ECLI:NL:GHAMS:2025:3284

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
23-001595-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met aanpassing van straffen en maatregelen in hoger beroep

Op 8 december 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De verdachte, geboren in 1977, had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van 16 mei 2023. Het hof bevestigde het vonnis, behalve ten aanzien van de opgelegde straffen en maatregelen. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een vrijheidsbeperkende maatregel. De advocaat-generaal had een zwaardere straf gevorderd, maar het hof oordeelde dat de opgelegde straffen passend waren, gezien de ernst van de feiten en de impact op het slachtoffer. De verdachte had herhaaldelijk contact gezocht met zijn ex-vriendin, wat leidde tot ernstige inbreuken op haar persoonlijke leven en veiligheid. Het hof legde een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand op, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast werd een contactverbod opgelegd voor de duur van 2 jaren. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd gedeeltelijk toegewezen, met een totaalbedrag van € 2.307,14, bestaande uit materiële en immateriële schade. Het hof verklaarde de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering, die zij bij de burgerlijke rechter kan indienen. Het arrest werd uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier, en mr. A.H. Tiemens was buiten staat om te ondertekenen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001595-23
datum uitspraak: 8 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 mei 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-061058-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1977,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen en de beslissing op de vordering benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Daarnaast is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende een gebiedsverbod en contactverbod, die dadelijk uitvoerbaar is verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met als bijzondere voorwaarde een contactverbod. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het contactverbod ook aan de verdachte in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. De advocaat-generaal ziet af van de vordering van een gebiedsverbod nu het slachtoffer heeft aangegeven dat zij is verhuisd en zij haar nieuwe adres niet kenbaar wenst te maken.
De verdediging heeft verzocht bij de oplegging van de straf rekening te houden met de feiten en omstandigheden waaronder de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan: tijdens het beëindigen van een relatie waarbij het moeilijk is na te gaan hoe een en ander is verlopen. Ook heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het nadeel dat hij reeds heeft ondervonden en nog zal ondervinden van een onherroepelijke veroordeling. De verdediging heeft hierbij gewezen op de gedragsaanwijzing voor de duur van 90 dagen, de vrijheidsbeperkende maatregel die liep tot mei 2025 en het zakelijk nadeel dat de verdachte heeft ondervonden. De verdediging verzoekt gelet op dit alles aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat de verdachte veelvuldig op verschillende manieren gedurende ruim vijf weken op indringende wijze contact heeft gezocht met de aangeefster, zijn ex-vriendin. De verdachte heeft door op die manier te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke leven, haar daardoor persoonlijk leed bezorgd en haar gevoel voor veiligheid ernstig aangetast. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaring volgt dat de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn geweest en dat zij tot op de dag van vandaag in angst leeft voor de verdachte. Het hof rekent dit de verdachte aan. Het hof heeft geen oriëntatiepunten voor een zaak als deze. Daarom is gekeken wat voor straf(fen) in vergelijkbare zaken wordt of worden opgelegd. Het hof acht de mate van inbreuk te ernstig om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van één maand een passende reactie is op het bewezenverklaarde. Het hof zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Verder is het hof van oordeel dat een taakstraf van 100 uren moet worden opgelegd met aftrek van voorarrest, te vervangen door 50 dagen hechtenis indien die taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.
Het hof acht het met de advocaat-generaal van belang dat de verdachte een contactverbod wordt opgelegd, maar is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat deze niet tevens in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel dient te worden opgelegd, maar enkel als bijzondere voorwaarde. Dit contactverbod houdt in dat veroordeelde gedurende twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] 1993 te [geboorteplaats 2] . De bescherming van het slachtoffer wordt hiermee voldoende gewaarborgd, nu het hof van oordeel is dat uit de feiten en omstandigheden niet is gebleken dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte zich in de toekomst belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken dat de verdachte zich eerder aan deze voorwaarden heeft gehouden en dat aan de verdachte reeds twee jaar een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd is geweest. Het proces-verbaal van 17 november 2025, waarin de aangeefster melding maakt van het vermoeden dat de verdachte opnieuw contact heeft gezocht met haar via Instagram en WhatsApp, leidt niet tot een ander oordeel. De verdachte heeft enige betrokkenheid ontkend. Door de advocaat-generaal is ter terechtzitting naar voren gebracht dat niet is vast komen te staan dat het bij de meldingen van de aangeefster gaat om situaties waarin de verdachte contact heeft gezocht met aangeefster.
Beslag
Het hof is van oordeel dat de in beslag genomen GSM aan de verdachte moet worden teruggegeven.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 6.523,56. De vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 4.323,56 voor geleden materiële schade en een bedrag van € 2.200,- immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.357,14, bestaande uit € 107,14 materiële schade en € 1.250,- immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Materiële schade
Het hof is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van €107,14 (mechanisch slot voordeur) rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Deze post is niet betwist door de verdediging en komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Het hof zal daarbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Gezien de gemotiveerde betwisting en de summiere onderbouwing van de overige materiële schadeposten, kan het hof op grond van het bestaande dossier inhoudelijk niet oordelen over de gevorderde schade. Onderzoek naar de gegrondheid van de schadeposten en het vereiste rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde vergt nader debat, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan dit deel van de vordering voorleggen aan de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
Gelet op de bij de vordering overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting, heeft de belaging een grote impact op het leven van de benadeelde gehad. Zij voelde zich gedurende de periode van belaging nergens meer veilig en ondervond aanhoudende psychische klachten. Uit de stukken blijkt dat bij de benadeelde sprake is van een chronisch stress syndroom en een PTSS indicatie. De benadeelde heeft naar aanleiding van de belaging een traumabehandeling gevolgd bij de GGZ. Blijkens de ter terechtzitting gegeven toelichting op de vordering is het veiligheidsgevoel van de benadeelde in de omgeving van haar woning zodanig aangetast dat zij heeft moeten verhuizen en ervaart zij tot op de dag van vandaag fysieke klachten veroorzaakt door stress.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 2.200,00. Het hof wijst de vordering dan ook geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Het hof zal daarbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen en de beslissing op de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] 1993 te [geboorteplaats 3] .
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
GSM, de Sony Xperia (goednummer 1461896).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.307,14 (tweeduizend driehonderdzeven euro en veertien cent) bestaande uit € 107,14 (honderdzeven euro en veertien cent) aan materiële schade en € 2.200,00 (tweeduizend tweehonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.307,14 (tweeduizend driehonderdzeven euro en veertien cent) bestaande uit € 107,14 (honderdzeven euro en veertien cent) materiële schade en € 2.200,00 (tweeduizend tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
8 januari 2023
en van de immateriële schade op
15 februari 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. A.H. Tiemens in tegenwoordigheid van
mr. R. Ras, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 december 2025. Mr. A.H. Tiemens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.