ECLI:NL:GHAMS:2025:2985

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
200.351.185/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling conform wens minderjarige

In deze zaak gaat het om de wijziging van de zorgregeling voor de 13-jarige minderjarige [minderjarige], die onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers (GI). De moeder, verzoekster in hoger beroep, is het niet eens met de wijziging die door de kinderrechter is vastgesteld op 14 november 2024, waarbij de zorgregeling is aangepast. De moeder verzoekt om de oorspronkelijke co-ouderschapsregeling te herstellen, terwijl de GI en de vader de wijziging ondersteunen. De moeder stelt dat de wijziging niet in het belang van [minderjarige] is en dat deze leidt tot meer onrust. Het hof heeft de zaak behandeld en de minderjarige in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 juni 2025 is gebleken dat [minderjarige] behoefte heeft aan meer rust en minder wisselmomenten tussen de ouders. Het hof heeft de zorgregeling aangepast, zodat [minderjarige] in de oneven weekenden bij de moeder verblijft van vrijdag na school tot maandagavond 18.30 uur, en voor het overige bij de vader. Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter vernietigd en de gewijzigde zorgregeling vastgesteld, in het belang van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.351.185/01
zaaknummer rechtbank: C/15/357381 /JU RK 24-1428
beschikking van de meervoudige kamer van 4 november 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,
en
De gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [de vader] , hierna: de vader,
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Alkmaar,
gevestigd te Den Haag,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) tussen partijen betreffende hun dochter [minderjarige] (13 jaar) die onder toezicht van de GI is gesteld.
1.2
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter) heeft in haar beschikking van 14 november 2024 op verzoek van de GI de zorgregeling gewijzigd.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de oorspronkelijke (co-ouderschaps)regeling wordt hervat.
De GI is het eens met de bestreden beschikking.
De vader is het ook eens met de bestreden beschikking, maar wil graag dat [minderjarige] de flexibiliteit krijgt om ook buiten de regeling om bij haar moeder te verblijven.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 14 februari 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 1 april 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De vader heeft op 3 april 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 6 juni 2025 met bijlagen (prod. 19-23);
- een bericht van de vader van 11 juni 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 12 juni 2025 met bijlage (prod. 24).
2.5
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en in aanwezigheid van de griffier met de voorzitter gesproken. De voorzitter heeft ter zitting de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.6
De zitting heeft op 18 juni 2025 plaatsgevonden.
Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M. van der Weide, advocaat te Heerhugowaard;
- een vertegenwoordiger van de GI; en
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
Van de mondelinge behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt met procesafspraken over de verdere voortgang van de procedure.
2.7
De ter zitting gemaakte procesafspraken houden samengevat in dat de GI wordt verzocht om de zorgregeling die [minderjarige] zelf wenst (en die in de procedure niet door de GI of de moeder wordt verzocht) met [minderjarige] te bespreken en het verzoek op basis daarvan te verduidelijken of aan te passen. Daarbij is de GI verzocht zich hierover binnen vier weken na de zitting uit te laten, waarna de moeder en de vader ieder twee weken de gelegenheid hebben gekregen hierop te reageren.
2.8
Na de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de vader van 25 juli 2025;
- een bericht van de GI van 28 juli 2025;
- een bericht van de moeder van 28 juli 2025;
- een bericht van de zijde van de vader van 29 juli 2025;
- een bericht van de zijde van de GI van 8 augustus 2025, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 26 augustus 2025;
- een bericht van de zijde van de vader van 6 september 2025.

