ECLI:NL:GHAMS:2025:3148

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
200.353.894/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gezamenlijk gezag en zorgregeling voor minderjarigen

In deze zaak gaat het om de zorgregeling en het gezag over drie minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], na een eerdere beschikking van de rechtbank Noord-Holland. De vader had verzocht om gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3], wat door de rechtbank was toegewezen, terwijl het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] was afgewezen. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, waarbij zij een beperktere zorgregeling en een wijziging van het gezag vroeg. De vader was het niet eens met de verzoeken van de moeder en vroeg om bekrachtiging van de eerdere beschikking.

Tijdens de zitting in hoger beroep werd de communicatie tussen de ouders besproken, evenals de zorgen van de moeder over de veiligheid van de kinderen bij de vader. De raad voor de kinderbescherming adviseerde om het gezamenlijk gezag te handhaven, omdat de vader betrokken is bij het leven van de kinderen. Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende bewijs had geleverd voor haar stelling dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen zou zijn. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank met betrekking tot het gezag en bepaalde dat de zorgregeling zou worden aangepast, waarbij de kinderen om de twee weken bij de vader verblijven, met de mogelijkheid voor [minderjarige 1] om zelf te beslissen over haar verblijf op zondag.

De beslissing van het hof benadrukt het belang van gezamenlijke betrokkenheid van beide ouders bij de opvoeding van de kinderen, en dat de zorgen van de moeder niet voldoende onderbouwd waren om het gezamenlijk gezag te ontzeggen. De zorgregeling werd aangepast om tegemoet te komen aan de wensen van de kinderen, waarbij de vader de kinderen ophaalt en terugbrengt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.894/01
zaaknummer rechtbank: C/15/348293 / FA RK 24-283
beschikking van de meervoudige kamer van 25 november in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A.M. Stam te Zaandam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] (volgens het BRP-uittreksel ingeschreven in Duitsland),
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. S. Rahimzadeh te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] ,
- de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- en Gezinsbeschermers, hierna: de GI.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna: de kinderen) en het gezag over de kinderen.
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank), heeft bij beschikking van 30 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de vader om samen met de moeder te worden belast met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] toegewezen. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] te wijzigen en om de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] afgewezen Ook heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen in de oneven weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot en met zondagavond 19:00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader zullen verblijven.
De moeder is het niet eens met de bestreden beschikking en wil dat de verzoeken van de vader alsnog worden afgewezen en zij wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] . De moeder wil ook een beperktere zorgregeling.
De vader is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 28 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 12 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gesproken. De voorzitter heeft op de zitting in hoger beroep de inhoud van dit gesprek kort en zakelijk samengevat.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 11 september 2025 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 17 september 2025 met bijlagen.
2.5
De zitting heeft op 22 september 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
De GI is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2013;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2017.
De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 6 juli 2012 gescheiden.
3.2
Bij beschikking van de rechtbank, locatie Alkmaar, van 12 juni 2012 is bepaald dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In dit ouderschapsplan zijn partijen onder meer overeengekomen dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder. Daarnaast zijn de ouders een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen, inhoudende dat [minderjarige 1] tweemaal per week een middag, zijnde vrijdag en zondag van 13.00 tot 16.00 uur bij de vader zal verblijven, welke regeling naarmate [minderjarige 1] ouder wordt zal worden uitgebreid naar eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond
19:00 uur. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat zij de vakanties en feestdagen evenredig zullen verdelen.
3.3
Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft de rechtbank, locatie Haarlem, een tijdelijke omgangs-/zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de kinderen om de twee weken van vrijdag uit school tot 20.00 uur en van zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de vader verblijven. In deze zaak heeft de rechtbank de raad tevens verzocht onderzoek te doen naar de meest wenselijke gezagssituatie van de kinderen en de omgang tussen de vader en de kinderen. De rechtbank heeft de beslissing daarover aangehouden in afwachting van het rapport van de raad.
