ECLI:NL:GHAMS:2025:3146

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
200.355.692/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ondertoezichtstelling van minderjarige na wijziging van omstandigheden

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 25 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep betreffende de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige]. De kinderrechter had eerder, op 18 maart 2025, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 april 2026, evenals de machtiging tot uithuisplaatsing. De vader van [minderjarige] heeft op 16 juni 2025 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De GI heeft geen verweer gevoerd en de vader heeft diverse stukken ingediend ter ondersteuning van zijn verzoek. Tijdens de zitting op 20 oktober 2025 was de moeder niet aanwezig, maar de vader, zijn advocaat, de advocaat van de moeder, een vertegenwoordiger van de GI en de raad waren wel aanwezig.

Het hof heeft vastgesteld dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing oorspronkelijk waren opgelegd vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder. De vader heeft inmiddels de zorg voor [minderjarige] op zich genomen, die nu bij hem in België woont. Het hof concludeert dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn, aangezien de situatie bij de vader positief is en er geen bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] is. De GI en de raad hebben ook geadviseerd om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd voor zover deze de ondertoezichtstelling betreft en heeft de ondertoezichtstelling met ingang van heden beëindigd. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader blijft van kracht tot 15 april 2026, maar de ondertoezichtstelling is opgeheven.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.692/01
zaaknummer rechtbank: C/13/766143 / JE RK 25/167
beschikking van de meervoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , België,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio [plaats] ,
gevestigd te [plaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), en
- [de moeder] (hierna: de moeder), bijgestaan door mr. M.A.M. Karsten, advocaat te Amsterdam.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (8 jaar).
1.2
De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) heeft in een beschikking van 18 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking), voor zover hier van belang, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 april 2026. Ook heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 15 april 2026.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 16 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft bij brief van 9 oktober 2025 laten weten geen verweer te zullen voeren.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 31 juli 2025 met bijlagen,
- een bericht van de vader van 18 augustus 2025 met bijlagen, en
- een bericht van de vader van 22 augustus 2025 met bijlage.
2.4
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 20 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, via een telefoonverbinding,
- de advocaat van de vader,
- de advocaat van de moeder,
- een vertegenwoordiger van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door A. Tauber.
De moeder was, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting aanwezig.

