ECLI:NL:GHAMS:2025:3093

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
200.358.042/01 + 02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats, schoolinschrijving en zorg- en vakantieregeling voor minderjarige in hoger beroep

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Amsterdam op 18 november 2025, gaat het om de hoofdverblijfplaats en schoolinschrijving van de minderjarige [minderjarige], geboren in 2021. De rechtbank Noord-Holland had eerder bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de vader zou zijn, wat de moeder in hoger beroep aanvecht. De moeder verzoekt om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [school 1] in [plaats A]. De vader verzet zich tegen deze verzoeken en vraagt om bekrachtiging van de eerdere beschikking.

De moeder voert aan dat [minderjarige] altijd bij haar heeft gewoond en dat de huidige regeling te belastend is voor het kind, gezien de afstand tussen de woningen van de ouders. De vader daarentegen stelt dat [minderjarige] goed gedijt in [plaats B] en dat de huidige zorgregeling goed functioneert. Het hof overweegt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader moet blijven, gezien de stabiliteit die dit biedt. De moeder's verzoek om de schoolinschrijving en de zorgregeling wordt afgewezen, maar het hof wijst op de noodzaak voor beide ouders om samen te werken aan een passende regeling in het belang van [minderjarige].

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.042/01 + 02
zaaknummer rechtbank: C/15/364957 / FA RK 25-2289
beschikking van de meervoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. E.A. Boitelle te Utrecht,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. D. Eijpe te Utrecht.
Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren [in] 2021 te [plaats C] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats en schoolinschrijving van [minderjarige] , en over de zorg- en vakantieregeling.
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 21 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn en een zorg- en vakantieregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de moeder.
De moeder is het hier niet mee eens en wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal zijn, dat [minderjarige] zal worden ingeschreven op de [school 1] te [plaats A] en dat er een andere zorg- en vakantieregeling wordt vastgesteld.
De vader is het eens met de bestreden beschikking en wil dat de verzoeken van de moeder worden afgewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 13 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking (200.358.042/01). Zij heeft daarbij een verzoek ingediend om de werking van de bestreden beschikking te schorsen (200.358.042/02).
2.2
De vader heeft op 5 september 2025 in de zaak met zaaknummer 200.358.042/02 een verweerschrift tegen het schorsingsverzoek van de moeder ingediend. In de zaak met zaaknummer 200.358.042/01 heeft hij zelfstandige verzoeken, het hof begrijpt incidenteel hoger beroep, ingediend.
2.3
De moeder heeft op 23 september 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Op 26 september 2025 heeft de vader een verweerschrift ingediend in de zaak met zaaknummer 200.358.042/01 en op 3 oktober 2025 heeft de vader zijn zelfstandige verzoeken/incidenteel hoger beroep in deze zaak ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist.
2.5
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 12 september 2025 met producties;
- een bericht van de zijde van de vader van 22 september 2025 met productie;
- een bericht van de zijde van de moeder van 3 oktober 2025 met producties;
- een bericht van de zijde van de vader van 6 oktober 2025 met productie.
2.6
De zitting heeft op 15 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen, ieder bijgestaan door zijn/haar advocaat. De raad is, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen wegens ziekte van de zittingsvertegenwoordiger.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats C] .
3.2
De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.3
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 22 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld tot nakoming van de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling, op straffe van een dwangsom en de vader vervangende toestemming verleend voor de inschrijving van [minderjarige] op de basisschool De [school 2] in [plaats B] en voor het aanvragen van een nieuw paspoort voor [minderjarige] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld inhoudende dat [minderjarige] bij de moeder verblijft van woensdagmiddag 12:00 uur, althans uit school, tot zondag 09:00 uur. Verder heeft de rechtbank de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte verdeeld, waarbij geldt dat:
- in schoolvakanties van één week voornoemde reguliere zorgregeling zal doorlopen;
- [minderjarige] in de zomervakantie drie weken aaneensluitend bij iedere ouder verblijft;
- [minderjarige] in de overige vakanties het ene jaar de eerste week bij de ene ouder verblijft en de tweede week bij de andere ouder, en in het daaropvolgende jaar andersom;
- de kerstdagen apart worden verdeeld in die zin dat [minderjarige] het ene jaar Eerste Kerstdag bij de ene ouder viert en Tweede Kerstdag bij de andere ouder en in het daaropvolgende jaar andersom;
- [minderjarige] tijdens oud en nieuw het ene jaar bij de ene ouder verblijft en het andere jaar bij de andere ouder.