3.4
De rechtbank, locatie Haarlem, heeft op de mondelinge behandeling van 7 januari 2025 het verzoek van de raad om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen gelijktijdig met de - nu bij het hof aan de orde zijnde - verzoeken omtrent het gezag en de zorgregeling behandeld. Op de zitting heeft de (kinder)rechter het verzoek om de kinderen onder toezicht te stellen van de GI toegewezen voor de duur van één jaar.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op het verzoek van de vader bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Het hof heeft afgewezen het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] te belasten. Daarnaast heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikkingen van de rechtbank, locatie Haarlem, van 12 juni 2012 en van de rechtbank, locatie Haarlem, van 29 mei 2024, een zorgregeling bepaald waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot en met zondagavond 19:00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijven.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- de inleidende verzoeken van de vader alsnog worden afgewezen;
- het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] – zo begrijpt het hof – wordt beëindigd en dat zij met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] wordt belast;
- de wens van [minderjarige 1] leidend is voor de bepaling van de duur van de omgangs- c.q. zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de vader, alsmede te bepalen dat de vader één zaterdag per twee weken vier uur omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heeft, dan wel een andere door het hof te bepalen zorgregeling;
- de wens van [minderjarige 1] leidend is voor de invulling en de duur van de vakanties en feestdagen, alsmede dat de vakanties in Nederland dienen plaats te vinden, dan wel een andere door het hof te bepalen vakantieregeling;
- dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdens vakanties en feestdagen (zonder overnachtingen) van 9:00 uur tot na het eten bij de vader verblijven, tenzij partijen anderszins overeenkomen, dan wel een door het hof te bepalen vakantieregeling.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit artikel 1:253n BW volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De moeder wil dat zij het eenhoofdig gezag over de kinderen behoudt/verkrijgt. Volgens de moeder is gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen en raken zij klem of verloren tussen de ouders als de vader mede met het gezag zal worden belast. Zij stelt dat de communicatie tussen de ouders conflictueus, explosief en structureel problematisch is. Ouders zijn het over geen enkel aspect van de opvoeding eens. Verbetering van de communicatie is ook niet te verwachten. De vader misbruikt het gezag om de moeder dwars te zitten. Zo heeft de vader in 2023 op het laatste moment geweigerd toestemming te geven voor een vakantie naar Mekka, nadat hij mondeling al had ingestemd. Het weigeren van toestemming voor vakanties gebeurde meermaals, waardoor de moeder steeds afhankelijk is van gerechtelijke procedures of noodoplossingen. De vader toont ook geen daadwerkelijke betrokkenheid bij de verzorging en opvoeding van de kinderen en hij komt zijn verantwoordelijkheden als gezaghebbende vader al jaren niet na. Hij vertoont agressief en intimiderend gedrag jegens de moeder, waardoor de moeder zich onveilig voelt. Ook gebruikt de vader fysiek geweld als opvoedmethode. Dat is in strijd met de wet en levert een fundamenteel verschil op in opvoedingsstijlen tussen de ouders. De vader wil het gezamenlijk gezag alleen maar om in aanmerking te komen voor een grotere woning, aldus de moeder
5.3
De vader betwist de door de moeder beschreven wijze van communicatie, maar onderschrijft wel dat de communicatie tussen de ouders, met behulp van de gezinsvoogd, verbetering behoeft. De vader is van mening dat het ontbreken van goede communicatie niet voldoende is om het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen. De moeder heeft niet onderbouwd in welk opzicht de kinderen klem of verloren zullen raken indien de ouders het ouderlijk gezag over de kinderen gezamenlijk uitoefenen. In de periode na de bestreden beschikking zijn de ouders in staat gebleken om afspraken te maken over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De vader stelt dat hij, behalve voor de reis naar Mekka, altijd zijn toestemming heeft verleend voor vakanties. Van misbruik van gezag is dan ook geen sprake. Verder betwist de vader met klem de stelling van de moeder dat hij agressief en intimiderend gedrag vertoont. De vader betwist ook dat de ouders een verschillende visie hebben op opvoeding en dat hij geweld gebruikt als opvoedmethodiek.
