ECLI:NL:GHAMS:2025:3094

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
200.356.932/01 en 200.356.932/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 821 RvArt. 826 RvArt. 827 lid 1 sub f RvArt. 7:266 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurrecht van de echtelijke woning toegekend aan vrouw met medische beperkingen na echtscheiding

Partijen zijn sinds 1993 gehuwd en wonen sinds 2011 samen in de woning aan de [A-straat] te [plaats A]. Na echtscheiding heeft de rechtbank het huurrecht aan de man toegekend, maar de vrouw kwam in hoger beroep omdat zij niet op de hoogte was van de procedure en meent meer belang te hebben bij het huurrecht vanwege haar ernstige medische beperkingen en afhankelijkheid van de woning.

Het hof heeft de belangen van beide partijen afgewogen. Beide hebben sociale binding met de woning, beperkte financiële middelen en medische klachten. De woning is echter speciaal aangepast aan de vrouw vanwege haar visuele handicap en mobiliteitsbeperkingen. De man heeft meerdere seniorenwoningen geweigerd en onzekerheid over huursubsidie en medische urgentie.

Het hof acht het belang van de vrouw zwaarder en kent haar het huurrecht toe met ingang van 16 december 2025, waarna de man vier weken krijgt om vervangende woonruimte te vinden. Tevens wordt een voorlopige voorziening getroffen zodat de vrouw vanaf die datum het alleengebruik van de woning krijgt. De rest van de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het huurrecht van de echtelijke woning wordt toegekend aan de vrouw met ingang van 16 december 2025, met een voorlopige voorziening voor alleengebruik vanaf die datum.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.356.932/01 en 200.356.932/02
zaaknummer rechtbank: C/13/763377 / FA RK 25-674
beschikking van de meervoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. G.M. Haring en mr. D. Zielstra, beiden advocaat te Amsterdam,
en
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het huurrecht van de echtelijke woning, gelegen aan het adres [A-straat] te [plaats A] (hierna te noemen: de woning).
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 16 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) bepaald dat de man de huurder zal zijn van de woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw is niet verschenen in de procedure bij de rechtbank.
De vrouw is het niet eens met de bestreden beschikking en zij vindt dat zij het huurrecht van de woning dient te krijgen. Ook heeft de vrouw verzocht om het alleengebruik van de woning aan haar te doen toekomen – dus met uitsluiting van de man – gedurende de procedure in hoger beroep.
De man is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 16 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking (zaaknummer: 200.356.932/01). Zij heeft daarbij tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 821 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ingediend (zaaknummer: 200.356.932/02).
2.2
De man heeft op 12 augustus 2025 een verweerschrift ingediend dat naar het hof begrijpt beschouwd moet worden als verweer in zowel de bodemzaak als in de voorlopige voorziening procedure.
2.3
Voorts heeft het hof ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 23 september 2025, met bijlagen;
- een brief van de zijde van de vrouw van 24 september 2025, met een bijlage.
2.3
De zitting heeft op 3 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaten,
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaten van de vrouw hebben een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 1993 te [plaats B] . Partijen hebben de
Nederlandse nationaliteit.
3.2
Partijen wonen sinds 2011 in de woning.
3.3
Bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 16 april 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 27 augustus 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de man bepaald dat hij huurder zal zijn van de woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De beslissing met betrekking tot het huurrecht is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de man alsnog af te wijzen en het huurrecht van de woning aan haar toe te kennen.
Daarnaast verzoekt de vrouw als voorlopige voorziening ex artikel 821 Rv Pro te bepalen dat gedurende de procedure in hoger beroep het alleengebruik van de woning aan haar toekomt, met uitsluiting van de man.
4.3
De man verzoekt:
Primair
a. a) de vrouw niet ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen.
Subsidiair
b) de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Meer subsidiair
c) de echtscheiding tussen partijen gehuwd [in] 1993 te [plaats B] uit te spreken;
d) te bepalen dat het huurrecht van de woning wordt toegedeeld aan de man.

