Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het verkrijgen van het huurrecht van de woning. Beiden hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet bij familieleden terecht kunnen, sociale binding hebben met de woning en de woonomgeving, medische klachten hebben en zich verplaatsen met een scootmobiel. Vaststaat dat beide partijen vanwege hun beperkte financiële middelen geen woning kunnen huren in de vrije sector en dat de vrouw niet – op korte termijn – in aanmerking komt voor een sociale huurwoning, nu zij niet ingeschreven staat bij een woningbouwvereniging.
Het hof is na een afweging van de belangen van partijen van oordeel dat het belang van de vrouw bij toedeling van het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de man daarbij.
Doorslaggevend is naar het oordeel van het hof het feit dat de woning in 2011 is toegewezen in verband met een medische urgentie van de vrouw. De woning was destijds gedeeltelijk aangepast aan de medische beperkingen van de vrouw, zoals een douchestoel en een aangepast toilet. Later is het balkon opgehoogd en zijn alle drempels in de woning verwijderd, zodat de woning voor de vrouw geheel toegankelijk is gemaakt om daarin met gebruik van haar rolstoel te bewegen.
Bij de weging van de belangen van partijen heeft het hof voorts betrokken dat de man, zoals hij ter zitting in hoger beroep ook heeft meegedeeld, reeds een aantal keren een seniorenwoning aangeboden heeft gekregen, maar deze woningen heeft geweigerd omdat deze hem, na bezichtiging, niet bevielen vanwege de beperkte grootte of een te hoge huurprijs. Daarnaast heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard niet te weten of hij in aanmerking komt voor huursubsidie – wat gezien zijn geringe inkomsten volgens het hof wel aannemelijk is – en of hij, vanwege zijn gestelde ernstige hartklachten, in aanmerking komt voor een medische urgentie. Deze factoren kunnen de kansen van de man op een alternatieve woning aanzienlijk vergroten.
Ten aanzien van de stelling van de man dat de kans groot is dat de vrouw vanwege haar ernstige medische klachten niet zelfstandig zal kunnen blijven wonen en in een verzorgingstehuis terechtkomt, waardoor de woning verloren zal gaan, overweegt het hof dat niet gebleken is dat dit scenario binnen afzienbare tijd aan de orde zal komen. De vrouw heeft deze stelling van de man uitdrukkelijk betwist en naar voren gebracht dat zij, in het geval zij het huurrecht toegewezen krijgt, aanspraak kan maken op (huishoudelijke) hulp en/of thuiszorg. Daar is de vrouw tot op heden nog niet voor in aanmerking gekomen omdat de man thans ook nog in de woning verblijft.
Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over het huurrecht van de woning vernietigen en het huurrecht van de woning aan de vrouw toekennen met ingang van 16 december 2025. Dit geeft de man, na het wijzen van deze beschikking, vier weken de tijd om een vervangende woonruimte te regelen.