Het advies van de raad
5.4
Met betrekking tot het gezag heeft de raad ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het gezamenlijk uitoefenen van het gezag verloopt niet vlekkeloos, maar de belangrijke beslissingen kunnen door de ouders gezamenlijk worden genomen. In het rapport van de raad zoals ingebracht bij de rechtbank heeft de raad beschreven een vader te zien die veel doet in het leven van zijn kinderen, betrokkenheid toont bij school en het halen en brengen van de kinderen en geconcludeerd dat daar ook een gezagspositie bij hoort en er op dat punt gelijkwaardigheid moet zijn in de rechtspositie van de ouders. Ook onderschrijft de raad het standpunt van de rechtbank dat een risico bestaat dat de vader steeds meer op afstand wordt gezet als hij geen gezag heeft.
De beoordeling
5.5
Het hof oordeelt als volgt. Uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk met het gezag belast zijn. Hetgeen de moeder aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, legt naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om van dit uitgangspunt af te wijken. Daartoe is redengevend dat de communicatie tussen de ouders weliswaar verbetering behoeft, maar dat de huidige communicatie niet zo slecht is dat essentiële beslissingen over de kinderen niet of niet naar behoren zouden kunnen worden genomen en in de weg zou moeten staan aan gezamenlijke gezagsuitoefening. Zo zijn partijen in staat geweest om na de bestreden beschikking samen een vakantieregeling overeen te komen. Het hof acht het bovendien aannemelijk dat de ouders, met behulp van de gezinsvoogd, hun onderlinge communicatie kunnen verbeteren om zo beter invulling te kunnen geven aan het gezamenlijk gezag.
Dat de moeder vreest dat gezamenlijk gezag alleen maar meer strijd zal opleveren, is onvoldoende om op voorhand aan te nemen dat aan de afwijzingsgronden voor gezamenlijk gezag al is voldaan. Zij heeft deze angst niet verder onderbouwd met concrete recente voorbeelden waarbij de vader zijn toestemming eerder heeft geweigerd. Het feit dat de vader bezwaren had tegen de reis van de moeder met de kinderen naar Mekka waardoor hij destijds in december 2023 geen toestemming heeft gegeven voor [minderjarige 1] , ziet het hof, evenals de raad, mede gelet op de door de vader gegeven toelichting, niet als misbruik van gezag. Dat de moeder meerdere procedures zou hebben moeten voeren om vervangende toestemming te krijgen voor vakanties, is tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader niet nader door de moeder onderbouwd.
Verder is niet gebleken dat het gezamenlijk gezag de afgelopen periode problemen heeft opgeleverd voor de kinderen, bijvoorbeeld doordat belangrijke beslissingen niet genomen konden worden. Dat de vader belangrijke beslissingen tegenwerkt, is evenmin gebleken. Ten aanzien van de aanvraag voor psychologische hulp via de huisarts door de moeder is vast komen te staan dat zij de vader hiervan ook niet op de hoogte heeft gesteld. Nadat de vader dit via de huisarts heeft vernomen, heeft hij direct zijn toestemming verleend.
Dat de ouders mogelijk een verschil van inzicht hebben over bepaalde opvoedsituaties levert naar het oordeel van het hof eveneens onvoldoende grond op om het gezamenlijk gezag af te wijzen. Zo deze verschillen zich voordoen, dan kunnen deze in het kader van de ondertoezichtstelling worden besproken.
De moeder voert aan dat zij vreest voor de veiligheid van de kinderen indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Naar het oordeel van het hof bestaan voor die vrees onvoldoende objectieve aanknopingspunten. Vast staat dat de zorgregeling wordt nageleefd in het belang van de kinderen. Niet is gebleken van zodanige zorgen dat die eenhoofdig gezag rechtvaardigen. Er zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende aanwijzingen dat door het gezamenlijk gezag de samenwerking tussen de ouders onwerkbaar zou worden.
De moeder heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet duidelijk gemaakt waaruit het risico dat de kinderen klem of verloren zouden geraken bestaat.
Het hof acht het daarnaast belangrijk dat de vader het gezamenlijk gezag over alle kinderen heeft. Als de vader mede het gezag over de kinderen uitoefent, heeft hij de mogelijkheid om zijn betrokkenheid bij de kinderen (nog meer) te laten zien en hebben beide ouders een gelijke positie wat de zeggenschap over de kinderen betreft en hebben zij een gelijke positie ten opzichte van derden, zoals school en hulpverleners.
