegde. Daarom is een verhoor van [medeverdachte 8] bij deze stand van zaken niet van belang voor enige rechtens te nemen beslissing.
Het verzoek wordt vanwege het ontbreken van noodzaak afgewezen.

9.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van Brinks en politieambtenaren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
 die medewerkers van Brinks met tie wraps vast te binden en
 met automatische vuurwapens naar die medewerkers van Brinks te richten en
 die medewerkers van Brinks een mes te tonen en
 een medewerker van Brinks te schoppen en
 met automatische vuurwapens op de openbare weg in de lucht te schieten en
 met automatische vuurwapens op de openbare weg een aantal kogels in de richting van voertuigen waar de politieambtenaren zich in bevonden te schieten en
 met automatische vuurwapens op de openbare weg op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren te schieten;
3.
hij, op 19 mei 2021 in tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten
in Amsterdam:
 [politieambtenaar 14] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en
 [politieambtenaar 15] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en
 [politieambtenaar 16] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en
 [politieambtenaar 18] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en
 [politieambtenaar 19] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en
 [politieambtenaar 20] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3))
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend aan bovengenoemde personen een automatisch vuurwapen getoond en voornoemd vuurwapen op bovengenoemde personen gericht en/of gericht gehouden en/of (meermalen) met voornoemd vuurwapen in de lucht en/of in de richting van (het voertuig van) bovengenoemde person(en) geschoten;
in Amsterdam:
 [politieambtenaar 17] (locatie: Meeuwenlaan (bus 2))
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend aan bovengenoemde personen een automatisch vuurwapen getoond en/of voornoemd vuurwapen op bovengenoemde personen gericht en/of gericht gehouden.
Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

10.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op het heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

11.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

12.Oplegging van straf

12.1.
Vonnis van rechtbank
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3, 4 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
12.2.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3, 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
12.3.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval die in tal van opzichten volstrekt van de buitencategorie is geweest. Hij maakte deel uit van een groep van ongeveer tien daders die met buitengewoon veel geweld een grote hoeveelheid edelmetalen heeft buit gemaakt. De omvang van de buit was al even uitzonderlijk.
De dadergroep had de beschikking over drie automatische aanvalsgeweren en een shotgun. Daarnaast waren twee handvuurwapens meegenomen. De daders hebben de twee medewerkers van Brink’s, die net een lading met edelmetalen hadden afgeleverd, met twee aanvalsgeweren bedreigd en onder schot gehouden. Beide medewerkers zijn door de verdachte mishandeld en gekneveld. Zij moesten met de handen vastgebonden op de grond liggen. Tijdens de overval heeft één van de mededaders met een aanvalsgeweer op straat tal van schoten gelost. Bij het verlaten van de plaats van de overval is door een andere overvaller opnieuw geschoten. De medewerkers van Brink’s hebben doodsangsten uitgestaan. Dat blijkt uit de verklaringen die zij tijdens het opsporingsonderzoek hebben afgelegd. De camerabeelden van de overval, die deel uitmaken van het procesdossier, laten niets aan de verbeelding over. Het geweld en de dreiging ermee moeten overweldigend en zeer beangstigend zijn geweest. Ook de medewerkers van Schöne Edelmetaal die zich in veiligheid konden brengen of in ruimtes konden blijven waar ze min of meer veilig waren, zijn heel bang geweest. Dit blijkt uit hun verklaringen, afgelegd tijdens het opsporingsonderzoek, en de toelichting die is gegeven op hun vorderingen benadeelde partij.
Het kan niet anders dan dat een ieder die zich tijdens deze overval op de openbare weg in de omgeving van Schöne Edelmetaal bevond het als een zeer bedreigende situatie heeft ervaren. Een onmiskenbare aanwijzing daarvoor is te vinden in de gerapporteerde ervaringen van de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen. Zij spreken van zware, doffe klappen.
