De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die de kinderalimentatie van de man aan zijn kinderen verhoogde. De man betwist de hoogte en de ingangsdatum van de alimentatieverplichting en verzoekt om een lagere bijdrage, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelt voor een hogere alimentatie over een bepaalde periode.
Partijen zijn voormalig gehuwd en hebben samen twee kinderen, waarvan één jongmeerderjarig en één minderjarig. De man is hertrouwd en heeft twee kinderen uit dat huwelijk. De alimentatie is herberekend in het licht van gewijzigde omstandigheden, waaronder het ontbreken van omgang tussen de man en de kinderen uit het eerste huwelijk.
Het hof bepaalt de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie op 1 januari 2025, omdat eerdere data leiden tot onredelijke terugwerkende kracht. De alimentatie wordt vastgesteld in vier periodes, rekening houdend met meerderjarigheid, daling inkomen en zelfstandige voorziening van de oudste zoon. De draagkracht van de man wordt verdeeld naar rato van de behoeften van alle vier de kinderen.
De man mag de achterstallige alimentatie in drie termijnen voldoen wegens financiële beperkingen. De proceskosten worden gecompenseerd. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hof wijzigt de alimentatiebedragen conform de berekeningen en overwegingen in het arrest.