5.6
Concluderend is er naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwing voor de stelling van de moeder dat de kinderen klem of verloren zouden raken als sprake is van gezamenlijk gezag. Daarnaast is niet gebleken dat in het belang van de kinderen een andere beslissing noodzakelijk is. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op het punt van het gezag bekrachtigen. Hetgeen de moeder overigens verder heeft aangevoerd behoeft geen verdere bespreking.
Zorg- en vakantieregeling
Het wettelijk kader
5.7
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten - voor zover in deze zaak van belang - een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
5.8
De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een zorg- en vakantieregeling met overnachtingen heeft vastgesteld. Zij verzoekt een beperkte zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] één zaterdag per twee weken gedurende vier uur bij de vader verblijven en waarbij [minderjarige 1] zelf kan bepalen wanneer en onder welke voorwaarden zij contact met haar vader heeft. De moeder stelt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de leeftijd, autonomie en het welzijn van de kinderen. De kinderen willen alle drie niet overnachten bij hun vader. Bovendien is er geen ruimte voor de kinderen om bij de vader te overnachten en is er voor [minderjarige 1] geen plek om achter een bureau huiswerk te kunnen maken. De vader is volgens de moeder onbetrouwbaar gebleken in de uitvoering van de afspraken, omdat hij jarenlang in zowel praktische als financiële zin afwezig is geweest en nauwelijks tot geen interesse in de kinderen heeft getoond. [minderjarige 1] ervaart de omgang met haar vader als negatief, omdat de vader haar niet begrijpt en regelmatig tegen haar schreeuwt. De moeder stelt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen enkele vertrouwensband hebben met hun vader en dat zij zich niet veilig bij hem voelen. De vader heeft volgens de moeder in het verleden, nadat zij aangifte heeft gedaan, een straatverbod opgelegd gekregen wegens huiselijk geweld. De vader heeft in België ook zes maanden vastgezeten wegens drugshandel, aldus de moeder.
Volgens de moeder is er bij de kinderen geen basis om een gedeelde vakantieregeling vast te leggen, omdat zij niet voor langere tijd bij de vader willen verblijven of overnachten. Bovendien zullen zich in een vakantie meer situaties voordoen die opvoedingsvaardigheden van de vader verlangen.
5.9
De vader voert aan dat er geen reden is om de bestreden beschikking te wijzigen, omdat hij de kinderen niet dwingt om bij hem te overnachten. Hij hoopt dat de overnachtingen met behulp van de gezinsvoogd geleidelijk zullen worden opgebouwd, zodat hij en de kinderen minder tijd kwijt zijn aan het reizen in de weekenden. Hij stelt ook dat hij het tempo van [minderjarige 1] zal volgen. De vader is altijd betrokken geweest in het leven van de kinderen. Hij betwist dat hij een straatverbod opgelegd heeft gekregen nadat de moeder aangifte tegen hem had gedaan. De vader heeft geen weet van de blauwe plekken van [minderjarige 3] en vindt het een kwalijke zaak dat de moeder doet voorkomen alsof de vader hem iets zou hebben aangedaan.
Het advies van de raad
5.1
De raad adviseert de huidige zorgregeling niet te wijzigen. De raad vindt het belangrijk dat de vader gaat werken aan de kwaliteit van het contact met de kinderen. De raad acht het van belang dat de vader zijn opvoedstijl aanpast, omdat de kinderen herhaaldelijk aangeven dat zij dit als onprettig ervaren. Daarbij benadrukt de raad dat een corrigerende tik onacceptabel is.
Ook is het wenselijk om meer rust in de huidige zorgregeling te creëren door bepaalde activiteiten, zoals Arabische les minder vaak in te plannen in de weekenden dat de kinderen bij de vader zijn. Met betrekking tot de overnachtingen stelt de raad dat [minderjarige 1] daarin niet gedwongen moet worden. Voor haar is de ruimte bij de vader beperkt en het contact met de stiefmoeder verloopt niet altijd even soepel. Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zullen de overnachtingen in onderling overleg met de gezinsvoogd kunnen worden bepaald.
Volgens de raad zijn de kinderen, gelet op hun leeftijd, in staat om de helft van de vakanties bij de vader door te brengen, maar kan het in dit geval wenselijk zijn de vakanties niet helemaal bij helfte te verdelen, gelet op de weerstand bij de kinderen.