3.De feiten

3.1
Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de vader en de moeder is geboren:
- [minderjarige] , [in] 2017 te [plaats B] .
Het hof zal bij de beoordeling ingaan op het gezag over [minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 15 april 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot
15 april 2026.
3.3
Bij beschikking van 12 februari 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend. In de bestreden beschikking is de machtiging verlengd vanaf 12 mei 2025 tot 15 april 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening is per 7 augustus 2025 geëindigd, omdat de kinderrechter bij beschikking van die datum een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader heeft verleend tot 15 april 2026. Tegen de beschikking van 7 augustus 2025 is geen hoger beroep ingesteld.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 15 april 2026.
4.2
De vader verzoekt ter zake de ondertoezichtstelling, na wijziging van zijn verzoeken en met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de ondertoezichtstelling wordt verkort naar zeven maanden, dan wel naar een in goede justitie vast te stellen periode. Wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing ziet het hoger beroep enkel nog op de periode van 12 mei tot 7 augustus 2025.
4.3
De GI heeft als standpunt ingenomen dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in eerste instantie op terechte gronden zijn toegewezen. De ondertoezichtstelling kan tussentijds beëindigd worden en kan worden vernietigd per datum van de beschikking van het hof.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Aangezien de vader en [minderjarige] in België wonen, heeft de zaak een internationaal karakter. Het hof stelt ambtshalve vast dat ten aanzien van dit geschil de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening (EU) 2019/1111 van
25 juni 2019 (Brussel II ter), omdat [minderjarige] ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. De kinderrechter heeft het verzoek van de GI om [minderjarige] onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is niet gegriefd, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Het gezag van de vader
5.2
Allereerst moet het hof beslissen over de vraag of de vader gezag heeft over [minderjarige] . De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder de vaststelling van de feiten genoemd dat alleen de moeder het gezag over [minderjarige] heeft. De vader heeft daartegen gegriefd. Hij stelt dat hij mede het gezag over [minderjarige] heeft en meent dat hij daardoor ten onrechte niet als belanghebbende in de procedure bij de rechtbank betrokken is geweest. Het hof oordeelt dat uit de stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de vader mede het gezag over [minderjarige] heeft. Uit artikel 16 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
(hierna: HKBV 1996) volgt dat het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. De gewone verblijfplaats wordt vastgesteld ten tijde van de geboorte, aangezien toen van rechtswege ouderlijke verantwoordelijkheid is ontstaan. Vaststaat dat [minderjarige] in België is geboren, waardoor Belgisch recht van toepassing is op de vraag wie van rechtswege gezag heeft. Op grond van dat recht hebben beide ouders van wie de afstamming is vastgesteld van rechtswege het gezag. Volgens het hof is uit de stukken voldoende gebleken dat de vader [minderjarige] in België heeft erkend en bovendien heeft de moeder dat niet weersproken. Op grond van artikel 16 lid 3 HKBV 1996 blijft het gezag na verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind bestaan. Het hof gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat de vader het gezag over [minderjarige] heeft. De vader is in de procedure bij de rechtbank dan ook ten onrechte niet als belanghebbende betrokken. Dat gebrek is in hoger beroep hersteld.
De ondertoezichtstelling
Het wettelijk kader
5.3
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De standpunten
5.4
De vader wil dat de ondertoezichtstelling wordt verkort, omdat de maatregel geen doel meer dient. Inmiddels woont [minderjarige] bij de vader in België en dat gaat goed. Sinds [minderjarige] bij de vader woont zijn de gronden voor een ondertoezichtstelling niet meer aanwezig. [minderjarige] werd in de thuissituatie bij de moeder in zijn ontwikkeling bedreigd maar over de situatie bij de vader zijn geen zorgen. Daarbij is de vader bereid om hulpverlening te accepteren. Ook kan de ondertoezichtstelling praktisch gezien niet worden uitgevoerd, omdat de GI in België minder begeleiding kan bieden. Bovendien houdt de vader zicht op [minderjarige] en zal hij zelf de instanties in België benaderen voor hulp als dat nodig is. De vader stelt het belang van [minderjarige] centraal en wil zich inzetten voor contact tussen hem en de moeder.
5.5
Namens moeder is ter zitting bij het hof aangegeven dat ook zij vindt dat de ondertoezichtstelling zo spoedig mogelijk dient te eindigen.
5.6
Volgens de GI heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling in eerste instantie op juiste gronden opgelegd en de machtiging tot uithuisplaatsing op juiste gronden uitgesproken, maar zijn de maatregelen nu niet meer nodig. Voor [minderjarige] is de overgang van het pleeggezin naar de vader in België goed verlopen. Daarnaast werkt de vader goed mee met de hulpverlening. Het is wel belangrijk dat vanuit België in het vrijwillig kader hulpverlening betrokken blijft bij [minderjarige] en de vader. [minderjarige] heeft in zijn nog jonge leven al veel meegemaakt en het is in zijn belang dat wordt onderzocht wat hij nodig heeft en hoe de vader hem daarin kan ondersteunen. De GI vertrouwt erop dat de vader hulp zal inschakelen als hij dat nodig vindt. Wel is het van belang dat er nu al daadwerkelijk hulp komt en in dat kader een plan wordt gemaakt voor het moment dat de ondertoezichtstelling eindigt. De GI gaat daarover in gesprek met de vader.
Het advies van de raad
5.7