3.De feiten

3.1
Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren [in] 2012 te [plaats B] . Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 mei 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 18 mei 2026
3.3
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 30 juni 2022 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en is de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige] verblijft in de oneven weken bij de vader en in de even weken bij de moeder, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdagmiddag na school;
- de vakanties worden bij helfte verdeeld, waarbij ten aanzien van de zomervakantie geldt dat [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij beide ouders verblijft en de moeder vanwege haar werk vóór 1 januari van het jaar waarin de zomervakantie valt aan de vader moet aangeven of zij de eerste of de tweede helft van de zomervakantie [minderjarige] bij zich wenst te hebben.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de GI en met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 30 juni 2022 de zorgregeling gewijzigd en bepaald dat [minderjarige] :
- bij de vader verblijft en in de oneven weekenden van vrijdag na school tot zondagavond 18.30 uur bij de moeder is;
- in de even weken één dag per week (dinsdagmiddag) na school bij de moeder gaat eten en om 18.30 uur terug bij de vader is.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de GI alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt de moeder niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Bij bericht van 29 juli 2025 heeft hij zijn verweer aangevuld en subsidiair verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 30 juni 2022 de zorgregeling als volgt te bepalen:
- [minderjarige] verblijft bij de vader en is in de oneven weekenden bij de moeder van vrijdag uit school tot maandagavond na het eten;
- waarbij het [minderjarige] vrij staat om met haar moeder af te spreken wanneer zij daar behoefte aan heeft en het haar dus in die zin vrij staat ‘spontaan’ bij de moeder langs te gaan.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De moeder meent dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de huidige regeling te veel onrust veroorzaakt bij [minderjarige] . Dit is echter onbegrijpelijk in het licht van de beschikking van 30 juni 2022, waarbij de rechtbank voorbij is gegaan aan de stelling van de raad dat een zorgregeling waarbij de zorg gelijk wordt verdeeld, niet geschikt is vanwege spanningen en communicatieproblemen tussen de ouders. Nu worden de spanningen gebruikt als reden voor de wijziging van de zorgregeling en wordt door de kinderrechter niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom dat nu dan wel een geldige reden is. De wijziging heeft geen rust gebracht voor [minderjarige] . Verder begrijpt de moeder niet waarom de kinderrechter zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan haar bezwaren met betrekking tot de opvoedingssituatie bij de vader thuis, terwijl zij bewijs van de psychische problemen van de vader heeft overgelegd, en de GI zelf in de veiligheidslijst van de vader dat als een risicofactor heeft benoemd. De moeder strijdt niet tegen de vader, zoals de GI stelt, maar tegen het wijzigingsverzoek van de GI. De moeder heeft steeds ingezet op parallel solo-ouderschap, waarbij ouders zo min mogelijk contact hebben, wat volgens het Nederlands Jeugdinstituut de communicatie kan verbeteren en rust kan brengen. De vader zet echter in op een SCHIP-traject, waarbij ouders naar een constructieve ouderschapsrelatie toewerken. De vrouw heeft geen vertrouwen in een dergelijk traject. Zij heeft individuele trajecten doorlopen. Gelet op de communicatieproblemen tussen de ouders , zal het ontbreken van parallel solo-ouderschap de situatie alleen maar verergeren. Het wijzigen van de zorgregeling zal niet voor verbetering zorgen, maar slechts leiden tot een beperking van het contact tussen de moeder en [minderjarige] , met het risico dat [minderjarige] het contact met de moeder uit de weg zal gaan. Dit is niet in het belang van [minderjarige] , aldus de moeder.
5.3
De GI voert verweer en stelt dat [minderjarige] sinds de wijziging van de zorgregeling aangeeft dat zij meer rust ervaart. [minderjarige] kampt al lange tijd met een loyaliteitsconflict, waardoor zij geen onbelast contact kan hebben met beide ouders. [minderjarige] vindt het wisselen tussen de ouders belastend en heeft het gevoel te moeten kiezen tussen hen. Dit blijkt niet alleen uit het gedrag van [minderjarige] , maar ook uit de strijd tussen [minderjarige] en de moeder. De verschillen in opvoedstijlen gecombineerd met de slechte communicatie tussen de ouders onderling dragen bij aan de verslechtering van de relatie tussen de moeder en [minderjarige] . Het risico bestaat dat [minderjarige] op den duur zal kiezen voor de ene ouder en het contact met de andere ouder zal verliezen. Om dit te voorkomen acht de GI het van belang dat [minderjarige] uit de strijd van de ouders wordt gehaald. De gewijzigde zorgregeling is beter passend en wenselijk voor [minderjarige] . Deze regeling zal haar in combinatie met de inzet van extra hulpverlening meer rust en ruimte geven, zodat zij zich beter kan focussen op haar eigen ontwikkelingstaken. Zolang de ouders niet samenwerken en [minderjarige] blijft lijden onder hun strijd, is een 50/50 co-ouderschap niet in het belang van [minderjarige] .
De problematiek van de vader is bekend bij de GI. Er is opvoedondersteuning ingezet, die de opvoedvaardigheden van de vader in kaart brengt. Wanneer hier zorgen over zijn, zal er ingezet worden op het uitbreiden of versterken van opvoedvaardigheden.
Met betrekking tot het volgen van een ouderschapstraject heeft de GI gesignaleerd dat het de ouders niet lukt om dit traject te voltooien. Het is de GI duidelijk dat de visie van de moeder niet overeenkomt met dat wat er vanuit de hulpverlening en/of vanuit de GI wordt gezien. De GI hoopt dat er in de toekomst een vorm van samenwerking kan worden gevonden, waarbij de GI en de ouders gezamenlijk in het belang van [minderjarige] kunnen handelen, aldus de GI.