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder (om vervangende toestemming te verlenen) om [minderjarige] op de basisschool [school 1] te [plaats A] in te schrijven, afgewezen, en de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad bepaald.
4.2
De moeder verzoekt in de zaak met zaaknummer 200.358.042/02 de bij de bestreden beschikking uitgesproken uitvoerbaarheid bij voorraad met onmiddellijke ingang te schorsen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
In de zaak met zaaknummer 200.358.042/01 verzoekt de moeder, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn, vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] per direct in te schrijven op de [school 1] te [plaats A] en een zorg- en vakantieregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] :
- om de week van vrijdagmiddag uit school, dan wel op een schoolvrije vrijdag vanaf 08.30 uur bij de vader zal verblijven tot zondagmiddag 16.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] vrijdag ophaalt uit school, dan wel op een schoolvrije dag bij de moeder thuis en de moeder [minderjarige] op zondag bij de vader thuis ophaalt,
alsmede een vakantieregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] :
- de helft van de vakanties en feestdagen bij beide ouders verblijft, verdeeld in even en oneven jaren, waarbij geldt dat hij niet langer dan 14 dagen achtereen bij een van de ouders verblijft tot hij de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, waarna de zomervakantie bij helfte gedeeld kan worden in een verblijf van 3 weken aaneengesloten bij beide ouders,
- te bepalen dat hij op Moederdag bij de moeder is en op Vaderdag bij de vader,
althans een beslissing te geven zoals het hof dat in goede justitie juist en in het belang van [minderjarige] acht.
4.4
De vader verzoekt alle verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

In de procedure met zaaknummer 200.358.042/01
5.1
De moeder heeft tegen de bestreden beschikking 16 grieven aangevoerd (genummerd 1 tot en met 17, de grief genummerd 12 ontbreekt), die het hof hierna tezamen zal behandelen. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.
Wettelijk kader
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.
5.3
De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen.
De standpunten
5.4
De moeder voert aan dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] ten onrechte bij de vader is bepaald. [minderjarige] woont sinds zijn geboorte in [plaats A] bij de moeder en al vanaf het moment dat hij 1,5 maand oud was heeft hij meer tijd in [plaats A] dan in [plaats B] doorgebracht. [minderjarige] heeft dan ook bij de moeder in [plaats A] al voor langere tijd een stabiele basis. De moeder beschikt over een woning van haar ouders waar zij kan blijven zo lang zij dit wenst. [minderjarige] heeft derhalve altijd zijn hoofdverblijf bij de moeder gehad. Dat is ook tussen partijen zo afgesproken. [minderjarige] is wel degelijk geworteld in [plaats A] ; dat hij hier nog niet naar school is gegaan doet hier niet aan af.
De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat de moeder op sommige momenten ondersteuning nodig zou hebben bij de opvoeding van [minderjarige] . Dit is nergens op gebaseerd; de moeder heeft juist altijd een grote taak gehad in de verzorging van [minderjarige] . De moeder heeft bovendien een groot netwerk. Oma (mz) is vaak aanwezig in de woning om te helpen met de opvoeding van [minderjarige] , de broer van moeder woont in [plaats D] en verder wonen haar twee beste vriendinnen in de buurt, te weten in [plaats E] en [plaats A] .
