ECLI:NL:GHAMS:2025:3323

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23-001430-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de moord op Peter R. de Vries en het voorhanden hebben van vuurwapens

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de verdachte, die is veroordeeld voor het medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het voorhanden hebben van vuurwapens. De verdachte, geboren in 1999, werd beschuldigd van het doden van De Vries op 6 juli 2021 in Amsterdam, waarbij hij samen met anderen handelde. De zaak is bijzonder vanwege de rol van De Vries als misdaadverslaggever en adviseur van een kroongetuige in een groot strafproces. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de opdracht om De Vries te doden heeft aangenomen en dat hij dit op een zeer gewelddadige manier heeft uitgevoerd. De verdediging voerde aan dat de verdachte onder psychische druk handelde, maar het hof verwierp dit argument. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van 28 jaar opgelegd, maar het hof heeft deze straf verlaagd naar 27 jaar en 6 maanden, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De benadeelde partij, de vriendin van De Vries, heeft een schadevergoeding van € 38.222,41 toegewezen gekregen, bestaande uit immateriële en materiële schade. Het hof benadrukte de ernst van de moord en de impact op de samenleving, en dat dergelijke daden zwaar bestraft moeten worden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001430-24
datum uitspraak: 11 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-180771-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 en 24 oktober 2024, 6, 7, 8, 9, 27 en 30 oktober 2025 en 11 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden en de advocaten van de benadeelde partij en de spreekgerechtigde nabestaanden naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is tijdens de behandeling van de zaak door de rechtbank gewijzigd. Na deze wijziging is aan de verdachte (samengevat) tenlastegelegd dat:
1.
hij op 6 juli 2021 te Amsterdam samen met anderen Peter R. de Vries heeft vermoord;
2.
hij op 6 juli 2021 in Nederland samen met anderen een pistoolmitrailleur en een getransformeerd pistool en munitie voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis van de rechtbank

