ECLI:NL:GHAMS:2025:3128

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
23-002171-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake opzettelijke brandstichting in eigen woning met gevaar voor goederen

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 20 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vrijspraak van de rechtbank Noord-Holland. De verdachte, geboren in 1967, werd beschuldigd van opzettelijke brandstichting in haar woning in Purmerend op 29 oktober 2020. De brand leidde tot gemeen gevaar voor goederen en mogelijk levensgevaar voor omwonenden. Het openbaar ministerie had hoger beroep ingesteld na de vrijspraak in eerste aanleg, waarbij aanvullend onderzoek leidde tot belastend bewijs. Tijdens de zittingen op 31 augustus 2022 en 6 november 2025 heeft de verdachte verklaard, maar de verdediging betwistte de bewijsvoering. Het hof concludeerde dat de verdachte opzettelijk brand had gesticht door vuur in aanraking te brengen met brandbare goederen in haar woning. De verdachte had kort voor de brand benzine aangeschaft, wat het hof als bewijs voor opzettelijke brandstichting beschouwde. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en medewerking aan verdiepingsdiagnostiek. Het hof hield rekening met de lange duur van de procedure en de psychische problematiek van de verdachte.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002171-21
datum uitspraak: 20 november 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-272306-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2022 en 6 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 29 oktober 2020 te Purmerend in een woning gelegen aan de [adres 2] (te Purmerend) opzettelijk brand heeft gesticht door (open) vuur in aanraking te brengen met (een grote hoeveelheid) kleding en/of papier en/of andere (brandbare) goederen (in de gang van die woning), althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan de inboedel van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor
- de woning en/of de inboedel van die woning ([adres 2]);
en/of
- de belendende woningen en/of inboedels van die woningen ([adres 3,4,5]),
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor
- de in die belendende woningen ([adres 3,4,5]) aanwezige personen, in elk geval levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
subsidiair:
zij op of omstreeks 29 oktober 2020 te Purmerend grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in een woning, gelegen aan de [adres 2] (te Purmerend), (open) vuur in aanraking heeft gebracht met (een grote hoeveelheid) kleding en/of papier en/of andere (brandbare) goederen (in de gang van die woning), althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest dat de inboedel van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor
- de woning en/of de inboedel van die woning ([adres 2]);
en/of
- de belendende woningen en/of inboedels van die woningen ([adres 3,4,5]), in elk geval gemeen gevaar voor goederen
en/of
levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor
- de in die belendende woningen ([adres 3,4,5]) aanwezige personen, in elk geval levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Ter inleiding merkt het hof het volgende op. De verdachte is vrijgesproken door de rechtbank. Naar aanleiding van die beslissing heeft het openbaar ministerie aanvullend onderzoek laten verrichten waaruit belastend bewijs is voortgekomen. In hoger beroep is de verdachte vervolgens op de zitting van 31 augustus 2022 verschenen en heeft zij een verklaring afgelegd (de verdachte was niet aanwezig bij de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg). De zaak is vervolgens aangehouden, teneinde de politie nader onderzoek te laten doen. De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 6 november 2025.
Op voornoemde zitting heeft de advocaat-generaal gevorderd de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is geweest van brandstichting, dat de verdachte niet kan worden gekoppeld aan de aanschaf van benzine en dat uit die aanschaf ook niet zonder meer een causaal verband met de brand kan worden afgeleid. Voorts heeft zij aangevoerd dat bij de verdachte een motief ontbreekt.
Het hof overweegt op grond van de bewijsmiddelen zoals die zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest in geval er cassatie wordt ingesteld, als volgt.