De beoordeling
5.11
Vast staat dat de bij de bestreden beschikking vastgelegde zorgregeling niet volledig wordt nageleefd en dat de kinderen tot op heden niet bij de vader overnachten. De kinderen verblijven op dit moment eens per twee weken bij de vader van:
- vrijdag vanuit school tot 21.00 uur;
- zaterdag 11.00 uur tot 21.00 uur;
- zondag 11.00 uur tot 19.00 uur,
waarbij de vader de kinderen ophaalt en weer thuisbrengt.
5.12
De moeder vreest voor de veiligheid van de kinderen als ze bij de vader verblijven, omdat ze thuiskomen met blauwe plekken en de kinderen vertellen dat [minderjarige 3] ondersteboven over de reling van het balkon werd gehangen door zijn oom. Daarnaast heeft de vader een agressieve en gewelddadige opvoedstijl, volgens de moeder. De vader betwist dit alles. De blauwe plekken kunnen volgens hem komen door het stoeien van de jongens onderling of door kickboksen, in ieder geval komen ze niet door hem.
De raad heeft in haar rapport van 21 november 2024 vermeld dat tijdens het onderzoek aanwijsbare belemmeringen naar voren zijn gekomen bij de kinderen voor het contact met vader. Een aanwijsbare belemmering is dat de kinderen, met name [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven liever niet meer naar vader te gaan, omdat zij zich niet prettig voelen bij vader. Dit betreft volgens de kinderen (verbale) agressie. Daarnaast heeft de raad naar voren gebracht dat, alhoewel de raad deze zorgen serieus wil nemen, deze zorgen in het onderzoek niet zijn bevestigd door de huisarts, politie en justitie (JOS), hetgeen het voor de raad lastig maakt deze zorgen op zichzelf als aanwijsbare belemmering aan te merken. Daarbij is het de raad opgevallen dat moeder nog in 29 november 2023 via haar advocaat heeft voorgesteld dat de kinderen omgang met hun vader kunnen hebben wanneer zij dat willen, als de vader uiterlijk een dag van tevoren laat weten wanneer hij hen op zal halen. Toen is niet gebleken dat de moeder of de kinderen zich op dat moment zorgen maakten over de veiligheid bij de vader.
Ook in hoger beroep is niet gebleken van de juistheid van de door de moeder geuite onveiligheid. Nu de zorgelijke signalen van mishandeling door de vader niet worden bevestigd, ziet het hof geen reden om een beperkte zorgregeling vast te stellen, zoals de moeder voorstelt. Van belang is wel dat eventuele zorgen van de moeder over de veiligheid van de kinderen tijdens hun verblijf bij de vader aan de orde kunnen worden gesteld bij en besproken kunnen worden met de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling.
5.13
De kinderen willen op dit moment alle drie niet bij de vader overnachten en de vader dwingt de kinderen daartoe ook niet. De vader hoopt wel dat in ieder geval [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met hulp van de gezinsvoogd op den duur bij hem zullen gaan overnachten. De vader heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat er in de woning op dit moment geen ruimte is om te overnachten, maar dat hij van plan is een stapelbed in de kamer van de dochters te zetten, zodat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als zij bij de vader zijn daar kunnen slapen en de meisjes dan bij de ouders op de kamer kunnen slapen. Het hof constateert dat er op dit moment echter geen draagkracht lijkt te zijn bij de kinderen voor een overnachting van de kinderen bij de vader. Het hof ziet, gelet op deze weerstand van de kinderen - die respectievelijk 14, 12 en 8 jaar oud zijn - en het feit dat de overnachtingen tot op heden ook niet plaatsvinden, aanleiding om aan te sluiten bij de huidige zorgregeling. Ten aanzien van [minderjarige 1] zal het hof haar deels tegemoet komen in haar wens om zelf te kunnen beslissen wanneer zij naar haar vader gaat. Het hof zal bepalen dat [minderjarige 1] evenals haar broertjes eens per twee weken op vrijdag en zaterdag bij de vader verblijft. Het hof zal aan [minderjarige 1] zelf de keuze overlaten of zij ook op zondag eens per twee weken naar haar vader wil gaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dat punt dan ook vernietigen en de huidige zorgregeling vaststellen, met dien verstande dat [minderjarige 1] de keuze heeft om op zondag al dan niet naar haar vader te gaan.