De moeder heeft een baan bij de gemeente [plaats A] waarmee zij in de kosten van [minderjarige] en zichzelf kan voorzien en bovendien heeft zij de flexibiliteit om tijdens de schooluren van [minderjarige] te werken. Er zal dus niet of nauwelijks opvang nodig zijn.
De situatie van de vader is allesbehalve stabiel. Er is sprake van een financiële wanorde, de vader is failliet, en de vader heeft slechts een tijdelijke woonruimte. Begin april 2025 heeft de vader naar eigen zeggen de huur van zijn woning moeten opzeggen. De vader zal deze woning hoe dan ook op enig moment moeten verlaten, omdat hij niet in staat is de hoge huurlast te voldoen. Ook is volgens de moeder bij de vader sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast kan de vader door zijn werk in [plaats F] een groot deel van de week niet zelf voor [minderjarige] zorgen en moet hij de zorg aan derden overlaten.
Het is dan ook in het belang van [minderjarige] om zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen. Dit brengt mee dat de moeder wenst dat [minderjarige] ook naar school zal gaan in [plaats A] , te weten naar de basisschool [school 1] , een kleine gemengde school op 5 minuten fietsafstand van de woning van de moeder.
5.5
De moeder heeft grote bezwaren tegen de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Het grootste probleem zit in de afstand tussen de woningen van partijen, hierdoor zijn de reisbewegingen die [minderjarige] meerdere keren per week moet afleggen zeer belastend.
In de door de rechtbank vastgestelde regeling moet [minderjarige] drie middagen en twee ochtenden per week heen en weer gesleept worden tussen [plaats A] en [plaats B] . De enkele reistijd bedraagt in normale omstandigheden, dus zonder vertraging of uitval van treinen, 20 minuten fietsen, 50 à 60 minuten in de trein en 35 minuten lopen. Dat geldt voor zowel de ochtend als de middag, dus per keer 105 tot 115 minuten reistijd in normale omstandigheden. Een auto zal de reisduur enigszins beperken, maar dan nog gaat het om een reisduur van tenminste een uur enkele reis, gedurende de hele dag en met name in de ochtend. De vader heeft overigens geen auto voor de moeder gekocht of voor haar (laten) kopen zoals hij bij de zitting bij de rechtbank had toegezegd, zodat moeder afhankelijk blijft van het openbaar vervoer.
Verder geldt dat [minderjarige] in de huidige regeling en zodra hij ook op de vrijdag naar school zal gaan, op de woensdag, donderdag en vrijdag uit school naar de BSO zal moeten gaan omdat de moeder hem niet eerder kan ophalen, zij verliest daardoor eenvoudigweg te veel werktijd. Dit acht de moeder niet in het belang van [minderjarige] .
De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat zij de hoop heeft dat de moeder in de toekomst naar de omgeving van [plaats B] zal verhuizen om zo de regeling makkelijker te maken. De moeder heeft echter haar hele leven in de omgeving [plaats A] gewoond, met uitzondering van de periodes dat ze bij de vader in [plaats B] verbleef. De moeder heeft in [plaats A] haar (t)huis, haar basis, haar familie, haar werk en haar vriendinnen. De moeder komt ook helemaal niet in aanmerking voor een huurwoning in [plaats B] . De wachttijd voor een sociale huurwoning in [plaats B] (gemeente [gemeente] ) is momenteel aanzienlijk. De moeder heeft ook geen financiële ruimte om een woning in de vrije sector te huren, zodat een verhuizing naar [plaats B] geen mogelijkheid is.
Als het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder wordt bepaald dan kan er met de vader een zorgregeling overeengekomen worden, die zo veel mogelijk aansluit bij zijn huidige werkzaamheden en minder reistijd betekent voor [minderjarige] dan in de huidige regeling. De moeder staat het contact tussen [minderjarige] en de vader niet in de weg.