Korte tijd later werd duidelijk dat dit buitensporige geweld nog maar het begin was geweest. Dit geweld, waarbij de verdachte fysiek niet meer aanwezig was, maakt deel uit van de strafverzwarende omstandigheden van de diefstal, zoals die door de verdachte is medegepleegd. Dit geweld kan ook aan hem, hoewel in overwegende mate niet ten laste van hem in de vorm van afzonderlijke strafbare feiten bewezen verklaard, worden toegerekend. Hij was op de hoogte van de meegebrachte wapens en van de besproken mogelijkheid om deze te gebruiken. Bovendien was hem, zo moet worden aangenomen, op de Meeuwenlaan in Amsterdam al duidelijk geworden dat deze wapens werden ingezet om de politie op afstand te houden.
De overvallers sloegen, voorzien van de buitgemaakte waardevolle materialen, op de vlucht in drie snelle auto’s. Wat zich tijdens deze vlucht heeft afgespeeld is door diverse betrokken politieambtenaren getypeerd als ‘wildwest’. ‘Het leek wel oorlog’, heeft een ander gezegd. Bepaald zonder overdrijving. Met hoge snelheden werd gereden door woonwijken. Grote risico’s voor de veiligheid van anderen werden daarbij niet geschuwd. Na enige tijd grepen enkele mededaders opnieuw naar hun aanvalsgeweren. Kennelijk om de politieauto’s, waarmee inmiddels de achtervolging was ingezet, van zich af te schudden. Vanuit twee vluchtauto’s werd geschoten. Het resultaat is in één woord schokkend. Maar liefst acht medewerkers van de politie hebben ernstige PTSS opgelopen. Vier van hen hebben vanwege gedeeltelijke of gehele arbeidsongeschiktheid de keuze moeten maken om ontslag te nemen of ander, mentaal minder belastend, werk te aanvaarden binnen de politieorganisatie. Voor veel anderen waren de gebeurtenissen zo indringend dat dit lange tijd ontregelend was in hun dagelijks leven. Dat politiemedewerkers tegen een stootje moeten kunnen, zoals betoogd door de verdediging, zullen ze waarschijnlijk zelf ook vinden maar zoveel grof geweld laat bij vrijwel ieder mens meer of minder diepe sporen na. Dat is volstrekt invoelbaar.
Nadat de achtervolging eindigde in Broek in Waterland bleek nogmaals dat deze overval goed voorbereid was. Uit de wijze van uitvoering van de overval bleek al dat er een gedegen voorbereiding aan vooraf was gegaan of dat er in elk geval duidelijke en precieze instructies waren gegeven.
Op een parkeerplaats in Broek in Waterland stonden twee vluchtauto’s klaar, waarin een groot deel van de meegebrachte buit werd geladen. Kennelijk was er op dat moment nog niet voldoende militaire munitie door de dadergroep verschoten. Blijkens het sporenbeeld is aldaar met twee aanvalsgeweren opnieuw geschoten om de, inmiddels meer dan twintig, toegesnelde politieambtenaren af te schrikken.
De gestolen edelmetalen hadden een waarde van meer dan veertien miljoen euro. Een aanzienlijk deel van de buit, ter waarde van ruim vier miljoen euro, is nog steeds niet teruggevonden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit deel van de buit is veilig gesteld met gebruikmaking van de derde auto die bij de overval betrokken was. In deze auto, de [voertuig 3] , zat de verdachte. Deze auto is korte tijd later uitgebrand aangetroffen en uit de processtukken kan worden opgemaakt dat de verdachte en de andere drie overvallers die hierin zijn gevlucht ook op de beschikbaarheid van een gereed staande auto konden rekenen waarmee zij hebben kunnen ontkomen. De uiteindelijke schade voor Schöne Edelmetaal bedroeg tweehonderdduizend euro, het eigen risico verbonden aan de verzekering voor diefstal.