5.4
De vader vindt dat de huidige zorgregeling, zoals vastgesteld in de bestreden beschikking, als uitgangspunt moet gelden, maar dan wel met flexibiliteit. Het is onjuist dat de vader het contact tussen moeder en [minderjarige] wil beperken. Het moet mogelijk zijn voor [minderjarige] om langer bij haar moeder te blijven als zij dat wil, mits dit wordt afgestemd. De vader heeft geen bezwaar tegen meer tijd die [minderjarige] met haar moeder wil doorbrengen. De privédocumenten die de moeder van hem deelt, zijn achterhaald en niet relevant voor deze procedure. Het instellen van hoger beroep veroorzaakt onzekerheid en onrust bij [minderjarige] . De kinderrechter heeft de zorgregeling gewijzigd, omdat de co-ouderschapsregeling te belastend was voor [minderjarige] . De vader werkt volledig mee aan de opvoedondersteuning en de GI kent de situatie goed. Het is zorgelijk dat de moeder ondanks deze ondersteuning blijft vasthouden aan haar kritiek, ook door klachtenprocedures te starten. Het is beide ouders niet gelukt hun onderlinge communicatie te verbeteren. De moeder wilde geen gezamenlijke hulpverlening en koos voor een parallel solo-ouderschapstraject, dat in juli 2024 is beëindigd. Dit speelde mee in het besluit tot wijziging van de zorgregeling. De vader sluit zich aan bij de visie van de GI dat de opvattingen van de moeder niet overeenkomen met die van de hulpverlening. [minderjarige] is inmiddels gewend aan de middelbare school, doet het goed en kan zich beter ontwikkelen onder de huidige zorgregeling. Hij wil dat [minderjarige] een onbezorgde jeugd tegemoet gaat, aldus de vader.
Het advies van de raad
5.5
De raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen en de zorgregeling in stand te laten. Uit het verloop van de ondertoezichtstelling blijkt dat er zorgen bestaan over de strijd tussen de ouders en de praktische zorg bij vader. In 2022 dienden de ouders stappen te maken en nu - 3 jaar later - is er weinig veranderd. [minderjarige] wordt hiermee al langere tijd belast. Er is een loyaliteitsconflict. Zij kan niet onbelast contact hebben met haar ouders. Hoewel de ouders de bedoeling hebben om het goede te doen, is er nog steeds strijd. Dat is terug te zien in de onderlinge mailwisseling en tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep. Het klopt dat – zoals de moeder stelt – afstand schijnrust geeft. Maar die maatregel creëert voor dit moment rust bij [minderjarige] . Daarmee kan [minderjarige] werken aan haar eigen herstel. De ruzies spelen meer bij de moeder dan bij de vader. Vanwege [minderjarige] ’s leeftijd wordt meer en meer gekeken naar wat zij wil, hoe pijnlijk dat ook is voor de moeder. Rust is nu belangrijk en daarna kan weer worden gekeken naar het contact met beide ouders. De ouders moeten in de tussentijd werken aan een meer stabiele situatie voor [minderjarige] .
Wat betreft de situatie van de vader vindt de raad dat het hof hierover moet oordelen. De stukken die de moeder heeft overgelegd, hebben een geldigheid van twee jaar. De raad stelt zich voor dat als de rust niet gaat komen, [minderjarige] nog meer verwijderd raakt van de moeder en dat is niet in haar belang. Ze trekt nu meer naar vader toe. De raad roept de ouders dan ook op meer samen te werken en niet te verzanden in discussies over kleine punten.
De beoordeling door het hof
5.6
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is het volgende gebleken.
[minderjarige] is bij beschikking van 18 mei 2022 onder toezicht gesteld van de GI, omdat zij ernstig in haar ontwikkeling werd bedreigd door de spanningen, het wantrouwen en de strijd die tussen de ouders is ontstaan sinds zij uit elkaar zijn. Hierdoor was het voor [minderjarige] niet mogelijk om onbelast contact te hebben met haar ouders. Zij dreigde (verder) klem te raken tussen de ouders en werd in een loyaliteitsconflict gebracht. Inmiddels heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 mei 2026, omdat zij nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De strijd tussen de ouders is nog onverminderd aanwezig en [minderjarige] wordt nog altijd belast. Voor [minderjarige] is individuele hulpverlening ingezet vanuit NiCare, maar de gesprekken zijn in december 2024 stopgezet, omdat deze [minderjarige] onvoldoende hielpen en zij er niet voor openstond. De zorgen om [minderjarige] bestaan echter nog steeds. Zij bevindt zich in een loyaliteitsconflict en uit dit met name richting haar moeder in de vorm van boosheid en weerstand. Er zijn verschillende incidenten tussen hen geweest, waarbij [minderjarige] de moeder fysiek heeft aangevallen. In april 2024 is NiCare gestart met het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO) voor het gezin. Echter werd al snel de conclusie getrokken dat het traject niet passend is en dat voor de moeder een andere vorm van hulpverlening beter aansluit, zoals coaching of een (systemisch) psycholoog/therapeut. NiCare gaf aan dat moeders wantrouwen jegens de vader en de hulpverlening een succesvolle voortzetting van het PSO-traject in de weg stond. Het advies was dan ook dat de moeder eerst een persoonlijk traject zou aangaan, alvorens opnieuw gestart kon worden met een ouderschapstraject.