5.6
Ten aanzien van de vakantieregeling blijft de moeder erbij dat zij, gezien de nog jonge leeftijd van [minderjarige] , het niet eens is met een gelijke verdeling van de zomervakantie in die zin dat [minderjarige] drie weken aaneengesloten bij ieder van de ouders verblijft. Zij is van mening dat [minderjarige] tot de leeftijd van 12 jaar maximaal 14 dagen aaneengesloten bij een van de ouders kan verblijven.
5.7
De vader ontkent al hetgeen door de moeder is gesteld. Onjuist is dat [minderjarige] vanaf zijn geboorte de meeste tijd bij de moeder zou hebben doorgebracht. [minderjarige] stond in zijn eerste levensjaren ingeschreven in [plaats B] , bij de vader. In de periode vanaf september 2022 hadden partijen af en aan een relatie, waarbij [minderjarige] in genoemde periode veelal voor de helft van de tijd bij de vader in [plaats B] verbleef en bij de moeder in [plaats A] . In de periodes dat sprake was van een relatie verbleef [minderjarige] (met de moeder) meer bij de vader in [plaats B] en als er geen sprake was van een relatie dan verbleef [minderjarige] bij de moeder in [plaats A] en was hij vanaf zondagochtend tot en met dinsdagavond bij de vader. [minderjarige] heeft van augustus 2024 tot april 2025 (met toestemming van de vader) tijdelijk met de moeder in Indonesië gewoond met als doel hiernaartoe te emigreren; vader heeft in deze periode tweemaal een maand in Indonesië verbleven. Nadat de moeder terugkwam uit Indonesië werd de omgang tussen de vader en [minderjarige] geweigerd. De vader heeft hierop een gerechtelijke procedure moeten starten.
De vader voert aan dat de moeder haar woede niet onder controle heeft. Als zij woedend is dan is zij grenzeloos in haar gedrag. Zo heeft zij onder meer in juli 2023 de woning van de vader compleet vernield en heeft zij de vader meermalen bedreigd.
De vader betwist dat zijn persoonlijkheid en zijn leven niet stabiel genoeg zouden zijn om voor [minderjarige] te zorgen. De vader heeft een vaste baan bij een vishandel in [plaats F] en hij heeft een woning in [plaats B] . Daarbij heeft hij een uitgebreid netwerk in [plaats B] , in tegenstelling tot de moeder die in [plaats A] niet of nauwelijks een netwerk heeft. De vader heeft alle mogelijkheden om [minderjarige] een fijn leven te geven in [plaats B] . Het gaat goed met [minderjarige] , hij zit inmiddels op school, heeft vriendjes en is aan het leven in [plaats B] gewend. De hoofdverblijfplaats is dan ook terecht bij de vader bepaald, evenals de keuze voor de school in [plaats B] .
5.8
De vader is van mening dat de in de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling in stand moet blijven. Hij betwist dat de reisbewegingen voor [minderjarige] te belastend zouden zijn, nu de enkele reis per auto gewoon 35 minuten bedraagt.
Dat partijen nog geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over een door de vader voor de moeder aan te schaffen auto is geheel te wijten aan de moeder. De vader heeft een ruim aanbod gedaan, maar de moeder blijft onredelijke voorstellen doen ten aanzien van het type auto en staat erop dat deze auto op naam van de vader moet blijven staan waardoor hij alle risico’s loopt voor een auto waar hij niet in rijdt. De vader heeft tot slot nog voorgesteld om de lasten van de auto geheel te voldoen als de moeder inzage geeft in haar financiële situatie, maar dit heeft de moeder geweigerd.
De vader voert nog aan dat hij, in de tijd dat [minderjarige] bij hem verblijft, iedere ochtend [minderjarige] zelf naar school brengt. In de middag verblijft [minderjarige] ofwel op de BSO, dan wel wordt hij verzorgd door de twee dochters van de vader – [minderjarige] is dol op zijn zussen – totdat de vader thuiskomt. De vader acht het in het belang van [minderjarige] dat hij ook voldoende tijd kan doorbrengen met zijn zussen.
