De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter op 20 augustus 2024. De dagvaarding was niet persoonlijk betekend, maar de uitspraak werd elektronisch aan de verdachte betekend via MijnOverheid op 29 augustus 2024, waarbij ook daadwerkelijk werd ingelogd op het account van de verdachte.
De verdediging stelde dat deze elektronische betekening niet voldoende was om te concluderen dat de uitspraak bekend was bij de verdachte, en dat de termijn voor hoger beroep daarom niet was gaan lopen. Het hof oordeelde echter dat op grond van artikel 36f lid 2 Sv elektronische betekening als betekening in persoon geldt wanneer de betrokkene zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening.
De verdachte stelde het hoger beroep pas op 3 december 2024 in, ruim na de wettelijke termijn die eindigde op 12 september 2024. Er waren geen omstandigheden die de termijnoverschrijding konden verontschuldigen. Daarom verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.