Het vonnis van de rechtbank zal om praktische redenen worden vernietigd.
4.
Voorvragen
4.1
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zodat (primair) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte of (subsidiair) alle ‘anonieme bevindingen’ moeten worden uitgesloten van het bewijs.
Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging ten eerste aangevoerd dat sprake is van een dossier dat nagenoeg volledig bestaat uit verklaringen van anonieme getuigen (in de autonome betekenis die het EHRM hanteert), terwijl het hof verplicht is om ten aanzien van iedere getuige zelf onderzoek te doen naar de noodzaak van anonimiteit en het hof dat heeft nagelaten. Reeds om die reden is volgens de verdediging geen sprake van een eerlijk proces.
Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) kan worden afgeleid dat het uiteindelijk aan een rechter is om te beoordelen of er voldoende en goede gronden zijn de identiteit van een getuige verborgen te houden. Dat betekent echter niet dat in het geval een dossier voor een belangrijk deel bestaat uit verklaringen van anonieme getuigen, in die zin dat de naam van de getuige niet bekend is maar zij wel identificeerbaar zijn, de rechter van al die getuigen, dus ook van degenen van wie de verklaringen niet voor het bewijs tegen de verdachte worden gebruikt en die ook niet door de verdediging worden ondervraagd, zou moeten beoordelen of er voldoende en goede gronden zijn de identiteit verborgen te houden. Er is geen rechtsregel, jurisprudentie van het EHRM daaronder begrepen, die dat voorschrijft. Dit standpunt wordt dan ook verworpen. Het hof merkt daarbij op dat in het geval een getuige door de rechter wordt gehoord op dát moment, op grond van artikel 290 lid 1 Sv, wordt gevraagd naar (onder andere) zijn personalia, dan wel wordt beslist dat vragen daarnaar achterwege worden gelaten op de grond dat het vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd.
Ter onderbouwing van het standpunt dat geen sprake is van een eerlijk proces heeft de verdediging ten tweede aangevoerd dat de voorliggende zaak in beslissende mate is gebaseerd op anoniem bewijs, terwijl de verdediging niet in staat is gesteld de belastende getuigen te ondervragen en van enige compensatie voor het ontbreken van de mogelijkheid tot het ondervragen van deze getuigen geen sprake is geweest.
Het hof stelt vast dat het dossier voor een belangrijk deel uit verklaringen of schriftelijke verslagen bestaat van personen van wie de naam niet in het dossier is opgenomen. Het gaat samengevat om ooggetuigen, politieagenten en deskundigen. Deze personen kunnen wel geïndividualiseerd worden. Het hof verwijst in dat verband naar de overweging van de rechtbank ten aanzien van de (identificerende gegevens betreffende de) ooggetuigen, politieambtenaren en deskundigen, zoals weergegeven op pagina 9 en 10 van het vonnis. Zij kunnen dan ook worden opgeroepen als getuige. Dat is door de verdediging niet bestreden. Het betreft hier dan ook geen anonieme getuigen als bedoeld in artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Door de verdediging is ook uitdrukkelijk naar voren gebracht dat geen beroep wordt gedaan op de schending van de in dat artikel opgenomen bewijsregel voor het gebruik van anonieme getuigenverklaringen.
Dat brengt het hof bij de kern van het verweer, namelijk dat de voorliggende zaak in beslissende mate is gebaseerd op verklaringen van getuigen (van wie de personalia niet uit het dossier blijken), terwijl de verdediging niet in staat is gesteld deze getuigen te ondervragen.
Door de verdediging is bij appelschriftuur verzocht om ‘het horen van alle getuigen (te weten: alle verbalisanten, deskundigen en overige betrokkenen), die onder nummer en/of zonder identificerende gegevens in het dossier zijn opgevoerd en/of genoemd (zoals uiteengezet in het in eerste aanleg op dit punt gevoerde verweer)’. Op de regiezitting heeft de verdediging dit verzoek toegelicht en een lijst van 119 getuigen overgelegd. Deze toelichting houdt niet meer in dan de stelling dat alle in die lijst opgenomen getuigen belastend hebben verklaard (ten aanzien van zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] , die door dezelfde raadslieden wordt bijgestaan) en dat alle bevindingen van deze personen worden betwist. Het hof heeft vervolgens het verzoek tot het horen van al deze getuigen afgewezen. Verwezen wordt naar de motivering van die beslissing, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2024. Samengevat houdt de beslissing in dat (i) de stelling dat alle opgegeven getuigen ten aanzien van [verdachte] belastend hebben verklaard (en het verzoek dus niet nader hoeft te worden gemotiveerd) niet klopt, (ii) de verdediging de verklaringen van de opgegeven getuigen niet inhoudelijk heeft betwist en (iii) de verdediging heeft nagelaten te motiveren waarom (in het geval de belastende strekking van een verklaring niet aanstonds duidelijk is) en waarover de door haar opgegeven deskundigen en opsporingsambtenaren die technisch onderzoek hebben verricht zouden moeten worden gehoord. Het hof heeft de verdediging de gelegenheid geboden om alsnog een verzoek te doen tot het horen van getuigen en per getuige aan te geven dát – en zo nodig op grond waarvan – deze als een belastende getuige in de zaak tegen déze verdachte moet worden aangemerkt, en dat verzoek waar nodig te voorzien van een nadere motivering. Van die gelegenheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt. Niet binnen de daarvoor gestelde termijn en evenmin tijdens de latere inhoudelijke behandeling.
Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft de verdediging nogmaals toegelicht dat (ook) een verzoek tot het horen van opsporingsambtenaren (naar het hof begrijpt: die technisch onderzoek hebben verricht) en deskundigen niet hoeft te worden gemotiveerd, als hun bevindingen belastend zijn voor de verdachte. Dat standpunt is in zijn algemeenheid onjuist. De Hoge Raad heeft zijn jurisprudentie op dit punt, die geldt voor zowel het verzoek tot het horen van een deskundige als het horen van een opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht, recent verduidelijkt [1] . Een verzoek tot het oproepen en horen van een deskundige mag niet worden afgewezen op de enkele grond dat een onderbouwing door de verdediging ontbreekt van het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring of het deskundigenverslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Wel zal de verdediging moeten benoemen welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist of aan ander onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast moet worden toegelicht waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van het oproepen en horen van de deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen. Het verzoek van de verdediging tot het horen van opsporingsambtenaren die technisch opsporingsonderzoek hebben verricht en deskundigen voldoet niet aan deze eisen. Het hof heeft ambtshalve geen grond aanwezig geacht voor het oproepen en horen van één of meer opsporingsambtenaren of deskundigen. Dat laatste geldt ook voor de overige getuigen.
Gelet op het voorgaande gaat de stelling dat de verdediging niet in staat is gesteld belastende getuigen te ondervragen niet op. Althans, is dat aan de verdediging zelf te wijten. Dat doet er echter niet aan af dat het hof zal moeten nagaan of de procedure tegen de verdachte in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, waaronder ook het recht van de verdachte om een belastende getuigenverklaring te (doen) onderzoeken.
Hierbij stelt het hof voorop dat voor het bewijs tegen de verdachte geen gebruik is gemaakt van verklaringen van ooggetuigen van wie de identiteit niet in het dossier is vermeld. Met de afwijzing van het verzoek om 20 ooggetuigen op te roepen en te ondervragen is de verdediging dan ook niet in enig belang geschaad.
Het hof heeft, zoals uit de verdere inhoud van dit arrest zal blijken, voor het bewijs van het tenlastegelegde gebruik gemaakt van verklaringen en bevindingen van opsporingsambtenaren die technisch onderzoek hebben verricht en verslagen van deskundigen. Terzijde merkt het hof op dat dit lang niet alle door de verdediging als getuige opgegeven opsporingsambtenaren en deskundigen betreft. Wat betreft de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de hier bedoelde getuigen geldt dus dat zij niet door de verdediging zijn gehoord. De Hoge Raad heeft in laatst genoemd arrest overwogen dat (a) als de verdediging het verzoek doet om een deskundige (opmerking hof: of opsporingsambtenaar die technisch onderzoek heeft verricht) op te roepen en te horen omdat deze deskundige een belastende verklaring heeft afgelegd, en (b) de rechter dit verzoek niet toewijst omdat de onderbouwing van het verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en de rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor het oproepen en horen van de deskundige, (c) de rechter ervan blijk moet geven te hebben onderzocht of aan de verdediging op een andere manier gelegenheid moet worden geboden om de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, en (d) – als die gelegenheid niet wordt geboden – de rechter moet motiveren dat en waarom de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
Dat brengt het hof bij de vraag of aan de verdediging op een andere manier gelegenheid moet worden geboden om de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaringen en verklaringen van opsporingsambtenaren die technisch opsporingsonderzoek hebben verricht, te onderzoeken. Het hof stelt hierbij voorop dat het zelf geen enkele aanwijzing heeft gevonden te twijfelen aan de deskundigheid of de bevindingen en/of interpretaties van de hier bedoelde getuigen. Door de verdediging is ook geen enkel inhoudelijk argument naar voren gebracht die zo’n aanwijzing kan opleveren. Om een voorbeeld te geven: door de verdediging is verzocht de forensisch pathologen 758 en 977, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), op te roepen en te horen als getuigen. Deze forensisch pathologen hebben een rapport opgesteld, dat door het hof is gebruikt voor het bewijs. In dat rapport is geconcludeerd dat ‘het overlijden van Peter Rudolf de Vries zonder meer wordt verklaard door (de verwikkelingen van) een schotletsel door het hoofd’. Dat De Vries is neergeschoten en als gevolg van het daardoor opgelopen schotletsel enig tijd later is overleden, is door de verdediging op geen enkele wijze bestreden. Laat staan dat er argumenten naar voren zijn gebracht die aanleiding geven aan de betrouwbaarheid van de deskundigen of hun bevindingen omtrent de doodsoorzaak van De Vries te twijfelen. Waarom deze deskundigen gehoord zouden moeten worden, is dus een raadsel. Wat er van dit voorbeeld verder zij, door de verdediging is niet bepleit dat bepaalde – door het hof voor het bewijs gebruikte – verklaringen of verslagen moeten worden uitgesloten van het bewijs vanwege de onbetrouwbaarheid daarvan. Naar het oordeel van het hof bestond en bestaat er dan ook geen aanleiding nader onderzoek te (laten) doen.
Dan komt het uiteindelijk aan op de vraag of de procedure tegen [verdachte] in haar geheel eerlijk is geweest. Die was heel eerlijk, concludeert het hof. Bij dat oordeel stelt het hof voorop dat personalia van de getuigen in het dossier zijn weggelaten uit veiligheidsoverwegingen, zoals toegelicht op pagina 8 van het vonnis van de rechtbank. In hoger beroep heeft het openbaar ministerie desgevraagd, en na intern overleg, het standpunt ingenomen dat een dreiging nog steeds voorstelbaar is. Toegegeven: dat is weinig concreet, maar bedacht moet worden dat het hier een voorzorgsmaatregel betreft en niet een beslissing om het tegen de verdachte ingebrachte bewijs te allen tijde anoniem te houden. Ook een aantal verdachten ziet veiligheidsrisico’s, zo heeft [verdachte] , tijdens de inhoudelijke behandeling verklaard dat hij op een extra beveiligde afdeling van hun penitentiaire inrichting zit, omdat er een dreiging op zijn leven zou zijn die verband houdt met deze zaak. Het is naar het oordeel van het hof onder deze omstandigheden dan ook goed voorstelbaar dat de keuze is gemaakt om ooggetuigen, die tegen wil en dank waarnemingen rond de schietpartij op de openbare weg hebben gedaan, in zekere zin afgeschermd te houden. Aangezien hun verklaringen niet zijn gebruikt voor het bewijs, heeft de verdediging hierdoor geen rechtens te respecteren nadeel ondervonden. Verder is het gebruikelijk dat opsporingsambtenaren die onderzoek doen naar georganiseerde vormen van zeer ernstige criminaliteit onder nummer werken, om te waarborgen dat zij hun werkzaamheden (ook in de toekomst) ongehinderd kunnen blijven uitvoeren. In het verlengde daarvan wekt het geen verwondering dat ook deskundigen in dit soort onderzoeken niet onder hun eigen naam willen rapporteren. Het hof herhaalt dat al deze getuigen individualiseerbaar zijn. Van elk van hen is bekend welke functie en bevoegdheden, dan wel deskundigheid, zij hebben. Het hof onderkent dat meer in het bijzonder ten aanzien van deskundigen geldt dat het onder omstandigheden van belang is te weten wie de desbetreffende deskundige is, bijvoorbeeld om te kunnen controleren of de deskundige daadwerkelijk deskundig is op zijn of haar vakgebied. Nog even daargelaten dat, zoals hierboven is toegelicht, bij een eventueel verhoor in beginsel naar de personalia van een deskundige zou zijn gevraagd, geldt dat alle door het openbaar ministerie ingeschakelde deskundigen stonden ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen. Dat laatste geldt kennelijk niet voor de door de rechter-commissaris ingeschakelde forensisch radioloog en beide forensisch pathologen. Alvorens hen te benoemen als deskundige heeft de rechter-commissaris hun deskundigheid beoordeeld aan de hand van een curriculum vitae. Het voorgaande leidt tot conclusie dat er een goede reden was om de personalia van de verschillende soorten getuigen niet in het dossier op te nemen en dat de omstandigheid dat die namen niet zijn opgenomen, niet van bepalende invloed is geweest op het proces tegen de verdachte. Meer in het bijzonder heeft het de verdediging niet beperkt in het kunnen oproepen van getuigen.
Verder is van belang dat het bewijs tegen [verdachte] , anders dan de verdediging heeft gesteld, voor een wezenlijk deel bestaat uit niet-anonieme bewijsmiddelen. Dat betreft om te beginnen de verklaring van de getuige 5089. Hij wordt weliswaar vanwege beschermingsmaatregelen die zijn getroffen aangeduid met een nummer, maar zijn volledige personalia staan in het dossier en zijn bij de verdediging bekend. Daarnaast zijn in de bewijsconstructie de verklaringen belangrijk van de getuigen [getuige 1] , [persoon 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Deze getuigen hebben deels belastend verklaard, maar zijn ook van belang omdat zij (tezamen) de (betrouwbaarheid van de) verklaring van de getuige 5089 voor een belangrijk deel bevestigen. De getuigen 5089, [persoon 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn door de verdediging (meerdere keren in het geval van de getuige 5089) effectief gehoord. [getuige 1] is ook door de verdediging gehoord, maar hij heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen. In het licht van alle overige bewijsmiddelen acht het hof de verklaring van [getuige 1] echter ook bruikbaar voor het bewijs. Bij het achterwege laten van zijn verklaring, zou aan de uiteindelijke bewijsvoering overigens ook geen afbreuk worden gedaan.
In de bewijsvoering is verder de inhoud van het, nog te bespreken, berichtenverkeer van belang tussen de Google Pixel telefoons met Matrix id- nummer eindigend op *1212 (Matrix id *1212) en Matrix id-nummer eindigend op *4299 (Matrix id *4299). Het betreft hier versleutelde communicatie. De inhoud van dat versleutelde berichtenverkeer is door het NFI leesbaar gemaakt en de berichten zijn aan het dossier toegevoegd. Vooropgesteld wordt dat de inhoud van het berichtenverkeer het materiële bewijs tegen [verdachte] en de medeverdachten oplevert, niet de verklaring van de verbalisant R-172 die de verdediging wilde ondervragen. Hij heeft, samengevat, slechts de berichten in een proces-verbaal van bevindingen opgenomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat behalve [verdachte] , ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de telefoon met Matrix id *1212 hebben gebruikt. Zij hebben beiden verklaard berichten te hebben verstuurd en hebben, voorzover zij zelf de verzender waren, de in het dossier weergegeven inhoud daarvan niet bestreden. In zoverre kloppen de onderzoeksresultaten van het NFI kennelijk. Verder is van belang dat door [verdachte] niet is bestreden dat hij bepaalde, aan hem toegeschreven berichten, heeft verstuurd. Evenmin heeft hij de in het dossier weergegeven inhoud bestreden.
Tot slot heeft het hof voor het bewijs gebruik gemaakt van een proces-verbaal van bevindingen waarin aan de hand van camerabeelden gebeurtenissen en tijdstippen zijn beschreven. Nog afgezien van het feit dat de verdediging ook deze bevindingen niet heeft weersproken, geldt dat de camerabeelden (die ook aan het dossier van de verdediging zijn toegevoegd) ter terechtzitting in eerste aanleg zijn afgespeeld en de verdediging dus in de gelegenheid is geweest de bevindingen te controleren en naar voren te brengen wat voor haar van belang was. Desgevraagd heeft de verdediging laten weten dat het opnieuw afspelen van de beelden ter terechtzitting in hoger beroep niet nodig was.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel bewijsuitsluiting moet worden verworpen.
Verzoek inzage ‘volledige onderzoeksdossier’
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan haar doelbewust informatie wordt onthouden die van belang is voor, zo begrijpt het hof, het beantwoorden van de vragen van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging op de eerste plaats gewezen op de permanente onthouding van processtukken op grond van artikel 149b Sv. De vordering van de officier van justitie en de beschikking van de rechter-commissaris zijn in het dossier gevoegd. Voor zover de verdediging heeft bedoeld inzage te krijgen (dan wel voeging, maar daar is niet expliciet om verzocht) in ook deze stukken, wordt dat verzoek afgewezen. In de beschikking heeft de rechter-commissaris immers vermeld dat de onthouden stukken geen ontlastende informatie bevatten. Van dit oordeel van de rechter-commissaris dient het hof uit te gaan, behoudens bijzondere omstandigheden, maar daarvan is niet gebleken. Overigens is in hoger beroep een deel van deze stukken inmiddels verstrekt, te weten de stukken uit het onderzoek 26Offenburg met daarmee tevens een deel van de stukken uit het onderzoek 26Sandbach. Deze stukken bevatten inderdaad geen voor de verdachte ontlastende feiten en omstandigheden. Belastend zijn deze overigens ook niet.
Ten tweede heeft de verdediging aangevoerd dat er nog onderzoek loopt naar de opdrachtgevers van de moord op De Vries. Onderzoeksresultaten die minst genomen nog duidelijker hadden kunnen maken onder wat voor soort omstandigheden (het hof begrijpt: waaronder de druk die op de verdachte zou zijn uitgeoefend) de verdachte in deze zaak is betrokken, worden volgens de verdediging ten onrechte niet verstrekt. Hierdoor is er niet alleen een onvolledig beeld van de uitvoering, maar ook van de aansturing van de moord. De verdediging heeft daarom verzocht inzage te krijgen in ‘het volledige onderzoeksdossier, dat wil zeggen alle bevindingen die zijn gedaan in het kader van het onderzoek naar de dood van De Vries’.
Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot
voegingvan stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van een beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken.
De verdediging kan – mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – ook een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van
inzagein specifiek omschreven stukken. Bij de beoordeling van zowel verzoeken tot het voegen van stukken bij de processtukken als verzoeken tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken, is onder meer van belang in hoeverre die stukken relevant (kunnen) zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen.
Het verzoek van de verdediging voldoet niet aan de hierboven – verkort – weergegeven maatstaf voor de beoordeling van een verzoek als het onderhavige, omdat de verdediging slechts een zeer algemeen geformuleerd verzoek heeft gedaan. Van specifiek omschreven stukken is dus geen sprake. Het verzoek moet reeds daarom worden afgewezen.
Voor het geval het verzoek tot inzage wordt afgewezen, heeft de verdediging subsidiair bepleit dat door het doelbewust onthouden van informatie aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekort wordt gedaan en daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De stelling dat het openbaar ministerie doelbewust (naar het hof begrijpt: ontlastende of anderszins relevante) informatie achterhoudt, is onvoldoende onderbouwd. Dat er nog onderzoek plaatsvindt naar één of meer andere verdachten (opdrachtgevers) doet daar niet aan af. Het openbaar ministerie heeft laten weten dat zwaarwegende opsporingsbelangen zich verzetten tegen het verstrekken van nadere informatie over dat onderzoek. Het hof betrekt bij zijn oordeel verder dat volgens de verdediging met de ontbrekende informatie vragen zouden kunnen worden beantwoord, zoals: ‘Zijn de uitvoerders bedreigd? Hoe reëel was die dreiging? Was er mogelijk sprake van een vorm van psychische overmacht of zelfs noodweer?’ Dat zijn echter vragen waar de verdachte bij uitstek zelf (een begin van een) antwoord op kan geven. In elk geval had het op zijn weg gelegen met de nodige mate van bepaaldheid aan te geven naar welke stukken de verdediging op zoek is, zodat eventueel had kunnen worden onderzocht of deze deel uit maken van onderzoek dat nog plaatsvindt. Het verweer wordt daarom verworpen.

