ECLI:NL:GHAMS:2025:3283

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
23-001452-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis zware mishandeling door aanrijding met auto en schadevergoeding

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing over de schadevordering van de benadeelde partij. De verdachte werd veroordeeld voor zware mishandeling door met hoge snelheid op het slachtoffer in te rijden, het verlaten van de plaats van het ongeval en vernieling van een geparkeerde auto.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en een rijontzegging van 1 jaar. Het hof wijzigde dit in een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 119 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 216 uren en een rijontzegging van 2 jaar, mede vanwege het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn.

De benadeelde partij vorderde € 21.200,- schadevergoeding, waarvan het hof € 20.200,- toewijst, bestaande uit € 200,- materiële schade en € 20.000,- immateriële schade. Het hof baseerde de immateriële schade op het ernstige letsel en gebruikte de Rotterdamse Schaal voor de hoogtebepaling. Het eigen schuld-verweer van de verdachte werd verworpen wegens ontbreken van causaal verband.

Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op om de betaling te bevorderen. De uitspraak benadrukt de ernst van het feit, de maatschappelijke onveiligheid en de verantwoordelijkheid van verkeersdeelnemers.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf (119 voorwaardelijk), 216 uur taakstraf, 2 jaar rijontzegging en moet € 20.200,- schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001452-23
datum uitspraak: 9 december 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-317390-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij en het slachtoffer naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof een aanvullende bewijsoverweging opneemt ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde.

Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

In aanvulling op de bewijsoverweging van de rechtbank ter zake feit 1 subsidiair, overweegt het hof het volgende.
In aanvulling op haar eerste verklaring heeft getuige [getuige] bij de rechter-commissaris verklaard dat zij zag dat de grotere auto (
het hof begrijpt: de auto waar de verdachte in reed), die eerst op de juiste weghelft stond en voldoende ruimte had om weg te rijden, omkeerde en met hoge snelheid op de jongens inreed, waarbij een van hen werd geraakt.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voorn de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 119 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren. Alle omstandigheden, daaronder begrepen de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, het aangaan van mediation door de verdachte en de getroffen betalingsregeling voor een deel van de schade, zijn meegewogen in deze eis.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht, in geval van bewezenverklaring, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het tijdsverloop sinds de feiten en de schending van de redelijke termijn. Daarnaast heeft zij verzocht om het positieve resultaat van de mediation mee te wegen, waarbij de verdachte zijn excuses heeft aangeboden en bereidheid heeft getoond om de schade te vergoeden. Tot slot heeft de raadsvrouw het hof verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de aangever de eerste agressor was en de confrontatie heeft opgezocht. Gezien deze omstandigheden heeft de raadsvrouw verzocht om een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door met hoge snelheid op het slachtoffer in te rijden. Daarbij raakte de verdachte ook een geparkeerde auto, waardoor schade ontstond, en verliet hij vervolgens de plaats van het ongeval. Door het handelen van de verdachte liep het slachtoffer ernstig letsel op, waarvan de gevolgen, zoals beperkte mobiliteit en het uitblijven van volledig herstel, na geruime tijd nog steeds voortduren. Deze gevolgen zijn door de benadeelde partij in hoger beroep toegelicht.
De feiten hebben op de openbare weg plaatsgevonden, in aanwezigheid van omstanders en omwonenden die hier getuige van zijn geworden, waardoor gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot kunnen worden. Door weg te rijden na het slachtoffer en een geparkeerde auto te hebben geraakt, terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er letsel bij het slachtoffer en schade aan de auto was ontstaan, heeft hij zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die rust op elke verkeersdeelnemer. Deze handelwijze bemoeilijkt bovendien de benadeelde(n) bij het aansprakelijk stellen van de verantwoordelijke partij voor de schade. Bovendien heeft de verdachte hierdoor het politieonderzoek in deze zaak bemoeilijkt en vertraagd.
Naar het oordeel van het hof is het, gelet op de ernst van de feiten, begrijpelijk dat de rechtbank onder meer een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd. Het hof zal echter in strafmatigende zin rekening houden met het aanzienlijke tijdsverloop sinds de gepleegde feiten en met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep (zie hieronder). De feiten zijn immers gepleegd op 16 juli 2020, inmiddels ruim vijf jaar geleden. Daarnaast weegt het hof in het voordeel van de verdachte mee dat hij een mediationtraject is aangegaan samen met het slachtoffer en is begonnen met het vergoeden van (een deel van) de schade. Het hof ziet hierin aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.
In beginsel acht het hof de eis van de advocaat-generaal voor wat betreft de oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren passend. Door de advocaat-generaal en de raadsvrouw is aangevoerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het hof overweegt daartoe het volgende. De rechtbank heeft op 2 mei 2023 vonnis gewezen. Namens de verdachte is op 10 mei 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof doet heden, ruim 2,5 jaar later, uitspraak, zodat de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep met 7 maanden is overschreden. Hierin ziet het hof reden de passend geachte taakstraf met 24 uren te verminderen.
Tot slot acht het hof, gelet op het zorgwekkend lichtvaardige rijgedrag van de verdachte waarbij hij zijn auto heeft ingezet als wapen, noodzakelijk de verdachte de maatregel op te leggen van ontzegging van de rijbevoegdheid zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf, taakstraf en een maatregel van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.200,00, bestaande uit € 1.200,00 materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 15.200,00, bestaande uit € 200,00 materiële schade en € 15.000,00 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman van de benadeelde partij zich ter terechtzitting in hoger beroep gerefereerd aan het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 200,00.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 18.200,00, bestaande uit € 200,00 aan materiële- en € 18.000 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering, mede gelet op de summiere onderbouwing en het eigen aandeel van de benadeelde, fors te matigen. Daarbij is aangevoerd dat verdachte al een betalingsregeling heeft getroffen om de gemaakte zorgkosten aan de zorgverzekeraar te vergoeden.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
De vordering ten aanzien van de materiële schade bedraagt € 1.200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaat uit de volgende schadeposten:
Kosten producten wondverzorging: € 150,00
Verklaring fysiotherapeut: € 50,00
Kosten fysiotherapie: € 1.000,00
De gevorderde bedragen voor de kosten onder a) en b) zijn naar het oordeel van het hof door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Nu dit deel van de vordering het hof voorts niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, ligt het voor toewijzing gereed. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 200,00 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Ten aanzien van de schadepost onder c) is het hof van oordeel dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd in het licht van de betwisting. Het partijdebat is genoegzaam gevoerd en nader onderzoek is niet noodzakelijk. De ongegrondheid van deze vordering staat in voldoende mate vast. De vordering wordt dus afgewezen.
Immateriële schade
Het hof is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van lichamelijk letsel in de zin van art. 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De benadeelde partij is door de verdachte aangereden als gevolg waarvan hij ernstig letsel opliep in de vorm een gebroken linkerenkel, diepe schaafwonden op het linker onderbeen, een rechterschouder uit de kom, schade aan de kop van het schoudergewricht en huidbeschadigingen van beide voetruggen, knieën en aan de rechterzijde van de onderbuik. Het letsel aan de enkel was van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk was; in het ziekenhuis zijn twee schroeven in die enkel geplaatst. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de schroeven nog steeds in de enkel zitten en de benadeelde partij nog dagelijks pijn en last heeft van het letsel bij het lopen van lange afstanden en sporten.
Gegeven deze aanspraak op immateriële schadevergoeding, komt het hof toe aan de vaststelling van deze schade naar billijkheid. Bij deze begroting wordt in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij, en met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Concreet neemt het hof de Rotterdamse Schaal (RS) tot uitgangspunt.
Het enkelletsel wordt door het hof aangemerkt als aan als ‘ ‘middelzwaar enkelletsel’ (RS par. 5.15, categorie c). Gelet op de pijn en de bewegingsbeperkingen die de benadeelde partij nog altijd (na ruim vier jaar) ervaart bij het lopen en sporten alsmede zijn jeugdige leeftijd (destijds 23 jaar), wordt de hieruit voortvloeiende immateriële schade begroot op € 18.000,00.
Ten aanzien van het schouderletsel, te weten de uit de kom geraakte schouder, is een herstelduur langer dan zes maanden niet gesteld noch gebleken. Dit letsel wordt daarom beschouwd als ‘licht letsel’ (RS par. 5.4 slot en par. 13). Dit geldt ook voor de overige genoemde verwondingen. .
Al het voorgaande in aanmerking genomen, acht het hof in de gegeven situatie het gevorderde totaalbedrag van € 20.000,00 aan immateriële schadevergoeding billijk.
De verdachte is tot vergoeding van die immateriële schade gehouden. De daarop gerichte vordering geheel zal dus geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Eigen schuld-verweer
De verdediging voert ook in hoger beroep aan dat de schadevergoedingsplicht verrekend dient te worden met ‘eigen schuld’ van de benadeelde als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van twee losse gebeurtenissen. Eerst heeft de benadeelde partij met de gordijnrails op de auto van de verdachte geslagen. Vervolgens heeft de verdachte een nieuw wilsbesluit genomen door de auto tweemaal te keren en daarna op de benadeelde partij in te rijden. Er bestaat daarom geen causaal verband tussen de handelingen van de benadeelde partij en de zware mishandeling daarna door de verdachte. Reeds daarop strandt dit verweer.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
119 (honderdnegentien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
216 (tweehonderdzestien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
108 (honderdacht) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot een bedrag van
€ 20.200,00 (twintigduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 200,00 (tweehonderd euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de gevorderde materiële schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.200,00 (twintigduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 200,00 (tweehonderd euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 136 (honderdzesendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 april 2023 en van de immateriële schade op 16 juli 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. A.W.T. Klappe en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 december 2025.
Mr. A.C. Bijlsma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]