Tijdpad
Vaststaat dat in de vroege ochtend van 29 oktober 2020 brand is ontstaan in de woning van de verdachte op het adres [adres 2] in Purmerend, waar zij op dat moment alleen woonde. De politie arriveerde na een melding omstreeks 6:18 uur ter plaatse en zag vlammen uit de genoemde woning komen. De verdachte werd niet in de woning aangetroffen. Zij was op dat moment onderweg naar haar dochter in Amsterdam. Uit de bewijsmiddelen volgt dat om 6:19 uur met een OV-chipkaart op naam van haar vriendin [naam] (hierna: [naam]) is ingecheckt in de bus op de locatie Churchilllaan in Purmerend. Deze OV-chipkaart is bij de verdachte aangetroffen tijdens haar aanhouding later die dag. De bushalte aan de Churchillaan waar de bus naar Amsterdam stopt is te voet te bereiken binnen vier minuten vanaf het huis van de verdachte. Volgens haar dochter arriveerde de verdachte omstreeks 6.50 uur bij haar thuis in Amsterdam en maakte zij op dat moment een wat verwarde indruk.
Eerder die ochtend, rond 5:45 uur, heeft een telefoongesprek tussen de verdachte en haar vriendin [naam] plaatsgehad. [naam] belde de verdachte meestal om haar wakker te maken, maar die ochtend was de verdachte al wakker voordat [naam] belde. De verdachte zei dat zij moest ophangen, omdat zij anders de bus niet zou halen (om naar haar dochter in Amsterdam te gaan). Hieruit, in samenhang bezien met de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 6 november 2025 heeft afgelegd, leidt het hof af dat de verdachte op dat moment nog thuis was. Gelet op het tijdsverloop tussen de hiervoor beschreven gebeurtenissen, stelt het hof vast dat de verdachte kort voordat de brand werd ontdekt nog in haar woning was.
Brandoorzaak
In het proces-verbaal ‘forensisch onderzoek woningbrand’ wordt vermeld dat er geen technische oorzaak is voor het ontstaan van de brand en dat het aangetroffen brandbeeld slechts kan worden verklaard doordat er vuur is gebracht of achtergelaten in de benedenhal van de woning. Er is een brandhaard geweest nabij de radiator in de hal van de woning. De raadsvrouw heeft gesteld dat de hitte van de radiator, in combinatie met de grote hoeveelheid voorwerpen die in de hal van de woning aanwezig waren, mogelijk tot een spontane of onbedoelde ontsteking heeft geleid. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het materiaal in de hal grotendeels bestond uit cellulose, en dat deze stof vlam vat bij een temperatuur van circa 280 graden Celsius (onder verwijzing naar het proces-verbaal aanvullend forensisch onderzoek van 21 mei 2021, los gevoegd). De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de radiator in haar woning werd aangedreven door een cv-ketel.
Het hof overweegt dat het water dat wordt verhit door de cv-ketel en via de radiator wordt omgezet in warmte, naar zijn aard geen hogere temperatuur dan 100 graden Celsius kan bereiken. Het scenario van de verdediging dat (de hitte van) de radiator de gestelde ontbrandingstemperatuur van circa 280 graden Celsius mogelijk heeft bereikt en dus de brand heeft kunnen veroorzaken, schuift het hof reeds daarom als volstrekt onaannemelijk terzijde. Het hof gaat er, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat ook overigens aanknopingspunten voor een andere aannemelijke oorzaak ontbreken, van uit dat de brand slechts kan worden verklaard doordat er vuur is gebracht of achtergelaten in de hal van de woning.