De beoordeling door het hof
5.9
Het hof overweegt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] als volgt.
Duidelijk is geworden dat de vader in [plaats B] woonde en de moeder in [plaats A] en dat [minderjarige] , na zijn geboorte tot augustus 2024, substantiële periodes met zijn vader en moeder in [plaats B] heeft gewoond. In de periodes waarin geen sprake was van een relatie tussen partijen verbleef [minderjarige] bij de moeder, maar ook een groot deel van de week bij de vader. Van augustus 2024 tot april 2025 verbleef [minderjarige] , met toestemming van de vader, met de moeder in Indonesië, waarbij de vader hen aldaar nog tweemaal gedurende een maand heeft bezocht.
Het hof leidt hieruit af dat tot de bestreden beschikking [minderjarige] niet op een specifieke plaats is geworteld door de verschillende plekken waar hij heeft verbleven en doordat beide partijen [minderjarige] hebben verzorgd.
Gebleken is dat de moeder na definitieve beëindiging van de relatie in het voorjaar van 2025 niet altijd (volledig) medewerking heeft verleend aan contact tussen de vader en [minderjarige] . Zo heeft de moeder na terugkomst uit Indonesië [minderjarige] niet naar de vader laten gaan, hetgeen reden voor de vader was om de procedure bij de rechtbank te starten. De vader heeft [minderjarige] toen een maand niet gezien. Verder heeft de moeder na afgifte van de bestreden beschikking deze beslissing niet nageleefd, waardoor de vader zich genoodzaakt zag een kort geding tot nakoming van de zorgregeling te starten. Hierdoor is de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling uiteindelijk gestart en de regeling verloopt sindsdien volgens zowel de moeder als de vader naar behoren. Daarmee is regelmaat in contact met beide ouders gekomen en voorspelbaarheid voor [minderjarige] ontstaan. De huidige situatie laat zien dat stabiliteit voor [minderjarige] wordt geboden: hij is blij om zowel zijn vader als zijn moeder te zien, hij geniet ook van het contact met zijn zussen.
Het hof heeft voorts in overweging genomen dat [minderjarige] inmiddels alweer enige tijd in [plaats B] woont, dat beide partijen hebben laten weten dat het goed met [minderjarige] gaat en dat vader onbetwist heeft aangevoerd dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft in [plaats B] , dat de zorg en opvang goed is geregeld, , dat het goed gaat op school. [minderjarige] heeft vriendjes in [plaats B] en hij kan ook veel tijd doorbrengen met zijn (half)zussen. Het hof gaat er daarbij van uit dat de vader kan blijven wonen in zijn huidige woning in [plaats B] , zoals hij tijdens de zitting heeft bevestigd. Het hof constateert tot slot dat er geen contra-indicaties zijn gebleken voor vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de vader. Het hof acht het, al met al, in het belang van [minderjarige] dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader is.
5.1
Nu het hof de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats zal bekrachtigen, zal het hof evenals de rechtbank het verzoek van de moeder ter zake de school van [minderjarige] afwijzen.
5.11
Met partijen en de rechtbank in de bestreden beslissing, is het hof van oordeel dat er sprake dient te zijn van een gelijkwaardig ouderschap. Beide partijen houden veel van [minderjarige] en het is in zijn belang dat hij verzorgd wordt door zijn beide ouders. Ook is het van belang dat beide ouders betrokken bij [minderjarige] zijn en blijven en dat zij beiden verantwoordelijk voor hem zijn.
Gelijkwaardig ouderschap betekent evenwel niet dat de zorg daadwerkelijk altijd gelijk in tijd verdeeld dient te zijn. Een regeling waarbij [minderjarige] zo veel mogelijk de helft van de tijd bij de moeder en de helft van de tijd bij de vader verblijft acht het hof wel in zijn belang.
