ECLI:NL:GHAMS:2025:3144

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
200.357.292/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van hoger beroep wegens ontbreken advocaat

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 25 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep. De betrokkene, verblijvende te [plaats A], heeft hoger beroep ingesteld tegen eerdere beschikkingen van de rechtbank Amsterdam. De procedure bij de rechtbank omvatte meerdere beschikkingen, waarvan de laatste op 24 april 2025. De betrokkene heeft het hoger beroep ingediend zonder tussenkomst van een advocaat, wat in strijd is met de vereisten van artikel 359 in verbinding met artikel 278 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het hof heeft de betrokkene in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen, maar de betrokkene heeft hier geen gebruik van gemaakt. De betrokkene heeft wel verzocht om uitstel en heeft aangegeven dat zijn verzoek om rechtsbijstand was afgewezen. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het indienen van een beroepschrift, en heeft geconcludeerd dat het beroep op artikel 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet slaagt. De procesrechtelijke drempels zijn volgens het hof een toelaatbare beperking op het recht tot toegang tot de rechter. Uiteindelijk heeft het hof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.357.292/01
Zaaknummer rechtbank: 11652870 EB VERZ 25-3171 en 11123897 EB VERZ 24-6455
beschikking van de meervoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak van
[betrokkene] ,
verblijvende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de betrokkene.

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2023, 29 juli 2024 en 24 april 2025 (hierna: de bestreden beschikkingen).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
[de zoon] (de zoon van de betrokkene) is op 24 juli 2025 als gemachtigde namens de betrokkene in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen.
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de betrokkene, ingekomen op 6 augustus 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de betrokkene, ingekomen op 7 augustus 2025 met bijlagen, en
- een e-mailbericht van de zijde van de betrokkene van 22 augustus 2025 met bijlagen.

3.De motivering van de beslissing

3.1
Op grond van het bepaalde in artikel 359 in verbinding met artikel 278 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een beroepschrift worden ondertekend en ingediend door een advocaat. Indien een verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ondertekend en ingediend, biedt de rechter de verzoeker de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn dit verzuim te herstellen. Maakt de verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan wordt hij krachtens het in artikel 281 lid 1 Rv bepaalde in het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Deze bepalingen zijn op grond van artikel 362 Rv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.
3.2
Het hof stelt vast dat de op 24 juli 2025 ingekomen brief zonder tussenkomst van een advocaat namens de betrokkene is ingediend en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 359 in verbinding met artikel 278 lid 3 Rv. Bij brief van dit hof van 25 juli 2025 is de betrokkene in de gelegenheid gesteld dit verzuim uiterlijk op 8 augustus 2025 te herstellen. Namens de betrokkene is in een brief van 7 augustus 2025 aan het hof verzocht om uitstel en gemeld dat zijn verzoek om rechtsbijstand tot op heden is afgewezen. Als bijlage bij die brief is gevoegd een brief van de deken van de [plaats A] orde van advocaten van 6 augustus 2025, inhoudende een afwijzende beslissing op een aanwijzingsverzoek van [de zoon] , kennelijk mede namens de betrokkene. De deken heeft geconcludeerd:
- dat het een herhaald verzoek is,
- dat de betrokkene door een advocaat werd bijgestaan in de beschermingszaak,
- dat de handtekening van de betrokkene op de volmacht gecontroleerd zou moeten worden omdat het dossier verschillende handtekeningen van de betrokkene laat zien, en
- dat niet kan worden vastgesteld dat, waarvoor en wanneer de betrokkene advocaten(kantoren) heeft benaderd bij wijze van inspanning om zelf een advocaat te vinden.
3.3
Het hof heeft op 8 augustus 2025 per e-mail uitstel verleend en de betrokkene tot en met 22 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. In de e-mail is vermeld ‘
Als u geen gebruik maakt van dezelaatstegelegenheid tot herstel van het verzuim, wordt u in het verzoek niet-ontvankelijk verklaard’.
3.4
[de zoon] heeft in een brief van 22 augustus 2025 namens de betrokkene opnieuw om uitstel verzocht en subsidiair verzocht om [de zoon] als gemachtigde toe te laten zonder advocaat te procederen, conform artikel 6 en 13 EVRM. In die brief is gesteld ‘
Mijn vader en ik hebben recht op gelijke behandeling en toegang tot de rechter. Het kan niet zo zijn dat door procesmisleiding en uitsluiting de bewindvoerder vrij spel houdt, terwijl mijn vader daardoor aantoonbaar in onmin moet blijven leven, zonder herstel en of antwoorden.’ Bij de brief van 22 augustus 2025 zijn als bijlage gevoegd berichten van verschillende advocaten, die kort gezegd inhouden dat zij niet bereid zijn [de zoon] dan wel de betrokkene in hoger beroep bij te staan.
3.5
De betrokkene heeft het verzuim niet hersteld, ondanks de op grond van artikel 362 in verbinding met artikel 281 Rv geboden gelegenheid daartoe. Het hof ziet geen aanleiding opnieuw uitstel te verlenen, aangezien al eerder uitstel is verleend zonder dat het verzuim is hersteld. Het beroep op onder meer artikel 6 EVRM faalt. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM vormen procesrechtelijke drempels, zoals het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging, in beginsel een toelaatbare beperking op het recht tot toegang tot de rechter. Dit geldt temeer in appelprocedures en cassatieprocedures, omdat de lidstaten op grond van artikel 6 EVRM niet verplicht zijn om in appel- en cassatierechtspraak te voorzien binnen de nationale rechtsorde. Daar waar lidstaten wel een traditie van appel- en/of cassatierechtspraak hebben, genieten zij een ruime beleidsvrijheid bij de inrichting hiervan. Nu de procesrechtelijke beperkingen van het recht op toegang tot de rechter voorzienbaar zijn, een legitiem doel dienen en proportioneel zijn, is van strijd met de door de betrokkene genoemde bepalingen geen sprake.
3.6
De omstandigheden die naar voren zijn gebracht maken niet dat afgeweken kan worden van de hiervoor weergegeven wettelijke vereisten voor indiening van een beroepschrift. Het voorgaande brengt met zich dat de betrokkene in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. F. Kleefmann, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 25 november 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.