5.De motivering van de beslissing

In de hoofdzaak (zaaknummer 200.356.932/01)
5.1
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f Rv Pro juncto artikel 7:266 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. Voor toewijzing van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan één van de echtgenoten dient een afweging van de belangen van de man en de vrouw te worden gemaakt.
De standpunten
5.2
De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte het huurrecht van de woning aan de man heeft toegekend. De vrouw was niet op de hoogte van de procedure in eerste aanleg en kon dus geen verweer voeren. Zij heeft meer belang bij het huurrecht dan de man.
De woning is volledig afgestemd op en aangepast aan de ernstige medische beperkingen van de vrouw. Zij is er daarom altijd van uitgegaan dat zij voor de rest van haar leven deze woning zou kunnen bewonen en zij heeft zich nadien daarom niet ingeschreven bij een woningbouwvereniging. Een huurwoning in de vrije sector is vanwege de financiële situatie van de vrouw geen optie. De vrouw heeft ook geen familie waar zij terecht kan. Daarnaast is de vrouw visueel gehandicapt en daarom huis- en buurtgebonden. Zij is aangewezen op haar scootmobiel en rolstoel, aldus de vrouw.
5.3
De man stelt dat hij meer recht en belang heeft bij toewijzing van het huurrecht dan de vrouw. De stelling dat de vrouw niet is ingeschreven bij Woningnet omdat zij ervan uit ging dat zij de rest van haar leven in de woning kon blijven, leidt er niet toe dat haar belang bij het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de man. Ook de stelling dat de man geen bijzondere gezondheidsproblemen zou hebben, leidt niet tot een andere conclusie. Dit is juist een reden om aan te nemen dat de vrouw sneller aan een nieuwe woning kan komen aangezien zij al eerder een huis toegewezen heeft gekregen op basis van een medische urgentie. Daarnaast heeft de vrouw de mogelijkheid om een seniorenwoning te verkrijgen. De man spant zich wel in om alternatieve woonruimte te vinden, maar tot op heden heeft dat niet tot succes geleid. De vrouw heeft geen enkele inspanning verricht om alternatieve woonruimte te vinden. De man heeft geen familie of ander netwerk op wie hij kan rekenen. Het feit dat de man kinderen heeft, betekent niet dat hij daar ook daadwerkelijk terecht kan. De man heeft geen financiële middelen om een huurwoning in de vrije sector te bekostigen. Tot slot heeft ook de man een sociale binding met de woning; zijn sociale leven speelt zich af in het appartementencomplex waarin de woning zich bevindt en in de buurt, aldus de man.
Beoordeling door het hof
5.4
Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het verkrijgen van het huurrecht van de woning. Beiden hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet bij familieleden terecht kunnen, sociale binding hebben met de woning en de woonomgeving, medische klachten hebben en zich verplaatsen met een scootmobiel. Vaststaat dat beide partijen vanwege hun beperkte financiële middelen geen woning kunnen huren in de vrije sector en dat de vrouw niet – op korte termijn – in aanmerking komt voor een sociale huurwoning, nu zij niet ingeschreven staat bij een woningbouwvereniging.
Het hof is na een afweging van de belangen van partijen van oordeel dat het belang van de vrouw bij toedeling van het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de man daarbij.
Doorslaggevend is naar het oordeel van het hof het feit dat de woning in 2011 is toegewezen in verband met een medische urgentie van de vrouw. De woning was destijds gedeeltelijk aangepast aan de medische beperkingen van de vrouw, zoals een douchestoel en een aangepast toilet. Later is het balkon opgehoogd en zijn alle drempels in de woning verwijderd, zodat de woning voor de vrouw geheel toegankelijk is gemaakt om daarin met gebruik van haar rolstoel te bewegen.
Bij de weging van de belangen van partijen heeft het hof voorts betrokken dat de man, zoals hij ter zitting in hoger beroep ook heeft meegedeeld, reeds een aantal keren een seniorenwoning aangeboden heeft gekregen, maar deze woningen heeft geweigerd omdat deze hem, na bezichtiging, niet bevielen vanwege de beperkte grootte of een te hoge huurprijs. Daarnaast heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard niet te weten of hij in aanmerking komt voor huursubsidie – wat gezien zijn geringe inkomsten volgens het hof wel aannemelijk is – en of hij, vanwege zijn gestelde ernstige hartklachten, in aanmerking komt voor een medische urgentie. Deze factoren kunnen de kansen van de man op een alternatieve woning aanzienlijk vergroten.
Ten aanzien van de stelling van de man dat de kans groot is dat de vrouw vanwege haar ernstige medische klachten niet zelfstandig zal kunnen blijven wonen en in een verzorgingstehuis terechtkomt, waardoor de woning verloren zal gaan, overweegt het hof dat niet gebleken is dat dit scenario binnen afzienbare tijd aan de orde zal komen. De vrouw heeft deze stelling van de man uitdrukkelijk betwist en naar voren gebracht dat zij, in het geval zij het huurrecht toegewezen krijgt, aanspraak kan maken op (huishoudelijke) hulp en/of thuiszorg. Daar is de vrouw tot op heden nog niet voor in aanmerking gekomen omdat de man thans ook nog in de woning verblijft.
Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over het huurrecht van de woning vernietigen en het huurrecht van de woning aan de vrouw toekennen met ingang van 16 december 2025. Dit geeft de man, na het wijzen van deze beschikking, vier weken de tijd om een vervangende woonruimte te regelen.
In de voorlopige voorziening (zaaknummer 200.356.932/02)
5.5
Gelet op het tijdstip van indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening is de vrouw ontvankelijk in dit verzoek en heeft zij gelet op artikel 826 Rv Pro belang bij een beslissing op dit verzoek.
5.6
Aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld over de huidige situatie waarin zij nog samen in de woning verblijven, is het hof gebleken dat de onderlinge verhouding tussen partijen slecht is en dat zij niet meer gezamenlijk in de woning kunnen verblijven. Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor in de bodemzaak onder punt 5.1 t/m 5.4 heeft overwogen over de toekenning van het huurrecht van de woning aan de vrouw, is het hof van oordeel dat de vrouw er belang bij heeft dat als voorlopige voorziening gaat gelden dat zij het alleengebruik van de woning krijgt vanaf 16 december 2025. Het hof zal aldus beslissen.

6.De beslissing

Het hof:
in de hoofdzaak (200.356.932/01)
vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover het de beslissing over het huurrecht van de woning betreft en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning, gelegen aan het [A-straat] te [plaats A] , met ingang van 16 december 2025;
verklaart de beschikking met betrekking tot het huurrecht van de woning uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte;
in de voorlopige voorziening (200.356.932/02)
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan het [A-straat] te [plaats A] .
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. P.F.E Geerlings en mr. E.S. Jansen, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 18 november 2025 uitgesproken in het openbaar.