De slotsom kan zijn dat de verdachte actief betrokken is geweest bij een overval van uitzonderlijke brutaliteit die met veel raffinement is voorbereid en uitgevoerd, waarbij de uitvoering en het vervolg daarvan met veel geweld en dreiging met geweld gepaard gingen. In dit verband zijn enkele sprekende details in deze strafmotivering nog onbesproken gebleven. Het hof noemt de meegebrachte ‘kraaienpoten’, de kogelwerende vesten die door bijna alle overvallers werden gedragen, de munitie die voor een deel van pantser doorborende kwaliteit was, de ‘walkie talkies’ die in alle auto’s aanwezig waren voor de onderlinge communicatie. Voorbeelden die illustreren dat het de bedoeling was om ook onder moeilijke omstandigheden of bij tegenslag zich van het bezit van de buit te verzekeren. Over de mate waarin de verdachte in het gehele traject van voorbereiding betrokken is geweest kunnen weinig conclusies met zekerheid worden getrokken, maar dat ieder van de daders in hoofdlijnen op de hoogte moet zijn geweest van de rolverdeling kan zonder meer worden geconcludeerd.
Het hof rekent het de verdachte ook aan dat het lange tijd heeft geduurd voordat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn bijdrage aan deze overval. Pas ter terechtzitting in hoger beroep, drieënhalf jaar na zijn aanhouding, heeft hij erkend dat hij er strafbaar betrokken bij is geweest. Of er sprake is van enigszins doorleefde spijtgevoelens valt te betwijfelen. Na terugkeer in [plaats 2] heeft de verdachte er bij de organisatie op aangedrongen dat hij 50.000 euro plus een evenredig deel van de buit zou ontvangen.
Het hof heeft ook kennis genomen van de informatie die beschikbaar is over eerdere veroordelingen van de verdachte in [land 1] . Deze gegevens, die voornamelijk betrekking hebben op minder recente strafbare feiten, hebben het hof geen aanleiding gegeven om er acht op te slaan in het kader van de straftoemeting.
De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof het een en ander gezegd over zijn persoonlijke omstandigheden. Daaruit blijkt dat het leven niet altijd makkelijk is geweest en dat er zorgen zijn over zijn jongste kind. De hiervoor weergegeven overwegingen moeten evenwel tot de conclusie leiden dat hierin geen ruimte kan worden gevonden voor enige vorm van strafmatiging. Vergelding is in het geval van de verdachte een overheersend strafdoel. Met een zware straf beoogt het hof daarnaast het algemeen-preventieve signaal te geven dat het plegen van strafbare feiten, in het bijzonder van feiten van deze aard en omvang, tot een krachtige reactie van de strafrechter zal leiden.
Indien en voor zover de verdediging heeft beoogd te wijzen op de voor de verdachte nadelige gevolgen van de Wet Straffen en Beschermen, overweegt het hof, zoals herhaald in zeer veel rechterlijke beslissingen, dat deze wetgeving uitsluitend betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en daarom buiten het bestek van de door de strafrechter te verrichten beoordeling valt.
Ter terechtzitting zijn standpunten ingenomen over de wijze waarop de feiten 1 tot en met 4 zich, in geval van gehele of volledige bewezenverklaring, tot elkaar verhouden en welke regels van samenloop van toepassing zouden zijn. Naar het oordeel van het hof staan de onder 3 bewezen verklaarde gevallen van bedreiging in een meerdaads verband. Het zijn op zichzelf staande feiten, gepleegd op verschillende momenten door verschillende schutters, met telkens andere slachtoffers. Evenmin valt in te zien dat zij alle tot één wilsbesluit zijn te herleiden. Het enkele gegeven dat men als collectief een gewapende overval pleegt kan immers niet tot die conclusie leiden. Daarom zijn deze feiten door het hof gekwalificeerd als meermalen gepleegd. Deze onder 3 bewezen verklaarde gevallen van bedreiging staan elk afzonderlijk in een verhouding tot feit 1 als die van eendaadse samenloop.