5.Onderzoeken Iraklia en Hendon

Op 6 juli 2021 werd Peter R. de Vries neergeschoten in het centrum van Amsterdam. Op 15 juli 2021 overleed hij aan zijn verwondingen.
Binnen een uur na de moordaanslag zijn de medeverdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] aangehouden. Het opsporingsonderzoek naar hun betrokkenheid betreft het onderzoek Iraklia. Niet veel later is ook een onderzoek gestart naar mogelijk andere betrokkenen. Dat betreft het onderzoek Hendon. Naar aanleiding van dat onderzoek zijn op een veel later moment de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] aangehouden.
De rechtbank heeft uiteindelijk – nadat het onderzoek ter terechtzitting tegen de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] bijna was afgerond – de zaken tegen alle verdachten tegelijkertijd behandeld. De strafzaken tegen [medeverdachte 2] en [verdachte] hebbend daardoor wel extra lang geduurd. De rechtbank heeft de dossiers samengevoegd en ook processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank over en weer gevoegd in de zaken tegen de verschillende verdachten. Het hof heeft dus de beschikking over één dossier. Op grond daarvan verwijt het openbaar ministerie de verdachten op verschillende manieren betrokkenheid bij de moord op De Vries en/of deelneming aan een criminele organisatie.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met anderen De Vries heeft vermoord.
Het hof zal de vraag moeten beantwoorden of de verdachte daarvoor moet worden veroordeeld.
Voor de leesbaarheid worden de verdachte en de medeverdachten (ook) met naam genoemd.