In het onderhavige geval is echter sprake van complicaties bij de uitvoering van een dergelijk co-ouderschap. Immers, door de reisafstand [plaats B] – [plaats A] betekent dit een extra belasting voor [minderjarige] (en de moeder) op de dagen dat hij bij de moeder is. Voorts dient rekening te worden gehouden met het werk van de vader; die kan vanwege zijn werkrooster [minderjarige] immers niet het hele weekend opvangen. Partijen hebben hierin (nog) niet zelf een oplossing kunnen vinden, anders dan dat de moeder de belasting voor [minderjarige] tijdelijk beperkt door hem op de vrijdag thuis te houden van school, nu dat nog kan omdat hij niet leerplichtig is.
Het hof wijst partijen erop dat, in het kader van het gelijkwaardig ouderschap, de verantwoordelijkheid bij hen als ouders ligt om een passende regeling in het belang van [minderjarige] af te spreken en het hof roept partijen uitdrukkelijk op om samen, met behulp van (professionele) hulpverlening de zorgregeling in te vullen. Als een verhuizing van de moeder naar [plaats B] geen optie is, dan kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verschuiven van de huidige dagen in die zin dat doordeweeks zo min mogelijk reisbewegingen worden gemaakt. Het is aan partijen om vanuit hun ouderlijke verantwoordelijkheid in het belang van [minderjarige] ter zake de zorgregeling tot maatwerk te komen
.
Het hof zal, gezien de huidige situatie, te weten dat de regeling momenteel goed verloopt en niet tegen het belang van [minderjarige] ingaat, het goed gaat met [minderjarige] en zijn belasting op dit moment beperkt is doordat hij op de vrijdag nog niet naar school gaat, de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling bekrachtigen. Het hof merkt uitdrukkelijk op, dat het hierbij wel van belang is dat beide partijen zich ervoor inspannen dat de moeder zo snel mogelijk over de door de vader toegezegde auto kan beschikken.
5.12
De moeder is het er niet mee eens dat [minderjarige] drie weken aaneengesloten bij ieder van de ouders verblijft in de zomervakantie. Volgens haar is [minderjarige] daarvoor nog te jong en dient hij tot de leeftijd van 12 jaar niet langer dan 14 dagen achtereen bij een van de ouders te verblijven.
Het hof is met de moeder van oordeel dat drie weken zonder de andere ouder lang is voor een kind van 4 of 5 jaar. Het hof zal daarom bepalen dat de zomervakantie 2026 zal worden verdeeld in die zin dat [minderjarige] eerst twee weken bij de ene ouder verblijft, vervolgens twee weken bij de andere ouder, dan weer een week bij de ene ouder en tot slot een week bij de andere ouder. Op die manier is er ruimte voor de ouders om, als zij dat willen, weg te gaan met [minderjarige] en is [minderjarige] niet te lang zonder de andere ouder.
Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd echter onvoldoende redenen om genoemde regeling voort te zetten totdat [minderjarige] 12 jaar is. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] om met ingang van 2027 de zomervakantie te verdelen in die zin dat [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij ieder van de ouders verblijft.
In de procedure met zaaknummer 200.358.042/02 (schorsingsverzoek)
5.13
Gelet op voornoemde beslissing in de bodemprocedure heeft de moeder naar het oordeel van het hof geen belang meer bij een beslissing op haar schorsingsverzoek, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de daarin bepaalde verdeling van de zomervakantie en, in zoverre opnieuw rechtdoende,
stelt, uitvoerbaar bij voorraad, een vakantieregeling voor de zomervakantie vast waarbij:
- [minderjarige] in 2026 de eerste twee weken bij de moeder is, vervolgens twee weken bij de vader, dan weer een week bij de moeder en tot slot een week bij de vader, en
- [minderjarige] vanaf 2027 drie aaneengesloten weken bij ieder van partijen verblijft;
bekrachtigt de beslissing waarvan beroep voor het overige;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. P.F.E. Geerlings en mr. F. Kleefmann, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.