Voorgaande beschouwingen brengen het hof tot de conclusie dat alle aanleiding bestaat om voor de in vereniging gepleegde diefstal met geweld als vertrekpunt uit te gaan van een gevangenisstraf van tien jaren. Nu de verdachte van het merendeel van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, legt de gedeeltelijke bewezenverklaring van feit 3 geen aanvullend gewicht in de schaal. Aan hem zal daarom bij wijze van uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren worden opgelegd.
Redelijke termijn
In verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal het hof strafvermindering toepassen. De verdachte is op grond van een Europees Aanhoudingsbevel in [land 1] aangehouden op 19 april 2022. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 28 mei 2024. De verdachte was die gehele periode gedetineerd. Gelet op de te hanteren maatstaf van 16 maanden is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ongeveer negen maanden. Kort na de vonnisdatum is hoger beroep in gesteld. De verdachte verblijft nog steeds in voorlopige hechtenis. Heden, op 11 december 2025 wijst het hof arrest, waarmee de redelijke termijn van berechting in de appelfase met ongeveer drie maanden is overschreden. Deze beide overschrijdingen van in totaal ongeveer één jaar brengen met zich dat het hof de strafvermindering zal bepalen op zes maanden.
Conclusie
Het hof zal de verdachte aldus veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

13.Vorderingen van de benadeelde partijen

In deze strafzaak hebben twee benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding ingediend. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de vorderingen geheel kunnen worden toegewezen. De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partijen bij een vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, en dat bij een bewezenverklaring gerefereerd wordt aan het oordeel van het hof.
13.1.
Algemene overwegingen en opmerkingen
Het hof bespreekt hier enkele aspecten die voor de beoordeling van deze vorderingen van belang zijn.
Grondslag
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat het, nu bij de benadeelde partijen geen sprake is van lichamelijk letsel of schade in de eer en goede naam, de vraag is of de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Wie zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Het hof verklaart ten aanzien van beide benadeelde partijen de onder 3 tenlastegelegde bedreiging bewezen. Deze gevallen hebben beide betrekking op een strafbaar feit waarbij in de nabijheid of omgeving van de betrokkene is geschoten met één of meer aanvalsgeweren onder omstandigheden waarin de schutter tijdens de gewapende overval personen op afstand hield dan wel tezamen met mededaders van de gewapende overval probeerde te ontkomen. Het eerste geval betreft de inzittende van bus 1 ( [politieambtenaar 14] ) en het tweede geval betreft de inzittende van bus 2 ( [politieambtenaar 17] ). Het gaat daarom om bedreigingen die voor de politieambtenaar die tot taak heeft om met proportionele geweldstoepassing tot aanhoudingen over te gaan zeer ontregelend zijn. De aard en de ernst van de normschending hebben in dit verband reeds zelfstandige, zij het niet toereikende, betekenis voor de beoordeling van de vorderingen.
Voor de beoordeling is voorts, gelet op de hoogte van de gevorderde bedragen, een concrete onderbouwing vereist die voldoende concrete gegevens bevat waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Dit houdt volgens vaste rechtspraak overigens niet in dat daarvan slechts sprake is indien het gaat om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, en evenmin dat dit geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld.
De advocaat van de benadeelde partijen heeft in zijn schriftelijke toelichting en ter terechtzitting gegevens ter beschikking gesteld ter onderbouwing van de gevorderde bedragen. Er is bij beide benadeelde partijen sprake van PTSS. In het geval van een vordering van € 10.000,00 is de betrokkene binnen een periode van twee jaren min of meer hersteld. Het hogere bedrag, € 12.000,00, is gevorderd als dat herstel niet heeft plaatsgevonden. In algemene zin stelt het hof vast dat de Rotterdamse schaal, waarnaar ter terechtzitting in hoger beroep ook enkele malen is verwezen, geen enkele contra-indicatie biedt voor toekenning van de gevorderde bedragen als de PTSS naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Integendeel, dan zijn ook veel hogere schadebedragen denkbaar.