6.Beoordeling van het bewijs

6.1
Identificatie gebruikers telefoons en telefoonnummers
In het dossier zijn verschillende telefoons en telefoonnummers beschreven. Uit de bewijsmiddelen volgt welke telefoon en welk telefoonnummer, op welk moment, in gebruik was bij een verdachte.
Het hof stelt vast dat de navolgende telefoonnummers en Matrix id-nummers in gebruik waren bij de daarachter genoemde verdachten. Hiertegen is geen verweer gevoerd.
  • [telefoonnummer 1] in gebruik bij [verdachte] ;
  • [telefoonnummer 2] (Matrix id) in gebruik bij [verdachte] ;
  • [telefoonnummer 3] in gebruik bij [medeverdachte 2] ;
  • [telefoonnummer 4] in gebruik bij [medeverdachte 2] ;
  • [telefoonnummer 5] in gebruik bij [medeverdachte 2] ;
  • [telefoonnummer 2] (Matrix id) in gebruik bij [medeverdachte 2] ;
  • [telefoonnummer 6] in gebruik bij [medeverdachte 1] ;
  • [telefoonnummer 7] in gebruik bij [medeverdachte 1] ;
  • [telefoonnummer 2] (Matrix-id) in gebruik bij [medeverdachte 1] ;
  • [telefoonnummer 8] in gebruik bij [medeverdachte 1] ;
  • [telefoonnummer 9] (Matrix-id) in gebruik bij [medeverdachte 1] ;
  • [telefoonnummer 10] in gebruik bij [medeverdachte 3] ;
  • [telefoonnummer 11] in gebruik bij [medeverdachte 3] ;
  • [telefoonnummer 2] (Matrix id) in gebruik bij [medeverdachte 3] ;
6.2
Feiten en omstandigheden
RTL Boulevard is een televisieprogramma dat elke werkdag van 18.35 tot ongeveer 19.30 uur wordt opgenomen en live op de televisie wordt uitgezonden. De studio van RTL Boulevard ligt aan het Leidseplein in Amsterdam. De achteruitgang ligt aan de Lange Leidsedwarsstraat. Tegenover deze uitgang ligt de nooduitgang van een McDonalds. Deze McDonalds is gevestigd aan de Leidsestraat. Peter R. de Vries was zeer regelmatig te gast bij RTL Boulevard. Op dinsdag 6 juli 2021 is De Vries rond 19:30 uur kort na een gastoptreden bij RTL Boulevard neergeschoten op de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam. Hij verliet kort daarvoor de studio van RTL Boulevard via de achteruitgang. De Vries was op weg naar zijn auto die geparkeerd stond in parkeergarage De Hoofdstad. Op 15 juli 2021 is De Vries aan zijn schotverwondingen overleden.
De Vries was een bekende misdaadverslaggever. Ook stond hij als adviseur en vertrouwenspersoon de kroongetuige bij in het Marengo proces.
Het hof heeft het hierna over de moord op De Vries, omdat uit de bewijsvoering blijkt van een vooropgezet plan om De Vries van het leven te beroven, en daarmee van voorbedachte raad.
Op grond van de inhoud van het dossier en wat ter terechtzitting is besproken stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast die voor de beoordeling van de beschuldiging relevant zijn.
Gebeurtenissen voorafgaand aan de moord op De Vries
April 2021 – [medeverdachte 1] zoekt mensen om een journalist te volgen en dood te schieten
Uit de verklaring van de getuige 5089 volgt dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 1] vanaf april 2021 op zoek was naar een journalist en iemand om die journalist dood te schieten. Vanaf mei 2021 werden er foto’s van de journalist gemaakt en werd er achter hem aangereden. [medeverdachte 1] heeft dit aan de getuige 5089 gevraagd en ook aan [getuige 1] . Vanaf juni 2021 was [medeverdachte 2] bezig met het volgen van de journalist om hem dood te schieten. [medeverdachte 1] zou dit doen voor ‘oom’, een Marokkaanse man voor wie hij werkte en die in de gevangenis zat. De journalist moest worden doodgeschoten omdat hij samenwerkte met de kroongetuige in een zaak tegen de Marokkaanse man. Daarvoor hadden ze de broer van de kroongetuige doodgeschoten en nu zou de journalist aan de beurt zijn.
[getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem, ongeveer twee maanden voordat De Vries is neergeschoten, heeft gevraagd om een paar foto’s te maken van een meneer die uit een kantoorpand kwam. [getuige 1] kwam er later achter dat het om De Vries ging. Nadat De Vries was neergeschoten, heeft hij van [medeverdachte 1] gehoord wat er is gebeurd (het hof begrijpt: dat [medeverdachte 1] betrokken was bij de moord). [medeverdachte 1] liep ermee te pronken, en ook over de man voor wie hij werkte en die hij ‘oom’ noemde.
21 tot en met 28 juni 2021 – [medeverdachte 2] moet De Vries doodschieten
De getuige 5089 heeft verklaard dat [medeverdachte 1] aan hem heeft verteld dat [medeverdachte 2] vanaf juni 2021 de journalist ging volgen om hem dood te schieten, maar dat hij waarschijnlijk bang was en dat [medeverdachte 1] iemand anders moest vinden. [medeverdachte 2] moest toen als chauffeur rijden.
[medeverdachte 2] heeft op de terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 21, 23, 24, 25, 27 en 28 juni 2021 in Amsterdam aanwezig was om De Vries te doden en dat hij in dat verband beschikte over vuurwapens en een Matrix telefoon. Hij heeft gedurende die tijd De Vries drie keer gezien en is achter De Vries aangelopen nadat De Vries de studio van RTL Boulevard verliet. [medeverdachte 2] heeft ook verklaard dat hij niet de schutter wilde zijn, maar dat hij zich niet terug mocht trekken.
Bevindingen met betrekking tot de Renault Kadjar
Tussen 19 en 20 juni 2021 is een zilvergrijze Renault Kadjar met [kenteken 1] in Hoofddorp gestolen.
Deze Renault Kadjar heeft een infotainmentsysteem dat wordt ingeschakeld zodra het contact van de auto wordt ingeschakeld. Uit dit infotainmentsysteem blijkt dat de auto op verschillende tijdstippen tussen 21 en 27 juni 2021 is gestart. De auto staat dan telkens onder bereik van zendmasten die dekking geven aan de [adres 1] in Utrecht.
Op 27 juni 2021 is de auto om 01:52 uur gestart. De auto staat op dat moment nog steeds onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 1] in Utrecht. Om 02:12 uur staat het nummer van [persoon 2] , en om 02:29 uur het nummer van [medeverdachte 1] , ook onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 1] . [persoon 2] heeft verklaard dat hij en [medeverdachte 1] jeugdvrienden zijn.
Op 3 juli 2021 om 16:41 uur is het [kenteken 2] van een Renault Kadjar bevraagd door een politieambtenaar die zich op dat moment op de [adres 1] bevond.
Op 6 juli 2021 worden [verdachte] en [medeverdachte 2] aangehouden in de Renault Kadjar. Dit betreft de Renault Kadjar die rond 20 juni 2021 is gestolen in Hoofddorp. De Renault Kadjar is op dat moment voorzien van vervalste kentekenplaten met [kenteken 2] . Op de valse kentekenplaten zijn vingerafdrukken van [persoon 2] aangetroffen.
Het hof stelt vast dat de Renault Kadjar die rond 20 juni 2021 in Hoofddorp is gestolen, is ‘koud gezet’ op de [adres 1] in Utrecht en daarna is voorzien van de valse kentekenplaten.
5 juli 2021 – de dag voor de moord op De Vries
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] rijden naar Alphen aan den Rijn om wapens te halen
Op 5 juli 2021 om 14:48 uur ontvangt [medeverdachte 1] van [persoon 3] een SMS-bericht met het telefoonnummer van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] woonde op dat moment op de [adres 2] te Rotterdam.
Om 15:20 uur wordt de auto van [persoon 1] geregistreerd op de [adres 3] in Rotterdam in de richting van [adres 5] en één minuut later straalt het nummer van [persoon 1] een zendmast aan die dekking geeft aan de [adres 3] . Om 15:23 uur straalt het nummer van [medeverdachte 1] een zendmast aan in diezelfde omgeving en om 15:35 uur straalt het nummer van [medeverdachte 1] een zendmast aan die dekking geeft aan de [adres 2] in Rotterdam.
Om 16:05 uur stuurt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] een SMS-bericht met als inhoud: ‘ [adres 1] ’. Om 16:51 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] . Op dat moment maken beide nummers gebruik van zendmasten die dekking geven aan de [adres 1] in Utrecht. Om 16:56 uur wordt [persoon 1] gebeld en op dat moment staat zijn nummer eveneens onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 1] in Utrecht.
Om 17:01 uur wordt de Renault Kadjar gestart. Op dat moment staat de auto onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 1] .
Om 17:06 uur begint een chatgesprek tussen de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer eindigend op *1212 en de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer eindigend op*4299, waarvan het hof heeft vastgesteld dat deze bij [medeverdachte 1] in gebruik was. De volgende chatberichten – die zijn vertaald vanuit het Pools naar het Nederlands – worden op 5 juli 2021verstuurd:
17:06 uur
*1212:
Oké
17:10 uur
*1212:
Ik weet alles
17:17 uur
*1212:
Stuur me de foto’s
Allemaal
17:21 uur
*1212:
Van die lul
17:34 uur
*1212:
We zijn al aan het rijden
In de Google Pixel telefoon met het Matrix id-nummer eindigend op *1212 zijn drie fotobestanden aangetroffen waarop De Vries is te zien. Deze fotobestanden hebben de tijdstempels: 5 juli 2021 om 17:24 uur.
Op 5 juli 2021 om 17:38 uur maakt de Renault Kadjar een snelheidsovertreding op de N11 in Alphen aan den Rijn.
Het chatgesprek gaat verder. Er worden onder meer de volgende berichten verstuurd:
18:25 uur
*1212
We zijn er
18:34 uur
18:38 uur
18:43 uur
*1212
[medeverdachte 1]
[Ik] ga er naartoe
Maatje [ga] naar Golf 4 een zwarte zal [er] in zitten
[bedrijf]
18:44 uur
[medeverdachte 1]
Zilverkleurige Golf 4
18:49 uur
*1212
Ik zie
18:52 uur
[medeverdachte 1]
Maak in de auto een foto van wat je gekregen hebt
18:55 uur
[medeverdachte 1]
Maatje die ene is er niet jullie moeten morgen daar naar toe
18:55 uur
[medeverdachte 1]
Het wapen naar huis brengen en de auto achterlaten
18:58 uur
[medeverdachte 1]
Verdomme maar je moet niet met het wapen spelen
18:58 uur
[medeverdachte 3] :
Ik weet het
19:05 uur
[medeverdachte 3]
Luister er is geen demper
19:06 uur
[medeverdachte 3]
Kun je niet voor morgen regelen?
De Vries was op maandag 5 juli 2021 niet in de uitzending van RTL Boulevard.
[medeverdachte 3] heeft op terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 5 juli 2021 is benaderd met de vraag of hij geld wilde verdienen voor een klus. Hij is die dag met een auto opgehaald vlakbij zijn woning in Rotterdam. In de auto is hem verteld dat de klus een liquidatie betrof. Hij ontving een Google Pixel telefoon met een pincode en een wachtwoord. In Utrecht is hij overgestapt in een andere auto. In deze auto zat één ander persoon die de auto bestuurde. Het was de bedoeling dat de liquidatie op 5 juli 2021 zou plaatsvinden. Hij is vervolgens met die andere persoon naar een plek gereden om wapens op te halen. Nadat de wapens in de auto lagen, heeft hij de Google Pixel telefoon gebruikt. Hij kreeg een bericht dat de liquidatie die dag niet doorging. Hij is naar huis gebracht en heeft de telefoon en de vuurwapens meegenomen. De dag daarop zou hij weer opgehaald worden om de liquidatie alsnog uit te voeren.
De getuige [persoon 1] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 1] (het hof begrijpt op 5 juli 2021) naar Rotterdam is gereden en dat zij daarna een Pool (het hof begrijpt: die in Rotterdam is ingestapt) hebben afgezet in Utrecht.
[medeverdachte 2] heeft op de terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 5 juli 2021 naar Alphen aan den Rijn is gereden om wapens op te halen. Hij zou vervolgens met iemand naar Amsterdam rijden, maar kreeg onderweg de opdracht dat het niet meer hoefde. Hij heeft de persoon toen afgezet en is met de auto naar Tiel gereden.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 3] na het afhaken van [medeverdachte 2] als schutter de opdracht heeft gekregen De Vries dood te schieten. Hij is door [medeverdachte 1] en [persoon 1] van Rotterdam naar de [adres 1] in Utrecht gebracht. Onderweg heeft [medeverdachte 3] van [medeverdachte 1] de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer *1212 gekregen. In Utrecht is [medeverdachte 3] overgestapt in de gestolen Renault Kadjar die door [medeverdachte 2] werd bestuurd. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens naar Alphen aan den Rijn gereden om vuurwapens op te halen. Tijdens de reis onderhield [medeverdachte 1] contact via de Google Pixel telefoon eindigend op id-nummer *4299 en gaf hij instructies. Het was de bedoeling om met de in Alphen aan den Rijn opgehaalde vuurwapens De Vries dood te schieten. Dat ging niet door omdat De Vries die dag niet bij RTL Boulevard te gast was.
6 juli 2021 - de dag van de moord op De vries
[medeverdachte 3] trekt zich terug als schutter en [medeverdachte 1] vindt iemand anders
Op 6 juli 2021 om 10:21 uur start het chatgesprek tussen de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer *1212, op dat moment in gebruik bij [medeverdachte 3] , en de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer *4299, in gebruik bij [medeverdachte 1] . De volgende berichten worden verstuurd:
10:21 uur
[medeverdachte 3]
Laat die vent [in het Pools: ‘ziomek’ – betekent letterlijk landgenoot] eerder komen
10:22 uur
[medeverdachte 3]
Zonder de uitlaatdemper is het een zeer linke boel het gaat zo tekeer dat de hele stad aan het trillen is
10:36 uur
[medeverdachte 1]
Hahaha maatje hij zal komen
Je kunt je nu niet terugtrekken
10:39 uur
[medeverdachte 3]
