ECLI:NL:GHAMS:2025:3306

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
23-002651-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep wegens termijnoverschrijding

Op 2 december 2025 vond een openbare terechtzitting plaats bij het Gerechtshof Amsterdam, waar de zaak van een verdachte werd behandeld. De verdachte, geboren in 1997, was niet verschenen, noch was zijn raadsman, mr. S. van der Eijk, aanwezig. De raadsheer, mr. S.M. Milani, constateerde dat de oproeping rechtsgeldig was betekend en verleende verstek tegen de niet verschenen verdachte. De zaak stond op de rolzitting gepland om de formaliteiten van het hoger beroep te controleren. De raadsheer merkte op dat de tijdigheid van het hoger beroep aan de orde was, aangezien de verdachte in eerste aanleg op 19 juli 2024 was gedagvaard en op 17 juni 2024 bij verstek was veroordeeld. De verdachte had binnen 14 dagen na de veroordeling hoger beroep moeten instellen, maar had dit pas op 14 november 2024 gedaan. De advocaat-generaal vorderde dat de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep, omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn was ingesteld. De raadsheer verklaarde het onderzoek gesloten en sprak terstond mondeling arrest uit. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die de termijnoverschrijding verontschuldigden.

Uitspraak

proces-verbaal terechtzitting
GERECHTSHOF AMSTERDAM
datum arrest 2 december 2025
parketnummer 23-002651-24
datum vonnis eerste aanleg 19 juli 2024
parketnummer 96-094147-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige kamer, op 2 december 2025.
Tegenwoordig:
mr. S.M. Milani raadsheer,
en D. Chemlali griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr C. de Ceuninck van Capelle, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, opgeroepen als:
[verdachte]
geboren [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]
[adres]
,
is niet verschenen.
De raadsman van de verdachte mr. S. van der Eijk, advocaat te Delft, is evenmin verschenen.
De raadsheer deelt mede dat de oproeping op rechtsgeldige wijze is betekend.
De raadsheer verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De raadsheer merkt op dat de zaak op de rolzitting staat gepland. Bij de dagvaarding voor de rolzitting is aan de raadsman een brief verzonden waarin de bedoeling van de rolzitting duidelijk staat uitgelegd en dat de zitting in eerste instantie bedoeld is om de formaliteiten van het hoger beroep te controleren. Tevens staat in de brief dat, gezien de aard van de zitting, het in beginsel niet noodzakelijk is dat de raadsman aanwezig is
indien aan de formele vereisten is voldaan.
De raadsheer bespreekt de tijdigheid van het hoger beroep gelet op de akte betekening van de inleidende dagvaarding. Voorts deelt de raadsheer mede dat het hof kennis heeft genomen van de stukken in het dossier, met name de ID-staat van 12 augustus 2023 waarop een afbeelding van het paspoort van de verdachte is weergegeven (digitale pagina 19). Op het paspoort staat de handtekening van de verdachte. Die handtekening vertoont veel gelijkenis met de handtekening onder de in persoon uitreiking van uitreikingsakte van de inleidende dagvaarding.
De advocaat-generaal voert het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 19 juli 2024 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam . De dagvaarding is de verdachte op 13 juni 2024 in persoon betekend.
De verdachte is op 17 juni 2024 bij verstek veroordeeld.
Gelet op het bepaalde in artikel 408 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering, had de verdachte binnen 14 dagen na 19 juli 2024 hoger beroep moeten instellen. De termijn voor het instellen voor het hoger beroep eindigde aldus op 2 augustus 2024. Volgens de ‘akte instellen hoger beroep’ in het dossier, heeft de verdachte op 14 november 2024, hoger beroep ingesteld op de griffie van de rechtbank.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en niet van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden is gebleken die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.