De raad adviseert om de ondertoezichtstelling tussentijds te beëindigen. De maatregel is niet langer noodzakelijk. De ondertoezichtstelling was opgelegd omdat de situatie bij de moeder zorgelijk was. De afgelopen tijd zijn veel positieve stappen gezet ten aanzien van [minderjarige] situatie en door de inspanningen van de vader kan [minderjarige] nu bij hem wonen. Inmiddels is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader en hij is nu de hoofdverzorger. Gebleken is dat de vader bereid is om – waar nodig – hulp te vragen en te accepteren. De raad wijst erop dat het belangrijk is dat de vader goed in de gaten blijft houden hoe het met [minderjarige] gaat en naar de instanties in België stapt als hulp nodig is. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven veel meegemaakt, waaronder de overgang van het pleeggezin naar de vader, en die gebeurtenissen zullen een weerslag op hem hebben.
De beoordeling door het hof
5.8
Uit de stukken en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. [minderjarige] is geboren in België, waar de moeder en de vader de eerste jaren van zijn leven in gezinsverband woonden. Na de beëindiging van de relatie van de ouders is [minderjarige] bij de moeder gaan wonen. Toen zijn zorgen ontstaan over zijn thuissituatie daar en is de jeugdbescherming in België enige tijd betrokken geraakt bij de moeder en [minderjarige] . In mei 2022 zijn de moeder en [minderjarige] vanuit België naar Nederland verhuisd. De vader is in België blijven wonen, waar hij nog altijd woont. In april 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, omdat de zorgen dusdanig waren dat het vrijwillig kader niet langer volstond. De zorgen zagen op onder meer verwaarlozing, armoede en schoolverzuim. De moeder stond afwijzend tegenover hulpverlening en weigerde bezoeken aan huis. De betrokken hulpverleningsinstanties zagen geen verbetering ten aanzien van de opvoedomgeving bij de moeder en vervolgens werd [minderjarige] in februari 2025 uithuisgeplaatst in een pleeggezin. De vader was op dat moment enige tijd uit beeld geweest. Na de uithuisplaatsing is hij weer in beeld gekomen. De GI heeft toen onderzocht of [minderjarige] bij hem kon gaan wonen en dat bleek mogelijk. De rechtbank heeft bij beschikking van 7 augustus 2025 tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader beslist, waardoor per die datum de eerder verleende machtiging tot uithuisplaatsing in het pleeggezin is geëindigd. Sindsdien woont [minderjarige] bij de vader in België. In september 2025 is hij daar gestart op school. Partijen hebben verklaard dat op
22 september 2025 een zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden ten aanzien van het gezag, de omgang en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Toen heeft de rechtbank beslist dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is.
5.9
Naar het oordeel van het hof zijn de gronden voor een ondertoezichtstelling niet langer aanwezig. Aanleiding voor de ondertoezichtstelling, en ook de machtiging tot uithuisplaatsing, waren de zorgen over de moeder. [minderjarige] is inmiddels verhuisd vanuit het pleeggezin naar de vader en in de huidige situatie zijn geen zorgen over een bedreiging in zijn ontwikkeling. De GI heeft in haar brief van 9 oktober 2025 gerapporteerd dat het goed gaat met [minderjarige] bij de vader en dat ook de start op zijn nieuwe school positief is verlopen. De GI heeft er vertrouwen in dat de vader de zorg voor [minderjarige] zelf kan dragen en heeft geen verdere verlenging van de ondertoezichtstelling gevraagd. Ook de raad is akkoord met de beëindiging van de ondertoezichtstelling. Het hof overweegt dat, hoewel er geen zorgen zijn over de thuissituatie bij de vader, het voor [minderjarige] wel steunend kan zijn om hulp te krijgen omdat hij de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt. Die hulpverlening kan plaatsvinden in het vrijwillig kader. De vader heeft zich ter zitting in hoger beroep bereid getoond om dergelijke hulpverlening in te schakelen en het hof acht het aannemelijk dat de vader zonder een gedwongen kader hulp zal accepteren. Ook blijft de GI in het vrijwillig kader nog betrokken voor doorverwijzing naar hulpverlening in België en zal nog een eindgesprek met de vader plaatsvinden. Daarnaast blijft de GI een vinger aan de pols houden om te bezien of het lukt om hulp in te zetten voor [minderjarige] . Desnoods zal zij aanvullende maatregelen onderzoeken. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling op dit moment niet meer aanwezig zijn en zal de maatregel met ingang van heden beëindigen.
5.1
Het hof overweegt verder als volgt. In de bestreden beschikking was, naast de ondertoezichtstelling, ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleegzorgvoorziening verlengd tot 15 april 2026. Die machtiging is per 7 augustus 2025 geëindigd, toen de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader heeft verleend tot 15 april 2026. Op grond van de beschikking van 7 augustus 2025 geldt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling. Door de beëindiging van de ondertoezichtstelling komt die machtiging tot uithuisplaatsing te vervallen en eindigt de maatregel van rechtswege per datum van deze beschikking. Voor wat betreft de periode van 12 mei tot 7 augustus 2025 is het hof van oordeel dat de kinderrechter op juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd. Met name de eigen problematiek aan de zijde van de moeder en de voor [minderjarige] niet veilige
woon- en leefomgeving maakte het nodig dat deze maatregel werd getroffen.
Zoals benoemd is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] inmiddels bij de vader bepaald, zodat er aan de feitelijke verblijfplaats van [minderjarige] niets verandert.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is uitgesproken voor de periode vanaf heden tot 15 april 2026, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor zover dat betrekking heeft op de periode vanaf heden tot 15 april 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 25 november 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.