Je hebt helemaal niet gezegd dat dit het centrum is ik ben niet wanhopig als iets doen dan goed laat hem komen ik zal dit allemaal aan hem geven en kom even langs om te praten als je wilt ik zal je alles vertellen hoe het eruit ziet
10:50 uur
[medeverdachte 1]
Maatje ben je nu aan het dollen
10:50 uur
[medeverdachte 1]
Verdomme volgens mij wil je dat ze mij gaan gaan afschieten
10:53 uur
[medeverdachte 3]
Wat zeg je nou laat die vent [in het Pools: ‘ziomek’, betekent letterlijk: ‘landgenoot’] even langskomen hij wilde hij heeft slechts een chauffeur nodig dit moet anders gedaan worden zoals ik [het zie] nou zoals nu is het met alle zekerheid de gevangenis dit zeg ik eerlijk tegen je bek
10:54 uur
[medeverdachte 3]
Ik ben daar nergens aan geweest alles is zoals het was het mobieltje zal ik ook aan hem geven
10:58 uur
[medeverdachte 1]
Verdomme ik wist dat het zo zou gaan wat een tering zooi
Om 11:38 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en vindt er een gesprek van 106 seconden plaats. Het nummer van [medeverdachte 1] staat op dat moment onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan zijn woonadres in [woonplaats] . Het nummer van [verdachte] staat op dat moment onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan zijn verblijfadres in Rotterdam.
Het chatgesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] vervolgt:
11:42 uur
[medeverdachte 1]
Ben je er
11:43 uur
11:44 uur
[medeverdachte 1]
Ik heb iemand die het gaat doen
Verdomme ik heb iemand gevonden die het gaat doen
11:45 uur
[medeverdachte 3]
Bek maar ik zeg het eerlijk tegen je het zou goed zijn als je een uitlaatdemper zou regelen
11:46 uur
[medeverdachte 1]
Jajaja de pot op
Ik heb iemand anders
Die dat gaat doen
11:46 uur
[medeverdachte 3]
Ik ben thuis
11:46 uur
[medeverdachte 1]
Maar je moet niet slapen
Hij zal het komen halen
11:46 uur
11:47 uur
[medeverdachte 3]
Geef een seintje
Ik zal wachten
13:21 uur
[medeverdachte 1]
Ben je er
13:43 uur
[medeverdachte 3]
Ik ben er
Ik ben aan het wachten
Ik was aan het douchen
14:55 uur
[medeverdachte 1]
Ik zal daar zijn vóór 4 [uur]
De auto van [persoon 1] wordt om 16:25 uur geregistreerd op de [adres 6] in Rotterdam.
Op 6 juli 2021 om 14:54 uur stuurt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] een SMS-bericht met de tekst ‘ [adres 4] Rotterdam’. [medeverdachte 1] heeft eerder die dag, om 13:26 uur, een bericht met daarin dit adres ontvangen van het nummer van [persoon 3] . Het adres is vlakbij de woning van [medeverdachte 3] .
Om 15:02 uur wordt de Renault Kadjar gestart, die op dat moment een zendmast in Tiel aanstraalt die gedeeltelijk hetzelfde dekkingsgebied heeft als de zendmast waar het nummer van [medeverdachte 2] om 14:53 uur aanstraalt. Om 16:09 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] . Op dat moment staat het nummer van [medeverdachte 2] onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 2] in Rotterdam. Eén van de laatste bestemmingen ingevoerd in het Automotive systeem van de Renault Kadjar is het adres [adres 5] in Rotterdam. Om 16:29 uur staat de Renault Kadjar onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 2] en het [adres 5] in Rotterdam.
De Google Pixel telefoon waarmee [medeverdachte 3] communiceert start een datasessie. De volgende berichten tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] worden verstuurd:
16:02 uur
[medeverdachte 3]
Moet ik al naar buiten komen
16:03 uur
[medeverdachte 1]
nee
Blijf wachten
Ik ben er bijna
16:03 uur
[medeverdachte 3]
Kom naar dezelfde [plaats] als gisteren
16:05 uur
[medeverdachte 3]
Mocht er iets zijn dan zal ik naar buiten komen, nou ja [persoon 3] heeft je het adres gestuurd, de flat ernaast
16:05 uur
[medeverdachte 1]
Oké
16:05 uur
[medeverdachte 3]
Moet ik hem die telefoon geven
16:06 uur
[medeverdachte 3]
ook?
16:06 uur
[medeverdachte 1]
Ja
16:06 uur
[medeverdachte 3]
Oké stuur mij dan een berichtje als ik naar buiten moet komen
16:15 uur
[medeverdachte 1]
Waar is de benzine
16:15 uur
[medeverdachte 3]
In de auto
16:16 uur
[medeverdachte 3]
Moet dit allemaal meegenomen worden
16:17 uur
16:18 uur
[medeverdachte 1]
Ja maar blijf wachten
Ik zal je een berichtje sturen over hoeveel [tijd] je naar buiten moet komen
16:24 uur
[medeverdachte 1]
Die vent [letterlijk: 'landgenoot’] staat daar waar hij met hem had afgesproken
Gisteren
Op de hoek
16:25 uur
[medeverdachte 3]
Oké
Ik ga lopen
Moet ik alles aan hem geven
Met de telefoon?
16:25 uur
[medeverdachte 1]
Tal [geen bestaand Pools woord, had vermoedelijk moeten zijn: ‘ Tak’ - betekent: ‘Ja’]
En zeg ook wat het wachtwoord is
16:28 uur
[medeverdachte 1]
Ben je al met hem
Ik heb 3 minuten
16:32 uur
[medeverdachte 1]
Waar zijn jullie verdomme
Er is geen tijd
Om 16:33 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] . Beide nummers staan op dat moment onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 2] . Het nummer van [verdachte] staat om 16:41 uur eveneens onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 2] en het [adres 5] in Rotterdam.
Om 16:49: uur, wordt de Renault Kadjar geregistreerd op de [adres 6] in Rotterdam en vervolgens om 16:51 uur in de Maastunnel.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij op 6 juli 2021 in de ochtend met de Google Pixel telefoon een bericht heeft gestuurd waarin hij zich terugtrok als schutter. Hij moest de Google Pixel telefoon en vuurwapens toen teruggeven en heeft deze naar de auto gebracht.
De getuige [persoon 1] heeft verklaard dat hij op de dag van de moord [medeverdachte 1] heeft opgehaald en dat ze naar het huis van ‘ [verdachte] ’ zijn gegaan in Rotterdam, waar zij [verdachte] hebben opgehaald. Mensen noemen [verdachte] op straat ‘Demper’. [persoon 1] heeft [verdachte] van een foto herkend als de door hem bedoelde ‘Demper’. Vervolgens hebben zij met z’n drieën een kort ritje in Rotterdam gereden en daarna zijn [medeverdachte 1] en ‘Demper’ uitgestapt. [medeverdachte 1] is later weer bij hem ingestapt en toen zijn zij naar Tiel gegaan.
De bijnaam van [verdachte] is Demper.
Het hof stelt vast dat, nadat [medeverdachte 3] zich terug had getrokken als schutter, [medeverdachte 1] een andere schutter heeft gevonden: [verdachte] . [medeverdachte 1] is vervolgens met [persoon 1] meegereden naar Rotterdam. In Rotterdam hebben zij [verdachte] opgehaald en naar de omgeving van de [adres 2] en het [adres 5] gebracht. [medeverdachte 2] is met de gestolen Renault Kadjar ook naar de omgeving van de [adres 2] en het [adres 5] gereden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben elkaar daar ontmoet. [medeverdachte 3] heeft de Google Pixel-telefoon en de wapens aan [medeverdachte 2] gegeven. [verdachte] , zoals ook volgt uit de hierna te noemen feiten en omstandigheden, is bij [medeverdachte 2] in de Renault Kadjar gestapt.
[medeverdachte 2] en [verdachte] gaan met de Renault Kadjar naar Amsterdam
Het chatgesprek tussen de beide Google Pixel telefoons gaat door. Het chatgesprek wordt zowel in de Poolse taal als de Nederlandse taal gevoerd. De Poolse berichten met nummer *1212 worden verstuurd door [medeverdachte 2] , zoals hij zelf heeft verklaard. De Nederlandse berichten door [verdachte] , concludeert het hof. In het gesprek worden de volgende berichten verstuurd, waarbij de Poolse berichten zijn vertaald naar het Nederlands.
Berichten in de Poolse taal
16:43 uur
[medeverdachte 1]
Geef hem de telefoon
Laat hem foto’s maken
Van het wapen/de wapens
En dat jullie de snelweg op gereden zijn
16:43 uur
[medeverdachte 2]
In de kofferbak
Ik ga zo direct ergens stoppen
16:44 uur
[medeverdachte 1]
Geef hem de telefoon
16:44 uur
[medeverdachte 1]
Ik zal het aan hem uitleggen
Berichten in de Nederlandse taal
16:44 uur
[medeverdachte 1]
Bro
Pak tel ff
16:44 uur
[verdachte]
Yo
16:44 uur
[medeverdachte 1]
Hij laat je zo zien waar die gaat wachten
Op je en van waar die man komt
16:45 uur
[medeverdachte 1]
Daar moet je hem doen
Maar echt doen bro
16:45 uur
[verdachte]
Ahaha komt goed komt goes
16:45 uur
[medeverdachte 1]
Leeg die ding op hem
16:47 uur
[verdachte]
Komt goed
16:47 uur
[medeverdachte 1]
Je gaat met die glock doen toch
16:47 uur
[verdachte]
Jaman
16:58 uur
[medeverdachte 1]
Afbeelding: foto van Peter R. de Vries
16:59 uur
[medeverdachte 1]
Afbeelding: foto van Peter R. de Vries
Deze hond
Moet je hebben
16:59 uur
[verdachte]
Siii
16:59 uur
[medeverdachte 1]
Aub doe het goed
Geld is er
Je krijg miss extra als je goed doet
16:59 uur
[verdachte]
Geen stress bro
17:00 uur
[medeverdachte 1]
Knal op zijn hoofd
17:00 uur
[verdachte]
Jaman KKK hard
17:00 uur
[medeverdachte 1]
Paar keer
17:00 uur
[verdachte]
Ahahahah
17:07 uur
[verdachte]
die waggie
Gaat later brande toch
17:07 uur
[medeverdachte 1]
Ja
Daar is benziwn
17:12 uur
[medeverdachte 1]
Zeg die pool jullie met 2 beter
17:14 uur
[medeverdachte 1]
Zeg tegen hem jullie mets 2 doen beter
Dan zeker lukken
17:14 uur
[verdachte]
Op hem knalle
17:15 uur
[verdachte]
ik doe hem solo bro
Ik finish dit
17:32 uur
[medeverdachte 1]
Aub verpest niet
17:33 uur
[medeverdachte 1]
Helemaal leeg
17:34 uur
[verdachte]
Broo ik schiet die kk ding helemaal door ze kk lichaam heen die vieze kk Hoer hoofd alles laat hem daar Al's been sletje achter
17:35 uur
[verdachte]
I love this
17:36 uur
[medeverdachte 1]
Zeg tegen die pool hij moet je alles laten zien
17:36 uur
[verdachte]
Afbeelding van een verkeersbord op de A4
17:37 uur
[medeverdachte 1]
Is niet beter als jullie samen doen
17:38 uur
[medeverdachte 1]
Weet je zeker dat je lukt alleen
17:39 uur
[verdachte]
Kan maar die andere is opvallen moete slim zijn
17:40 uur
[verdachte]
Ik Ben snel bro voordat ze door hebbr Ben ik alang weg
17:42 uur
[verdachte]
Ik twijfel niet
17:42 uur
[medeverdachte 1]
Is goed
17:44 uur
[verdachte]
Maakt he niet druk ik klik
die ding leeeeg
Uit de kentekenregistraties van de Renault Kadjar volgt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] vanaf 17:08 uur via de A13, de A4 en vervolgens de A10 van Rotterdam naar Amsterdam rijden. Om 17:43 uur is de eerste registratie in Amsterdam, waarna de Renault Kadjar meerdere registraties heeft in Amsterdam West.
17:47 uur
[medeverdachte 1]
Kan je die ding snel testen
17:48 uur
[verdachte]
we zijn nu Adam
17:49 uur
[verdachte]
Hij is schoon toch
17:49 uur
[medeverdachte 1]
Ja jr moet filmpje makken
Als je test
17:50 uur
[medeverdachte 1]
Laat die pool filmpje maken hoe jullie hem testen
17:50 uur
[verdachte]
Oke we moete ff goeie plek zoeke
17:58 uur
[medeverdachte 1]
Maak filmpje aub
Van
Dat je test die glock
17:58 uur
[verdachte]
Jaman komt goes bro
18:10 uur
[verdachte]
Ik heb op industries gestest
18:11 uur
[verdachte]
Deze diet trrr
Deze is goed
18:12 uur
[verdachte]
Kan me die andere niet vanuitcwaggie broe
Deze moet tege schouder
18:13 uur
[medeverdachte 1]
Kan wel
Hard vast houden
Hij moet filmen
18:14 uur
[medeverdachte 1]
Doe maar uit wagi
18:14 uur
[verdachte]
Al’s we plek hrbbr
Stuur ik je
18:24 uur
[medeverdachte 1]
Doe gwn uit ram
18:24 uur
[verdachte]
Jaman hebbe plek
Moment
18:26 uur
[verdachte]
Deze is niet goed
Gaan nog been x probere
Bro deze hapert
Bullet blijfen vastzitte
Op de Google Pixel telefoon waarmee [medeverdachte 2] en [verdachte] communiceerden, is een video aangetroffen met tijdstempel: 6 juli 2021 om 18:26 uur. Op de video is te zien hoe een persoon een MP5 van het merk Heckler & Koch vasthoudt, de loop uit het autoraam steekt en drie keer de trekker overhaalt. Te zien is dat het wapen niet vuurt. De persoon probeert hierna meermalen om het wapen af te vuren, maar het wapen vuurt niet.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het wapen heeft getest dat het niet bleek te doen.
Het chatgesprek vervolgt:
18:28 uur
[medeverdachte 1]
Ga naar doe plek
Rijden
Gelijk
18:28 uur
[verdachte]
Ja zijn omw
18:28 uur
[medeverdachte 1]
Heb die je laten zien
18:29 uur
[medeverdachte 1]
Waar hij gaat staan
18:30 uur
[verdachte]
We gaan daar nu heen
Gaat die allies uitleggen
18:37 uur
[medeverdachte 1]
Afbeelding: foto van Peter R. de Vries in de live-uitzending van RTL Boulevard
Zeg tegen die pool
Hij is er
Zo zit die uit
18:38 uur
[medeverdachte 1]
Afbeelding: foto van Peter R. de Vries in de live-uitzending van RTL Boulevard
18:38 uur
[verdachte]
Hij zegt kan he pools naar hem schrijven
Berichten in de Poolse taal
18:40 uur
[medeverdachte 1]
Ga en laat het aan hem zien, dat is het beste
En kom terug naar de auro
auto
18:41 uur
[medeverdachte 1]
Bek misschien kunnen jullie hem met z’n tweeën doen
18:44 uur
[medeverdachte 2]
Het is onmogelijk
Want het zal ons niet lukken om te vluchten
Er is geen plek om de auto
te parkeren
18:44 uur
[medeverdachte 1]
Oké
Laat hem zien waar de mac is
18:45 uur
[medeverdachte 2]
Ja ik zal samen met hem [daarheen] lopen
18:45 uur
[medeverdachte 1]
Doe het zo dat het lukt
Laat hem alles zien
Zeg tegen hem dat hij niet bang moet zijn
Berichten in de Nederlandse taal
18:46 uur
[verdachte]
Neeman gap
Zijn niet bang
Zijn blij
18:46 uur
[medeverdachte 1]
Bro als hem zit gelijk doen
Gelijk
18:47 uur
[verdachte]
Ja nneef
Ik ga snel maccie