5.14
Het hof overweegt ten overvloede dat de indruk bestaat dat het voor de vader en de kinderen door alle activiteiten en de vele reisbewegingen moeilijk is om op een goede manier invulling te kunnen geven aan de huidige zorgregeling. Het hof acht het daarom van belang dat met behulp van de gezinsvoogd wordt gewerkt aan een fijne manier van omgang, waarbij de kinderen zich veilig voelen en zij ook toekomen aan andere dingen, zoals bijvoorbeeld huiswerk maken. Daarbij is het voor de kinderen van belang dat de vader ook dingen met hen alleen onderneemt om zo een band te kunnen opbouwen.
5.15
Met betrekking tot de verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte overweegt het hof het volgende. Gebleken is dat de ouders weliswaar waren overeengekomen dat de kinderen de laatste drie weken van de zomervakantie bij de vader zouden verblijven, maar dat de moeder geen toestemming heeft verleend aan de vader om met de kinderen naar het buitenland op vakantie te gaan. Daardoor zijn de kinderen in de zomervakantie niet bij de vader geweest.
Het hof ziet een verblijf van de kinderen tijdens de vakanties, evenals de raad, als een kans om op een ongedwongen manier bij elkaar te zijn, zonder dat er allerlei andere verplichtingen zijn. Het hof acht het daarom van belang dat de vader met de kinderen ook daadwerkelijk op vakantie kan gaan, omdat in de woning onvoldoende ruimte is voor alle kinderen om daar te kunnen overnachten. De moeder verzoekt te bepalen dat de vakanties in Nederland dienen plaats te vinden. Het hof kan zich echter voorstellen dat het voor de vader fijn is om naar het buitenland op vakantie te kunnen gaan met de kinderen. Vervangende toestemming voor een vakantie met de kinderen naar het buitenland is op dit moment echter nog niet aan de orde is, omdat er nog geen concrete plannen zijn.
Naar het oordeel van het hof is een verblijf van de kinderen gedurende drie weken aaneengesloten in de zomervakantie op dit moment teveel voor de kinderen. Het hof acht de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de vakanties, daarom op dit moment (nog) niet in hun belang. Het hof ziet echter geen aanleiding de periode dat de kinderen bij de vader verblijven in de zomervakantie in totale duur terug te brengen. Wel acht het hof het in het belang van de kinderen dat de zomervakantie in meerdere kortere perioden wordt opgedeeld. Om die reden zal het hof in redelijkheid bepalen dat de zomervakantie als volgt tussen de ouders zal worden verdeeld:
de kinderen verblijven in de zomervakantie:
- de eerste week bij de vader;
- de tweede en derde week bij de moeder;
- de vierde en vijfde week bij de vader;
- de zesde week bij de moeder.
Daarnaast acht het hof het in het belang van de kinderen dat zij gedurende een week in de kerstvakantie en een week in de meivakantie bij de vader verblijven. Het is aan de ouders, al dan niet in overleg met de gezinsvoogd, afspraken te maken over de verdeling van deze weken.
Tegen de verdeling van de feestdagen bij helfte is geen bezwaar, zodat het hof op dat punt zal aansluiten bij de bestreden beschikking. Voor het overige zal het hof de bestreden beschikking met betrekking tot de verdeling van de vakanties vernietigen en bepalen dat de voornoemde vakantieregeling zal gelden.
5.16
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarbij vastgelegde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en verdeling van de vakanties is vastgelegd, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de kinderen bij de vader verblijven:
- eens per twee weken van:
- vrijdagmiddag na schooltijd tot 21:00 uur;
- zaterdag van 11:00 uur tot 21:00 uur;
- zondag van 11:00 uur tot 19:00 uur, waarbij voor [minderjarige 1] geldt dat zij zelf mag bepalen of zij op zondag naar de vader gaat,
waarbij de vader de kinderen haalt en brengt;
- de helft van de feestdagen;
- gedurende één week aaneengesloten in de kerst- en de meivakantie;
- gedurende de eerste, vierde en vijfde week in de zomervakantie;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 25 november 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.