Aanschaf benzine
Het forensisch onderzoek bevat geen informatie over de wijze waarop het vuur in de woning is gebracht of achtergelaten (en of de verdachte daartoe enige handeling heeft verricht). Wél kan uit de bewijsmiddelen het volgende worden afgeleid. Uit het onderzoek dat is gedaan na de vrijspraak in eerste aanleg volgt dat op 29 oktober 2020 om 5:35 uur voor een geldbedrag van € 7,42 een hoeveelheid van 5,07 liter benzine (Euro 95) is aangeschaft bij benzinestation Tamoil aan het John F. Kennedyplein in Purmerend. Dit benzinestation bevindt zich op ongeveer 170 meter lopen van het huis van de verdachte, een afstand die in twee minuten is te lopen. De betaling is gedaan met een pinpas die was gekoppeld aan de bankrekening van [naam] (voornoemde vriendin van de verdachte). De verdachte was gemachtigd ten aanzien van dit bankrekeningnummer en had een pas die op
haar naamstond: pasnummer 019. Dit betreft de pas waarmee de hiervoor genoemde betaling is gedaan. [naam] heeft verklaard dat deze bankpas in het bezit was van de verdachte en dat zij zelfs niet op de hoogte was van de pincode van deze pas. Het hof gaat er gelet op het voorgaande dan ook van uit dat de verdachte op 29 oktober 2020, zeer kort voordat de brand werd gemeld, circa vijf liter benzine heeft gekocht. Dit past ook binnen de tijdlijn nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte tien minuten later de bus wilde halen en blijkbaar al wakker was en klaar stond om haar dag te beginnen op dit vroege tijdstip. Dat de bankpas later die dag bij de aanhouding van de verdachte niet bij haar is aangetroffen, maakt dat niet anders. De verdachte had immers de mogelijkheid om de bankpas die ochtend bij haar dochter in Amsterdam achter te laten, hetgeen tevens kan verklaren waarom ook na haar aanhouding nog betalingen met de pas zijn gedaan (hetgeen de verdediging ter ontlasting van de verdenking heeft opgeworpen). Een en ander sluit bovendien aan bij de verklaring van [naam] dat zij de bankpas in december 2020 van de dochter van de verdachte heeft teruggekregen.
Volledigheidshalve merkt het hof op dat de verdachte op donderdag 29 oktober 2020 niet in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs en ook geen voertuigen op haar naam gesteld had staan.
Slotsom
Gelet op de hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, ligt de conclusie voor de hand dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in haar woning. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het in het dossier en ook overigens geen aanknopingspunten heeft gevonden die aannemelijk zouden kunnen maken dat de verdachte – die als gezegd geen brommer of auto had – de (relatief kleine hoeveelheid) benzine zeer vroeg in de ochtend en vlak voor de brand, voor een ander doel heeft gekocht dan het stichten van brand. Het enkele feit dat een motief voor brandstichting zou ontbreken, zoals de verdediging heeft gesteld, doet daaraan niet af, wat er verder ook zij van de juistheid van die stelling.
De verdachte heeft, hoewel ter terechtzitting aanwezig, voor die feiten en omstandigheden geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. Het hof komt daarom tot de slotsom dat voornoemde voor de hand liggende conclusie juist is en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting in haar woning, door vuur in aanraking te brengen met in deze woning aanwezige goederen.
Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt om die reden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 29 oktober 2020 te Purmerend in een woning gelegen aan de [adres 2] (te Purmerend) opzettelijk brand heeft gesticht door (open) vuur in aanraking te brengen met (een grote hoeveelheid) kleding en papier en andere (brandbare) goederen ten gevolge waarvan de inboedel van die woning en die woning gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor
- de woning en de inboedel van die woning ([adres 2]); en
- de belendende woningen en inboedels van die woningen, te duchten was.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan vier voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft verzocht om, als het hof tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met een straf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in de vroege ochtend schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in haar woning. Er is een uitslaande brand ontstaan met als gevolg schade aan de woning van de verdachte en aan een belendende woning. Brandstichting is zeer gevaarlijk omdat het tot oncontroleerbare en snel uit de hand lopende situaties kan leiden, met zeer gevaarlijke gevolgen voor personen en voor andere woningen/goederen. Dit is bij uitstek het geval indien meerdere woningen direct aan elkaar grenzen, zoals in dit geval. Daar komt bij dat de woning van de verdachte bomvol spullen en troep lag waar veel brandgevaarlijk materiaal tussen zat zoals papier. Het is een geluk te noemen dat slechts één van de buurwoningen was verhuurd en dat de huurder nog niet in de woning verbleef. Desondanks is de schade enorm. De woning van de verdachte maakte deel uit van een blok woningen dat in 2023 zou worden gesloopt. De brandschade was zo groot dat het niet meer loonde om de woning op te knappen en te verhuren tot aan het moment van de sloop. Feiten als deze roepen bovendien gevoelens van angst en onveiligheid op bij de bewoners en hebben maatschappelijke onrust tot gevolg.
Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit is naar het oordeel van het hof in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur gerechtvaardigd.
Het hof houdt er echter rekening mee dat de brandstichting inmiddels vijf jaren geleden heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft ondanks deze lange periode van onzekerheid, waarin zij ruim drie maanden heeft vastgezeten, sindsdien haar leven behoorlijk op de rit gekregen en zij heeft inmiddels een (nieuwe) eigen woning. Het hof acht het in het belang van de samenleving dat dit zo blijft. In
dat kaderoverweegt het hof dat het zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de hoeveelheid spullen in de woning van de verdachte en het feit dat zij binnen afzienbare tijd gedwongen haar woning diende te verlaten zonder dat er zicht was op een in haar ogen acceptabele vervangende woning, belangrijke factoren zijn geweest bij de beslissing van de verdachte om haar woning in brand te steken. Het is dan ook mede voor de samenleving belangrijk dat de huidige stabiele situatie in stand blijft. Ook weegt het hof mee dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij wist dat op het moment van de brand in de belendende woningen geen personen aanwezig waren en dus geen fysiek gevaar voor haar directe buren bestond. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet wenselijk en noodzakelijk dat de verdachte (zonder meer) opnieuw komt vast te zitten. Wel is het van groot belang dat er nog een deel voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd hangt van de verdachte. Hiermee beoogt het hof enerzijds de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Bij dat voorwaardelijk deel gevangenisstraf zal het hof bijzondere voorwaarden stellen. Het hof ziet in het dossier namelijk aanwijzingen dat de verdachte kampt met psychische problematiek. Zo geeft de verzameldrang van de verdachte (zoals blijkt uit de foto’s van haar woning) sterk te denken. Ook heeft de verdachte ter zitting zelf verklaard dat zij eerder heeft geleden aan onder andere PTSS en catatonie. De verdachte heeft echter geweigerd medewerking te verlenen aan totstandkoming van rapportages en eventuele diagnostiek, zodat de psychische gesteldheid van de verdachte niet helder in beeld is gebracht. Hierin, bezien tegen de achtergrond van de aard en ernst van het bewezenverklaarde, ziet het hof aanleiding de volgende bijzondere voorwaarden te stellen: een meldplicht bij de reclassering en de verplichting mee te werken aan het uitvoeren van verdiepingsdiagnostiek en eventueel daaruit voortvloeiende behandelingen, een en ander zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 25 juni 2021.
Alles overwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Omdat de verdachte al ruim drie maanden heeft vastgezeten betekent dit dat zij niet terug hoeft naar de gevangenis, mits zij zich aan de voorwaarden houdt.
Bij de bepaling van de straf dient echter ook rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar het oordeel van het hof is in deze strafzaak sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, terwijl die overschrijding niet (geheel) aan de verdachte kan worden toegerekend. Het betreft een overschrijding van meer dan twee jaar in hoger beroep. Het hof ziet vanwege deze overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om het eerder genoemde voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te korten. In plaats van een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, legt het hof daarom op een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Meldplicht bij de reclassering
De verdachte dient zich binnen vijf werkdagen (tussen 9.00 en 12.00 uur) volgend op het
onherroepelijk worden van het arrest, te melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres:
[adres 3]. Hierna moet betrokkene zich blijven melden zolang de
reclassering dit nodig acht.
Meewerken aan verdiepingsdiagnostiek
Betrokkene werkt mee aan het uitvoeren van de verdiepingsdiagnostiek door Forensisch Polikliniek
Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en werkt mee aan het daaruit
voortkomende plan van aanpak/behandelplan, zoals een ambulante behandeling.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. M.T.C. de Vries en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2025.
[..]