Op camerabeelden is te zien dat de Renault Kadjar om 18:47 uur de Prinsengracht op rijdt en wordt geparkeerd op een invalideparkeerplaats. [verdachte] en [medeverdachte 2] lopen over de Prinsengracht richting de Leidsestraat. Ze slaan linksaf de Leidsestraat in, lopen vervolgens langs de McDonalds en slaan de Lange Leidsedwarsstraat in. Zij lopen voorbij de achteruitgang van de studio van RTL Boulevard en kijken allebei tijdens het voorbijlopen in de richting van die uitgang. Zij lopen verder over de Lange Leidsedwarsstraat, langs parkeergarage De Hoofdstad en vervolgens via de Spiegelgracht terug naar de Renault Kadjar. Om 18:56 uur stappen [medeverdachte 2] en [verdachte] in de Renault Kadjar.
Drie minuten later stapt [verdachte] uit de auto. Hij doet een schoudertas om en zet tijdens het weglopen een pet op. De Renault Kadjar rijdt weg richting de Spiegelgracht. [verdachte] loopt via de Leidsekruisstraat naar de Lange Leidsedwarsstraat. Vervolgens is te zien dat hij van het midden van de Lange Leidsedwarsstraat naar de rechterzijde van de straat loopt en uit beeld verdwijnt
Berichten in de Poolse taal
19:01 uur
[medeverdachte 2]
Ik ben er geweest om hem te voet daarheen te brengen
Ik heb hem alles laten zien
19:02 uur
[medeverdachte 2]
Hij is daar
Ik wacht op hem
19:02 uur
[medeverdachte 1]
Heb je tegen hem gezegd om hem naast de garage te doen
19:14 uur
[medeverdachte 2]
Het duurt een beetje lang voordat hij komt
19:15 uur
[medeverdachte 2]
Wanneer is het einde
Weet je [dat]
Ik ben rondjes aan het rijden om hem onderweg mee te nemen
19:15 uur
19:16 uur
[medeverdachte 1]
Blijf daar staan
Blijf daar staan
19:16 uur
[medeverdachte 2]
Ik ben er
19:16 uur
[medeverdachte 1]
Blijf wachten
Op camerabeelden is te zien dat de Renault Kadjar tussen 19:01 uur en 19:13 uur rondjes aan het rijden is en langs de kruising tussen de Prinsengracht en de Spiegelgracht rijdt. Vervolgens is te zien dat de auto om 19:16 uur parkeert aan de linkerzijde van de Prinsengracht.
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 6 juli 2021 een rondje heeft gelopen door Amsterdam en dat hij daarbij langs de parkeergarage De Hoofdstad en de McDonalds is gelopen met de persoon die bij hem in de auto zat.
Neerschieten van de De Vries
Om 19:26 uur verlaat De Vries via de achteruitgang de studio van RTL Boulevard. Hij loopt door de Lange Leidsedwarsstraat in de richting van de Spiegelgracht.
Om 19:27 uur rijdt de Renault Kadjar weg vanaf de Prinsengracht in de richting van de Vijzelgracht.
Om 19:28 uur loopt De Vries over de Lange Leidsedwarsstraat. Op de camerabeelden is te zien dat vanaf de rechterzijde van de straat – op de plek waar De Vries net is gepasseerd en ter hoogte van de plek waar [verdachte] eerder uit het beeld was verdwenen – een persoon in het donker gekleed in beeld komt. De donker geklede persoon maakt met zijn rechterarm een beweging waarmee de elleboog omhoog komt. De donker geklede persoon loopt achter De Vries, in dezelfde richting als De Vries.
Op 6 juli 2021 om 19.28 uur is De Vries neergeschoten op de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam.
De donker geklede persoon rent weg in de richting van de Spiegelgracht.
Vlucht van [medeverdachte 2] en [verdachte] en hun aanhouding
Om 19:28 uur rijdt de gestolen Renault Kadjar, vanuit de richting van de Vijzelgracht, over de Prinsengracht in de richting van de Spiegelgracht. Om 19:29 uur rijdt de auto over de Antiquairsbrug en slaat linksaf de Prinsengracht op.
Om 19:29 uur rent de donker geklede persoon uit de richting van de Spiegelgracht de Prinsengracht op.
Het chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] gaat als volgt verder:
Berichten in de Poolse taal
19:30 uur
[medeverdachte 1]
En wat is er
Is [hij] er nog steeds niet
Berichten in de Nederlandse taal
19:30 uur
[verdachte]
Bro ahahahah
19:31 uur
[verdachte]
Dwarfs door die kk hoofs rn lichaam
19:31 uur
[medeverdachte 1]
Echt
19:31 uur
[verdachte]
gelukt
Jaman
19:31 uur
[medeverdachte 1]
Zeker
19:31 uur
[verdachte]
Hij is doood
Kk dood
19:32 uur
[medeverdachte 1]
Weet je zeker
Hij is slaapnw
19:33 uur
[verdachte]
Bro die kogel gicbt dwars door ze hoofs 2 keer
Allies spoot
Kk mooi
die bloed iedereen gille
19:34 uur
[medeverdachte 1]
Weet je zeker
Is gelukt
19:34 uur
[verdachte]
Jaa bro
Hij bewoog niet niks meer
19:34 uur
[medeverdachte 1]
Hoeveel keer
19:35 uur
[verdachte]
4/5/x
hij slaapt maak he niet druk
19:35 uur
[medeverdachte 1]
Weet je zeker
19:36 uur
[verdachte]
Jaa bro Zn ogen lagen open
19:36 uur
[medeverdachte 1]
Heb je hem voor gedaan
Zijn jullie weg
19:37 uur
[verdachte]
Gewoon voor Zn auto
Ja richting snelweg
19:37 uur
19:37 uur
19:37 uur
[medeverdachte 1]
[verdachte]
[medeverdachte 1]
Diw platen weg doen auto in fik
Diw grote me neme
Waar moet die kleine
In water
19:39 uur
[medeverdachte 1]
Kleren ook in fik
19:46 uur
[verdachte]
Stuur die adrrss door naar mij aub
19:46 uur
[medeverdachte 1]
Welke
19:46 uur
[verdachte]
die nummer
Die ik jou vandaag gaf
19:47 uur
[medeverdachte 1]
[telefoonnummer 12]
Kan ze jullie Tiel brengen
19:48 uur
[medeverdachte 1]
Laat haar je Tiel brengen
19:49 uur
[medeverdachte 1]
Same met Die pool
19:50 uur
[medeverdachte 1]
En die platen trekken als je brand wago
Wacht ga naar die adrdsx van die polen
19:51 uur
[medeverdachte 1]
In rotje zeg tegen pool
19:51 uur
[verdachte]
oke
We gaan daar heen
19:52 uur
[medeverdachte 1]
Hij is niet thuis
19:53 uur
[medeverdachte 1]
Waar rijden jullie
19:54 uur
[verdachte]
Bij hoofdorp bihna
Bijna
19:59 uur
20:01 uur
20:04 uur
[verdachte]
[medeverdachte 1]
politir motor achtrt ons
We gaan gevouwt worde
Maak die twl van die pool kapot
En simkart opeten
20:13 uur
[verdachte]
Stopteke
20:14 uur
[verdachte]
Zorg voor me FAM
Beef gun alles
20:14 uur
[medeverdachte 1]
Doe twl uit
Het telefoonnummer [telefoonnummer 12] dat [medeverdachte 1] op verzoek van [verdachte] stuurt, is het telefoonnummer van de vriendin van [verdachte] .
Omstreeks 20:00 uur wordt de Renault Kadjar op de A4 gezien door een motoragent. De motoragent volgt de Renault Kadjar. Meerdere politievoertuigen sluiten hierbij aan. Omstreeks 20:15 uur wordt de Renault Kadjar ‘staande gehouden’. In de auto zitten [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 2] was de bestuurder en [verdachte] de bijrijder. Zij zijn beiden omstreeks 20:17 uur aangehouden.
De handen van zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] onderzocht op schotresten. Uit de conclusie van het NFI-rapport ‘Aanvullend schotrestenonderzoek’ leidt het hof af, mede gelet op de overige feiten en omstandigheden, dat op de handen van beide verdachte schotresten zijn aangetroffen.
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 6 juli 2021 naar Rotterdam is gegaan en vervolgens met één persoon naar Amsterdam is gereden. Ze hebben de wapens getest. Hij heeft deze persoon de witte deur bij de McDonalds (het hof begrijpt: de achteruitgang van RTL Boulevard) en de parkeergarage laten zien. Nadat die persoon uit de auto is gestapt, liep de persoon terug en heeft [medeverdachte 2] op hem gewacht. De man is later weer in gestapt en op de snelweg zijn ze beiden aangehouden.
[medeverdachte 1] heeft ter zitting in eerste aanleg (waarvan het proces-verbaal in de zaken tegen de medeverdachten is gevoegd) verklaard dat hij berichten heeft verstuurd. Het hof begrijpt dat dit de berichten zijn met de Google Pixel telefoon met matrix-id *4299.
Getuige 5089 heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat [verdachte] degene is die geschoten heeft en dat [verdachte] na de moord op De Vries via de speciale telefoon aan [medeverdachte 1] heeft geschreven dat hij voor zijn familie moest zorgen.
In de Renault Kadjar aangetroffen goederen
De Renault Kadjar is door de politie doorzocht. In de auto lag achter de bestuurdersstoel een Louis Vuitton schoudertas. In de tas zat een bankpas op naam van de vriendin van [verdachte] en een Nederlandse identiteitskaart op naam van [verdachte] . In de tas is een getransformeerd gas- en alarmpistool van het merk Zoraki, model 917, dat was voorzien van een valse inscriptie ‘Glock 25’, aangetroffen. In de kamer van het wapen zat één patroon en in het patroonmagazijn zaten 6 patronen.
Achter de bijrijdersstoel is op de vloer een ‘Hoogvliet’ big shopper tas aangetroffen met daarin een patroonmagazijn gevuld met zeven patronen, geschikt voor de Zoraki, een machinepistool van het merk Heckler & Koch, type MP5, en twee patroonmagazijnen met respectievelijk 25 en 21 patronen voor de MP5.
Op de patroonhouder van de Zoraki is een dactyloscopisch spoor aangetroffen dat overeenkomt met de linker duim van [verdachte] . Op de trekker, bij het handvat en van de zijkant en de onderzijde van de patroonhouder zijn DNA-mengprofielen van meerdere donoren verkregen. Het is respectievelijk circa 360 duizend, circa 170 duizend, meer dan 1 miljard en circa 5,8 miljoen keer waarschijnlijker dat – samengevat – dit mengprofiel wordt gezien wanneer [verdachte] één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is.
Op het extra patroonmagazijn geschikt voor de Zoraki, dat in de big shopper tas zat, is een DNA-mengprofiel verkregen. Het is circa 260 miljoen keer waarschijnlijker dat dit mengprofiel wordt gezien wanneer [verdachte] één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is.
Op de plek waar De Vries is neergeschoten zijn vier hulzen aangetroffen. Deze hulzen zijn door het NFI vergeleken met de Zoraki. Op basis van het daarvan opgemaakte rapport concludeert het hof, mede in het licht van de overige feiten en omstandigheden, dat in elk geval drie (AAJP0397NL, AAJP0398NL en AAJP0399NL) van de vier hulzen zijn verschoten met de Zoraki.
Achter het linkeroor van De Vries is een inschotwond en in de rechterwang is een metalen projectiel met een bijbehorend schotkanaal aangetroffen. Deze kogel is door het NFI onderzocht. Op basis van het daarvan opgemaakte rapport concludeert het hof, mede in het licht van de overige feiten en omstandigheden, dat deze kogel is verschoten met de Zoraki.
15 juli 2021 – overlijden De Vries
Op 15 juli 2021 is De Vries aan zijn verwondingen overleden.
Conclusie
Op grond van de voorgaande onderzoeksbevindingen stelt het hof vast dat, nadat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich hadden teruggetrokken als schutters, [medeverdachte 1] [verdachte] op 6 juli 2021 bereid heeft gevonden om De Vries te vermoorden. [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn diezelfde dag in de Renault Kadjar met de Google Pixel telefoon en de op 5 juli 2021 in Alphen aan den Rijn door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] opgehaalde vuurwapens naar Amsterdam gereden met het doel om De Vries dood te schieten. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben de beide vuurwapens in opdracht van [medeverdachte 1] onderweg getest. In Amsterdam heeft [medeverdachte 2] aan [verdachte] laten zien waar De Vries vandaan zou komen en waar hij doodgeschoten moest worden. Ook dit gebeurde in opdracht van [medeverdachte 1] . Het hof stelt verder vast dat [verdachte] De Vries heeft neergeschoten met de in Alphen aan den Rijn opgehaalde Zoraki. [verdachte] heeft hiervan verslag gedaan aan [medeverdachte 1] . Hierna zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] Amsterdam uitgereden en was er contact met [medeverdachte 1] over waar zij naar toe moesten gaan. Zij zijn niet veel later op de snelweg aangehouden.
6.3
Getuige 5089
De verdediging heeft het hof verzocht om de verklaring van getuige 5089 wegens onbetrouwbaarheid uit te sluiten van het bewijs. In dat verband overweegt het hof het volgende.
Het hof heeft de verklaringen van getuige 5089 vergeleken met andere onderzoeksbevindingen. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van getuige 5089, voor zover het hof die gebruikt voor het bewijs, steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van [getuige 1] , [persoon 1] , [medeverdachte 2] en de berichten in de Google Pixel telefoon. Ze vinden ook steun in de bevindingen met betrekking tot het aantreffen van de verdachte in de gestolen Renault Kadjar en de daarin aangetroffen goederen.
6.4
Terroristisch oogmerk
Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] heeft gehandeld met een terroristisch oogmerk, zodat hij van dat bestanddeel in de aan hem tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken. Dat oordeel komt overeen met de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging.
6.5
Medeplegen van moord op De Vries en het voorhanden hebben van vuurwapens (feit 1 en 2)
Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, is het hof van oordeel dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] vóór, tijdens en na het plegen van de moord op De Vries intensief hebben samengewerkt. [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn de uitvoerders van de moord op De Vries. [verdachte] als schutter en [medeverdachte 2] (uiteindelijk) als chauffeur.
Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] zich op 6 juli 2021 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op De Vries en het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens.

