Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
eerste griefheeft hij betoogd dat de verplichtingen tot aanhouding van de procedures en schorsing van de executie per direct opeisbaar zijn, en dat dus niet eerst ‘enige zekerheid’ voor [geïntimeerde] is vereist. Met zijn
tweede griefstelt [appellant] zich, in subsidiaire zin, op het standpunt dat hij de kennelijk vereiste zekerheid al ruimschoots heeft gegeven. De
derde griefluidt dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht.
“ [appellant] en [geïntimeerde] zullenin gezamenlijk overlegervoor zorgen dat…”; onderstreping hof), maakt het hof op dat partijen kennelijk hebben bedoeld ruimte te laten voor nader overleg (en dus ook ruggespraak). De uitkomst van dergelijk overleg kan zijn dat één van partijen nog niet direct bereid is de desbetreffende handelingen te verrichten. Het hof acht het voorshands voldoende aannemelijk dat partijen elkaar deze ruimte bewust hebben willen geven. Immers, de eerste versie van de ‘Overeenkomst op hoofdlijnen’ luidde aanzienlijk beperkter en dwingender:
“ [appellant] en [geïntimeerde] c.s. zullengezamenlijk bewerkstelligendat…”(onderstreping hof). [geïntimeerde] heeft althans uit de definitieve versie van artikel 7 mogen Pro begrijpen dat hij de mogelijkheid had ruggespraak te houden en (tijdelijk) zijn medewerking te onthouden.
Dathij dat ook zo heeft begrepen, blijkt uit het feit dat [geïntimeerde] de dag na ondertekening van de ‘Overeenkomst op hoofdlijnen’ ook daadwerkelijk contact heeft opgenomen met zijn advocaten. Deze adviseerden hem toen nog niet mee te werken aan het aanhouden van de procedures en doen schorsen van de executie. [geïntimeerde] heeft dit advies opgevolgd, en ook kunnen opvolgen. Dat [appellant] , gelet op de datum waarop de ‘Overeenkomst op hoofdlijnen’ is gesloten en de aanvankelijke arrestdatum (16 september 2025), wel voor ogen stond dat per direct uitvoering zou worden gegeven aan artikel 7, moet voor zijn rekening en risico blijven. Hij heeft de desbetreffende tekst immers zelf op deze wijze aangepast en geaccordeerd.
“subject to buyer’s evaluation”). Hoewel inmiddels drie maanden zijn verstreken tussen het sluiten van de ‘Overeenkomst op hoofdlijnen’ is er nog altijd geen natuursteen verscheept naar Dubai (zoals [geïntimeerde] wenste) of een andere plek waar hij dit zelf zou kunnen inspecteren. [geïntimeerde] heeft dan ook terecht de nodige vraagtekens geplaatst bij de vraag of de gegarandeerde partij natuursteen überhaupt bestaat en wat de waarde daarvan is.
“I hereby certify that this certificate may be relied upon as evidence that [bedrijf 2] , as of the date hereof, has at least EUR 2,555,746.51 in liquid funds held in the third-party (escrow) bank account of my law firm.”. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [appellant] dit geld vervolgens vrijwel direct weer van de desbetreffende rekening heeft gehaald, naar eigen zeggen uit vrees voor beslag daarop door [geïntimeerde] . [appellant] erkent dus wel dat [geïntimeerde] recht heeft op geld en er
isgeld, maar om onduidelijk gebleven redenen wordt dat geld toch nog steeds niet aan [geïntimeerde] betaald. In dat licht bevreemdt het niet dat [geïntimeerde] nog altijd niet genegen is in te stemmen met aanhouding van de procedures en schorsing van de executie. Hij is hiertoe in redelijkheid ook niet gehouden.