Uitspraak
2 december 2025.
Gerechtshof Amsterdam
Op 2 december 2025 vond er een openbare terechtzitting plaats bij het Gerechtshof Amsterdam, waar de zaak van de verdachte werd behandeld. De verdachte, geboren in 1992, was niet verschenen op de zitting. De raadsheer, mr. S.M. Milani, stelde vast dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze was betekend en dat de raadsman van de verdachte, via een e-mailbericht op 1 december 2025, had aangegeven dat hij geen contact had gehad met de verdachte. De raadsman gaf aan dat, mocht de verdachte verschijnen, het hoger beroep zich zou richten op de strafmaat, maar dat hij zich niet gemachtigd achtte om het woord te voeren in andere gevallen. Aangezien de verdachte niet aanwezig was, beschouwde het hof de raadsman niet als gemachtigd om grieven door te geven. Hierdoor waren er geen grieven tegen het vonnis waarvan beroep bekend.
De advocaat-generaal vorderde dat de verdachte niet-ontvankelijk zou worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. De raadsheer verklaarde het onderzoek gesloten en gaf aan terstond mondeling arrest te zullen wijzen. In het mondelinge arrest werd vastgesteld dat er door of namens de verdachte geen schriftuur met grieven was ingediend en dat er ook geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis waren opgegeven. Het hof concludeerde dat er geen rechtens te respecteren belang was dat een onderzoek van de zaak rechtvaardigde. Daarom werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, op basis van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De beslissing van het hof was dat de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep, en dit werd vastgelegd in een proces-verbaal dat door de raadsheer en de griffier was ondertekend.