7.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 6 juli 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, P.R. de Vries van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen in het hoofd van P.R. de Vries te schieten, ten gevolge waarvan hij op 15 juli 2021 is overleden;
2.
hij op 6 juli 2021 in Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, voorhanden heeft gehad
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd pistool van het merk Zoraki, type 917, kaliber 9mm kort,
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten zeven volmantel rondneuspatronen, kaliber 9mm kort,
- een patroonmagazijn gevuld met munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten zeven patronen, van het merk Maxxtech, kaliber 9mm kort,
- een wapen van categorie II, onder 2, van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk Heckler & Koch, type MP-5K, kaliber 9mm x 19, en
- twee patroonmagazijnen van het merk Heckler & Koch, gevuld met munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten (respectievelijk) 25 en 21 patronen, van het merk Geco, kaliber 9mm x 19.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, die in een bijlage achter dit arrest zijn te vinden.

8.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van moord.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2⸰ en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

9.Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij [verdachte] sprake was van psychische overmacht en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat het op zijn minst genomen aannemelijk is geworden dat [verdachte] heeft gehandeld onder grote druk. Het weigeren van medewerking aan het delict was voor [verdachte] geen reële optie en dit kon redelijkerwijs ook niet van hem worden verwacht, omdat het niet denkbeeldig was dat dit hemzelf of zijn familie het leven zou hebben gekost. De uitvoering laat zien dat [verdachte] onder immense druk heeft gehandeld, omdat alles op het laatste moment werd geregeld en er roekeloos door hem werd gehandeld.
Standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] geen geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt. Het openbaar ministerie vindt dat niet is gebleken dat er enige druk op [verdachte] is uitgeoefend en dat er uit de gesprekken in de Google Pixel telefoon een heel ander beeld naar voren komt, namelijk dat [verdachte] erop gebrand was de moordopdracht uit te voeren.
Oordeel van het hof
Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Onder omstandigheden kan het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend, in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht. Als een beroep op psychische overmacht slaagt, wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Dat betekent dat de strafzaak eindigt en dus ook dat er geen straf wordt opgelegd.
[verdachte] heeft zowel bij de politie als de rechtbank geen verklaring afgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij, na daar herhaaldelijk toe te zijn uitgenodigd, ook niets verklaard. Tijdens zijn laatste woord ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] voor het eerst iets gezegd, namelijk dat ‘hij geen bloeddorstig of moordlustig persoon is en dat het echt niet klopt dat hij het leuk vindt wat er is gebeurd’. [verdachte] heeft verder gezegd dat ‘hij niet kan vertellen wat er is gebeurd en dat hij begrijpt dat het een probleem kan zijn als hij verder niets uitlegt, maar dat hij zijn familie niet verder in gevaar kan brengen’.
Het hof heeft in de dossierstukken geen feiten of omstandigheden aangetroffen waaruit volgt dat er zodanige druk op [verdachte] is uitgeoefend dat hij daartegen redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden. Er is geen duidelijkheid gekomen over de situatie waarin [verdachte] op 6 juli 2021 verkeerde. Als er al sprake geweest zou zijn van druk, dan is niet duidelijk geworden waar de druk uit bestond, de intensiteit van de druk en wat dat voor hem tot gevolg had.
In het dossier bevinden zich zeer ontluisterende berichten van voor de moord die afkomstig zijn van [verdachte] , waarin het niet lijkt alsof hij tegen de opdracht opziet. Zo schrijft [verdachte] over het slachtoffer dat hij ‘hem solo doet’, dat hij ‘die kk ding helemaal door ze kk lichaam heen schiet’, dat hij ‘het slachtoffer als een sletje zal achterlaten’ en schrijft hij ook ‘i love this’. Ook van na de moord bevinden zich heftige berichten in het dossier, waarin [verdachte] schrijft dat het ‘gelukt’ is en ‘bro die kogel diebt dwars door ze hoofs 2 keer allies spoot kk mooi’. De verdediging heeft aangevoerd dat de toon van de chats en het taalgebruik niets hoeft te zeggen over de bedoelingen of gevoelens van [verdachte] . De verdachte heeft echter zelf niet uitgelegd hoe de berichten dan wel moeten worden begrepen.
Nu de verdachte geen verklaring heeft af willen leggen en in het dossier geen aanknopingspunten zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er druk op [verdachte] is uitgeoefend, is de feitelijke grondslag van het beroep op psychische overmacht onvoldoende aannemelijk geworden. [verdachte] komt dus geen geslaagd beroep op psychische overmacht toe. Ook daarnaast zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten, zodat hij strafbaar is.

10.Benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich bij de rechtbank in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 64.394,52. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de oorspronkelijke vordering verminderd met € 5.000,00, door de post ‘toekomstige medische kosten/eigen risico’ niet langer te handhaven. De vordering tot schadevergoeding bedraagt in hoger beroep in totaal € 59.394,52 en bestaat uit de volgende posten:
-
immateriële schade (totaal)€ 57.500,00
a) affectieschade € 17.500,00
b) schokschade € 40.000,00
-
materiële schade (totaal)€ 1.894,52
a) kosten veiligheidsmaatregelen € 358,00
b) reiskosten € 814,11
c) eigen risico in verband met GGZ € 722,41
De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen. De affectieschade is toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 en de schokschade tot een bedrag van € 20.000,00. De kostenpost ‘eigen risico in verband met GGZ’ van € 722,41 is volledig toegewezen als materiële schokschade. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 58.222,41. De posten ‘kosten veiligheidsmaatregelen’ en ‘reiskosten’ komen niet voor toewijzing in aanmerking, maar de overige posten kunnen volgens de advocaat-generaal geheel worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet behoort tot de kring van personen die recht heeft op affectieschade. De vordering kan daarom niet kan worden toegewezen. De verdediging heeft subsidiair verzocht het gevorderde bedrag aan shockschade fors te matigen.
Oordeel van het hof
Affectieschade
Artikel 51f lid 2 Sv bepaalt dat indien een benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit is overleden, de personen bedoeld in artikel 6:108 lid 1 tot en met 4 van het Burgerlijkwetboek (BW) zich kunnen voegen voor de in dat artikel genoemde vorderingen tot schadevergoeding.
Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt in lid 3 en 4 een recht voor vergoeding van immateriële schade die ‘naasten’ van het slachtoffer lijden in de vorm van affectieschade als gevolg van het overlijden van het slachtoffer. De wet noemt een beperkte kring van personen die voor affectieschade in aanmerking kunnen komen. De naasten die worden genoemd in artikel 6:108, vierde lid, onder a tot en met f, van het BW, kunnen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade. Zij hebben daar recht op zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van wettelijk bepaalde standaardbedragen. Als iemand niet onder de in artikel 6:108, vierde lid, sub a tot en met f, van BW genoemde naasten valt, kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, sub g, van het BW. In dat geval zal de benadeelde partij moeten stellen en onderbouwen dat sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij toch voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komt.
Om op grond van deze (in wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide) bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij relevante factoren zijn: de intensiteit, aard en duur van de relatie.
Ten aanzien van [verdachte] is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op De Vries. Daarmee staat vast dat De Vries is overleden ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor [verdachte] aansprakelijk is.
Door de benadeelde partij is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Zij heeft ter onderbouwing van haar stellingen de volgende stukken overgelegd:
  • enkele hoofdstukken uit het boek dat zij en De Vries aan het schrijven waren,
  • een e-mailbericht met daarin een verklaring van een vriend over de innige relatie tussen de benadeelde partij en De Vries,
  • een WhatsApp bericht aan een vriend waarin staat dat zij door De Vries ten huwelijk is gevraagd,
  • een WhatsApp bericht over het bezichtigen van een woning,
  • een condoleancekaartje van een makelaar en
  • een WhatsApp-gesprek van De Vries aan een vriend waarin hij schrijft hoe veel hij van haar houdt.
Het hof constateert dat de stellingen van de benadeelde partij met stukken zijn onderbouwd. De relatie begon in 2015. De benadeelde partij en De Vries hadden gezamenlijke plannen voor de toekomst. Zij wilden een boek schrijven, met elkaar reizen maken, trouwen en samenwonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist. Het hof is van oordeel dat daarmee voldoende is vast komen te staan dat sprake was van een sterke, langdurige en hechte affectieve relatie. De verdediging heeft enkel aangevoerd dat de benadeelde partij niet tot de kring van personen behoort die recht op een vergoeding heeft, maar heeft dit standpunt niet onderbouwd. De verdediging verwondert zich weliswaar over de reactie van de benadeelde partij, te weten ‘WTF’ in een appje aan een derde waarin zij schrijft dat De Vries haar ten huwelijk heeft gevraagd, maar betwist niet dat zij door De Vries ten huwelijk is gevraagd en dat ze van plan waren om te gaan trouwen. De verdediging wijst er ook op dat uit app-contacten tussen de benadeelde partij en De Vries over de bezichtiging van een huis is op te maken dat De Vries het huis zou kopen, maar betwist niet dat de benadeelde partij en De Vries van plan waren om samen te gaan wonen. Het hof is dan ook van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade.
In het Besluit vergoeding affectieschade wordt deze schade – in het geval van de benadeelde partij – vastgesteld op een bedrag van € 17.500,00. Dit bedrag zal door het hof dan ook worden toegewezen als affectieschade.
Schokschade
Artikel 51 f lid 1 Sv bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding in het strafproces kan voegen als benadeelde partij.
Er bestaat ruimte voor vergoeding van schade als iemand een ander door zijn onrechtmatige daad doodt (het primaire slachtoffer), en hij daarmee ook onrechtmatig handelt ten aanzien van degene bij wie de confrontatie met de daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt (het secundaire slachtoffer).
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens het secundaire slachtoffer zijn onder meer:
  • de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
  • de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen is geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre dit onverhoeds was;
  • de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer.
Deze gezichtspunten moeten in hun onderlinge samenhang worden beschouwd, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt.
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit het veroorzaakte geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
Een vordering tot vergoeding van schokschade is niet uitsluitend toewijsbaar als precies kan worden vastgesteld welk deel van het geestelijk letsel kan worden aangemerkt als schokschade en welk deel als affectieschade. De rechter moet bij samenloop van deze vormen van schade aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van schokschade rekening wordt gehouden met affectieschade.
Door de benadeelde partij is gesteld dat sprake is geweest van een directe en onverhoedse confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde, hetgeen een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, als gevolg waarvan zij posttraumatische stressklachten heeft ontwikkeld. Ter bevestiging hiervan heeft de benadeelde partij twee brieven van haar zorgverleners overgelegd.
De benadeelde partij heeft daarbij benadrukt dat affectieschade en schokschade twee zelfstandige schadevormen zijn, die wezenlijk van elkaar verschillen. Deze schadevormen moeten beiden zelfstandig worden gewaardeerd, zonder verrekening of beperking.
Het hof is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende is onderbouwd. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.
De Vries is rond 19:30 uur in het centrum van Amsterdam neergeschoten. De benadeelde partij is diezelfde avond in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. Zij was tot het overlijden dagelijks bij hem in het ziekenhuis en leefde negen dagen lang tussen hoop en vrees, terwijl zij haar partner voor zijn leven zag vechten. De benadeelde partij heeft in het ziekenhuis afscheid moeten nemen en was aanwezig toen haar partner overleed. Ook na het overlijden is de benadeelde partij vaak geconfronteerd met de moord. Er was en is veel media-aandacht en er circuleren beelden op internet van haar neergeschoten partner liggend op straat.
Uit de brieven van de zorgverleners volgt dat bij de benadeelde partij angstklachten zijn ontstaan na de moord op haar partner. De praktijkondersteuner vermoedt dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis en heeft de benadeelde partij doorverwezen naar een gespecialiseerde praktijk. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner.
Uit het voorgaande volgt genoegzaam dat de confrontatie met het bewezenverklaarde feit bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de benadeelde partij hierdoor schokschade heeft geleden.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schokschade houdt het hof er rekening mee dat er ook sprake is van affectieschade: pijn om het verlies van een dierbare. Deze schade is immens en niet of nauwelijks in geld uit te drukken. Daarvoor krijgt de benadeelde partij een bedrag van € 17.500,00 toegekend. Gelet hierop en kijkend naar de vergoeding die in andere zaken wordt toegekend, acht het hof voor (immateriële) schokschade een bedrag van € 20.000,00 redelijk en billijk. Het standpunt van de benadeelde partij dat bij het bepalen van de hoogte van de schokschade geen rekening mag worden gehouden met affectieschade is niet juist, zoals hiervoor al is toegelicht.
Ook het gevorderde bedrag voor de kosten die zien op het eigen risico in verband met GGZ-behandelingen zal worden toegewezen. Deze kosten zijn het gevolg van de confrontatie met het bewezenverklaarde waardoor bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeg is gebracht, hetgeen tot geestelijk letsel heeft geleid. Deze kosten worden aangemerkt als materiële schokschade.
Overige materiële schade
De benadeelde partij heeft kosten gevorderd voor veiligheidsmaatregelen en reiskosten. Het hof zal de benadeelde partij met betrekking tot deze kosten niet-ontvankelijk verklaren. Het betreft hier geen schokschade en ook geen schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het strafbare feit, zodat artikel 51f lid 1 Sv niet van toepassing. Ook artikel 51f lid 2 Sv biedt geen grondslag voor voeging in het strafproces. Deze schade valt immers niet onder de in artikel 6:108 BW gelimiteerde vorderingen.
Conclusie, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke betalingsverplichting
De vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 38.222,41 toekomt, waarvan € 37.500,00 aan immateriële schade en € 722,41 aan materiële schade. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed. De betalingsverplichting zal hoofdelijk worden opgelegd. Dit betekent dat alle (hiertoe veroordeelde) medeverdachten aansprakelijk zijn voor het gehele bedrag van de schadevergoeding. Als en voor zover de medeverdachten de benadeelde partij betalen betekent dit dat [verdachte] in zoverre ten aanzien van de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.