Wettelijke rente
Het hof zal bij elke toewijzende beslissing bepalen dat wettelijke rente dient te worden vergoed met als ingangsdatum 19 mei 2021, de dag waarop één of meer van de schadeveroorzakende feiten hebben plaatsgevonden.
Hoofdelijkheid
De benadeelde partijen hebben elk verzocht om de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit telkens toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders indien en voor zover deze jegens de benadeelde partij tot vergoeding van dezelfde schade zijn veroordeeld.
Proceskosten
Ten aanzien van de proceskosten overweegt het hof dat redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting daarvan dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Daarin wordt bij de vorderingen als hier aan de orde doorgaans het ‘Liquidatietarief Kanton’ gehanteerd. Dat heeft de rechtbank kennelijk ook gedaan. Voor de behandeling in appel is het zogeheten liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven van toepassing dat per 1 februari 2024 voor de laatste maal is geïndexeerd.
Het hof zal de verdachte telkens veroordelen in de proceskosten die door de benadeelde partij, die vergoeding van immateriële schade vordert, zijn gemaakt waarbij wordt uitgegaan van genoemd liquidatietarief, zoals van toepassing op de vonnisdatum. De kostenveroordeling zal voor zover het de eerste aanleg betreft daarom overeenkomen met de veroordeling in het vonnis. Waar het gaat om de proceskosten in hoger beroep hanteert het hof twee punten voor de vergoeding van proceskosten. Het te hanteren tarief is gebaseerd op het “liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven”, zoals geldend vanaf 1 februari 2024. Het hof sluit aan bij de categorie “incidenteel appel/hoger beroep van een uitspraak van de kantonrechter op het hof”. Tarief II is in dit geval van toepassing op de beide vorderingen. Dat bedraagt in dit geval de helft van € 1.214,00, te weten € 607,00 per punt. Nu twee punten voor deze vorderingen worden toegekend bedraagt de proceskostenvergoeding € 1.214,00 per vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal ten aanzien van beide toe te wijzen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
13.2.
De vorderingen nader beoordeeld
[politieambtenaar 14]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. In hoger beroep is de vordering beperkt tot dit toegewezen bedrag.
De benadeelde partij heeft alsnog PTSS ontwikkeld nadat lange tijd was verstreken. Het bestaan van de PTSS en de ontstaanswijze in een laat stadium zijn verantwoord aan de hand van een brief van een deskundige. Het gaat om een brief van ARQ van 4 april 2023 waaruit blijkt dat de PTSS-klachten later zijn opgetreden.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 3 bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand op € 812,00 plus € 1.214,00. Dat is totaal € 2.026,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.
[politieambtenaar 17]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, € 12.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. In hoger beroep is de vordering in de initiële omvang aan de orde.
De benadeelde partij heeft alsnog PTSS ontwikkeld nadat lange tijd was verstreken. Uit de gegeven onderbouwing blijkt dat de klachten zo ernstig zijn dat de betrokkene 80 tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard en eervol is ontslagen.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 12.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezenverklaarde en met het onder 3 bewezenverklaarde voor zover de benadeelde partij in de bewezenverklaring wordt vermeld.
De benadeelde partij heeft verzocht de hoofdelijkheidsclausule toe te passen. Het hof zal dit toewijzen en bepalen dat de verdachte hoofdelijk is verbonden met zijn mededaders.
Het hof zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof begroot, met inachtneming van hetgeen in algemene zin in het voorgaande is overwogen, de kosten rechtsbijstand op € 812,00 plus € 1.214,00. Dat is totaal € 2.026,00. De verdachte zal in zoverre in de proceskosten worden veroordeeld.

14.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 285 (oud) en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
De benadeelde partij [politieambtenaar 17]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van deze benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 2.026,00 (tweeduizend zesentwintig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.000,00 (twaalfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 95 (vijfennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
De benadeelde partij [politieambtenaar 14]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van deze benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 2.026,00 (tweeduizend zesentwintig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 mei 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. E. Mijnsberge en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van
mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
11 december 2025.