11.Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het medeplegen van moord op De Vries en het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaar.
Eis van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 EVRM en dat oplegging van een dergelijke straf niet past bij een enkelvoudige moord. Ook de omstandigheden van deze zaak of de persoon van de verdachte maken niet dat een enorme afwijking van het uitgangspunt van (ongeveer) 20 jaar gevangenisstraf voor een enkelvoudige moord, gerechtvaardigd is. Ook de persoon van het slachtoffer mag bij de strafoplegging geen rol spelen, in die zin dat een moord op een bekende Nederlander niet zwaarder zou moeten worden bestraft dan de moord op iemand die bij het grote publiek onbekende is. Voorts wijst de verdediging er op dat [verdachte] ten tijde van de moord op De Vries pas 21 jaar oud was, dat bij hem op 17-jarige leeftijd sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en beperkte capaciteiten, dat hij pas kort voor de moord is benaderd en er grote druk op hem is uitgeoefend. Mede gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, moet aanzienlijk lager worden gestraft dan de maximale tijdelijke gevangenisstraf (30 jaar).
Oordeel van het hof
Het hof heeft de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Op 6 juli 2021 is rond half 8 ’s avonds Peter R. de Vries neergeschoten. Negen dagen later, op 15 juli 2021 is De Vries, op 64-jarige leeftijd, aan de gevolgen van de schotverwondingen overleden. Dat heeft zeer veel media-aandacht gekregen, omdat De Vries als misdaadverslaggever nationaal en internationaal bekend was. Daarnaast was hij vanaf medio 2020 adviseur en vertrouwenspersoon van de kroongetuige in het Marengo-proces.
Het hof stelt op basis van de dossierstukken vast dat De Vries vanwege deze rol als adviseur en vertrouwenspersoon van de kroongetuige is vermoord. Dat is wat de getuige 5089 letterlijk van [medeverdachte 1] te horen heeft gekregen. Van enige aanwijzing dat De Vries om een andere reden is vermoord, is niet gebleken. Het betreft dus een moord vanwege de rol die De Vries op zich had genomen. Een rol die in het criminele milieu waarin de kroongetuige zich ooit begaf, en waartegen hij getuigde, kennelijk niet wordt getolereerd. De Vries was niet het enige slachtoffer van de wraakzucht van één of meer criminelen. Eerder werden al de broer van de kroongetuige en de advocaat van de kroongetuige vermoord. In de strafzaken die daar het gevolg van waren oordeelde het gerechtshof dat het motief voor de moorden niet kon worden vastgesteld. In deze zaak ligt dat anders. De getuige 5089 heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat zijn opdrachtgever eerder de broer en advocaat van de kroongetuige heeft – naar het hof begrijpt – laten doodschieten.
Elke moord is ernstig. Elke moord levert een onvoorstelbaar verdriet op voor de nabestaanden. Maar iedere moord kent andere omstandigheden en juist die omstandigheden maken dat deze zaak zo bijzonder ernstig is. Het gaat dan niet om het feit dat het slachtoffer een bekende Nederlander was of dat er veel media aandacht was en nog steeds is, maar het gaat om wat zware criminelen kennelijk als signaal hebben willen afgeven. Dat het afleggen van een verklaring als (kroon)getuige niet wordt getolereerd en dat iedereen die een (kroon)getuige bijstand verleent het risico loopt om vermoord te worden. Dat maakt dat deze moord niet zomaar kan worden vergeleken met andere moorden. Hier dringt het onderwereldgeweld zich in zijn rauwste vorm op in de samenleving. Juist dit aspect vormt voor het hof de belangrijkste reden om af te wijken van, als daar al van kan worden gesproken, het uitgangspunt van (ongeveer) 20 jaar gevangenisstraf voor een enkelvoudige moord.
Het hof acht bewezen dat [verdachte] zich samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de moord op De Vries. Deze moord was grondig voorbereid. Er zijn voorverkenningen uitgevoerd en er is gebruik gemaakt van een gestolen auto met valse kentekenplaten en apart voor de moord gebruikte speciale telefoons. [verdachte] was de schutter. Hij heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. [verdachte] heeft niets verklaard over zijn drijfveren om dit te doen, maar het hof gaat ervan uit dat sprake is van een huurmoord en dat hij primair werd gedreven door geld.
[verdachte] heeft met zijn handelen blijk gegeven van een ongekende meedogenloosheid en gewetenloosheid en heeft laten zien niets te geven om een mensenleven.
Dit totale gebrek aan respect voor het leven blijkt ook uit het berichtenverkeer tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Opmerkingen als ‘deze hond moet je hebben’ en ‘ik schiet die kk ding helemaal door ze kk lichaam heen, die vieze kk hoer, (...) laat hem daar als een sletje achter’ zijn niet alleen illustratief, maar ook ontluisterend. Dat deze berichten niet de werkelijke gevoelens van de verdachten zouden weergeven, blijkt nergens uit. [verdachte] heeft daarover in elk geval niets gezegd.
[verdachte] en zijn mededaders hebben De Vries het leven afgenomen. Ook hebben zij onherstelbaar en onbeschrijflijk leed en verdriet toegebracht aan zijn nabestaanden, familie en vrienden. Uit de slachtofferverklaringen van Kelly en Royce de Vries, hun moeder, mevrouw De Vries-Schuitemaker, en van [benadeelde partij] blijkt indringend welk verdriet het plotselinge en gewelddadige verlies heeft veroorzaakt bij de nabestaanden.
Daar komt bij dat deze moord overdag, midden in het altijd drukke centrum van Amsterdam is gepleegd met als gevolg dat meerdere omstanders hiervan getuige waren. Dit moet zeer beangstigend voor hen zijn geweest.
Er zijn tot slot geen persoonlijke omstandigheden bekend geworden waarmee in het voordeel van de verdachte rekening kan worden gehouden bij de strafoplegging.
De strafoplegging moet, naast in het bijzonder vergelding voor de afschuwelijke moord, als doel hebben dat er een afschrikkende werking van uitgaat om anderen ervan te weerhouden over te gaan tot het plegen van dit soort feiten. Het moet ook duidelijk zijn dat de moord op een persoon vanwege zijn betrokkenheid bij een strafproces, zeer zwaar zal worden bestraft. Deze strafdoelen rechtvaardigen naar het oordeel van het hof echter niet de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan de verdachte. Een levenslange gevangenisstraf is, behalve in de bijzondere situatie dat gratie wordt verleend, ook echt levenslang. Het zal in beginsel betekenen dat een verdachte tot aan zijn overlijden achter de tralies zal zitten. Daarom dient uiterst behoedzaam te worden omgegaan met het opleggen van deze straf die naar het oordeel van het hof moet worden gereserveerd voor die verdachten die in beginsel nooit meer mogen terugkeren in de samenleving. Dat is in het geval van [verdachte] een brug te ver. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de vergelding en de afschrikwekkende werking eveneens kan worden bereikt met een zeer langdurige tijdelijke gevangenisstraf.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof een gevangenisstraf van 28 jaar passend en geboden acht.
Het hof is nagegaan of de procedure bij de rechtbank en de procedure in hoger beroep bij het hof heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. De verdachte bevond zich in voorlopige hechtenis. In dat geval geldt normaal als uitgangspunt dat de strafzaak moet zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is gestart, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zijn dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig. Van belang is dat het gaat om een omvangrijk onderzoek waarin uiteindelijk negen verdachten gelijktijdig zijn gedagvaard. De rechter-commissaris heeft op verzoek van de verdediging getuigen gehoord, tijdens het onderzoek ter terechtzitting hebben meerdere onderzoekshandelingen moeten plaatsvinden, hebben alle procesdeelnemers tijd nodig gehad om kennis te nemen van de dossierstukken, is de planning van de terechtzitting afhankelijk van meerdere agenda’s en hebben de rechtbank en het hof langere tijd nodig voor beraadslaging en het gereedmaken van einduitspraken die moeten voldoen aan juridische eisen uit de wet en jurisprudentie. Het hof is van oordeel dat onder al deze omstandigheden een termijn redelijk is van twee jaren per gerechtelijke instantie.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 7 juli 2021 omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Op 12 juni 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de duur van de overschrijding overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg ongeveer 11 maanden bedraagt. Vanwege deze termijnoverschrijding wordt de op te leggen straf verminderd met 6 maanden. In hoger beroep is er geen overschrijding van de redelijke termijn.
Aan de verdachte zal dus een gevangenisstraf worden opgelegd van 27 jaar en 6 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

12.Beslag

Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:
  • 1 STK Kaart (identiteitskaart) (PL 1300-2021138785-G6076499)
  • 1 STK Pas (ING bankpas [persoon 4] ) (PL 1300-2021138785-G6076500)
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft verzocht de identiteitskaart terug te geven aan [verdachte] en de bankpas te bewaren ten behoeve van de rechthebbende.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de identiteitskaart terug te geven aan [verdachte] en de bankpas terug te geven aan [persoon 4] (de vriendin van [verdachte] ), die de rechthebbende van de bankpas is.
Oordeel van het hof
Het hof zal de identiteitskaart van [verdachte] aan hem teruggeven. De identiteitskaart is van [verdachte] en niet is gebleken dat de identiteitskaart in relatie staat tot de bewezenverklaarde strafbaar feiten.
Het hof zal de bankpas die op naam staan van [persoon 4] staat teruggeven aan [persoon 4] . Zij is de rechthebbende en niet is gebleken dat de bankpas in relatie staat tot de bewezenverklaarde strafbaar feiten.

13.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

14.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
27 (zevenentwintig) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan [persoon 4] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Pas (ING bankpas [persoon 4] ) (PL 1300-2021138785-G6076500).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Kaart (identiteitskaart) (PL 1300-2021138785-G6076499).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 38.222,41 (achtendertigduizend tweehonderdtweeëntwintig euro en eenenveertig cent)bestaande uit
€ 722,41 (zevenhonderdtweeëntwintig euro en eenenveertig cent)materiële schade en
€ 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro)immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 38.222,41 (achtendertigduizend tweehonderdtweeëntwintig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 722,41 (zevenhonderdtweeëntwintig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 226 (tweehonderdzesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 januari 2023
en van de immateriële schade op 6 juli 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. R.P. den Otter en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 december 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711