Bij de vader is na afsluiting van het PSO-traject opvoedingsondersteuning ingezet, mede bedoeld om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de vader. Vanuit deze opvoedingsondersteuning zijn er nu geen zorgen benoemd met betrekking tot de persoonlijke problematiek van de vader. Op de persoonlijke problematiek van de moeder krijgt de GI weinig tot geen zicht. Omdat het onderlinge wantrouwen tussen de ouders, het gebrek aan onderlinge communicatie en afstemming en de persoonlijke problematiek op de voorgrond blijft staan, lukt het de ouders onvoldoende om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] te verminderen.
5.7
Net als de kinderrechter is het hof van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de co-ouderschapsregeling die de rechtbank destijds in het kader van de echtscheiding van de ouders heeft bepaald, niet langer past bij hetgeen [minderjarige] op dit moment nodig heeft. Uit de echtscheidingsbeschikking blijkt dat de rechtbank met het vastleggen van deze regeling één van de bronnen van strijd tussen de ouders heeft willen wegnemen en dat zij daarbij aan de ouders heeft meegegeven dat zij dienen te werken aan het normaliseren van hun verstandhouding en het verminderen van de spanningen. Tot op heden is dat de ouders niet gelukt ondanks de inzet van hulpverlening. De situatie van [minderjarige] is sinds de echtscheidingsbeschikking onverminderd zorgelijk. Het hof acht dan ook de vrees van de GI gerechtvaardigd, dat [minderjarige] op den duur voor de ene ouder zal kiezen en het contact met de andere ouder zal verbreken als de situatie niet verandert. Anders dan de moeder acht het hof de omstandigheid dat [minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd door de spanningen en de strijd tussen de ouders, voldoende reden voor het wijzigen van de zorgregeling. Hoewel de gewijzigde zorgregeling niet het loyaliteitsconflict van [minderjarige] zal kunnen oplossen, hoopt het hof wel dat deze regeling haar meer rust geeft dan de oude regeling. In het gesprek met de voorzitter heeft [minderjarige] ook bevestigd dat zij dit ook zo ervaart. Het hof gunt [minderjarige] deze rust en hoopt dat zij zich daardoor weer kan focussen op haar eigen ontwikkelingstaken, zoals ook de GI voorstaat. Het hof is dan ook van oordeel dat de door de GI verzochte wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
5.8
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige] bij de vader verblijft en in de oneven weekenden van vrijdag na school tot zondagavond 18.30 uur bij de moeder is. Daarnaast gaat [minderjarige] in de even weken één dag per week (dinsdagmiddag) na school bij de moeder gaat eten en is zij om 18.30 uur terug bij de vader.
Ter zitting in hoger beroep heeft het hof met partijen besproken dat het erop lijkt dat de rechtbank mogelijk een andere bedoeling had bij het vaststellen van de omgang, namelijk dat [minderjarige] in de ene week een weekend bij moeder verblijft, gevolgd door een bezoek aan moeder op de dinsdag na het eerstvolgende weekend waarin [minderjarige] niet bij de moeder verblijft, waarna [minderjarige] in het daaropvolgende weekend weer bij haar moeder verblijft. Daarnaast heeft het hof met partijen besproken dat [minderjarige] tijdens het gesprek met de voorzitter heeft aangegeven dat zij zelf een afwijkende regeling wenst, die in de procedure niet door de GI of de moeder wordt verzocht, waarbij de dinsdag vervangen wordt door de maandag, zodat er één keer per twee weken contact zou zijn tussen [minderjarige] en haar moeder van vrijdag na school tot maandag na het avondeten. Het hof heeft daarop de GI verzocht dit met [minderjarige] te bespreken en het verzoek op basis daarvan te verduidelijken of aan te passen.
5.9
De GI heeft daarop aan het hof toegestuurd een verslag van het gesprek dat de GI op 3 juli 2025 met [minderjarige] heeft gehad. Daaruit blijkt dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij het liefst aaneensluitend bij de moeder is. Momenteel zit er een dagje tussen , zij vindt dit vermoeiend, en raakt er chagrijnig en boos van. Dit heeft invloed op de relatie met haar moeder, omdat zij dan sneller in conflict raken. Volgens de GI wil [minderjarige] dan ook graag van vrijdag uit school tot maandag 19:30 uur bij de moeder blijven, zodat zij op maandag nog samen kunnen eten.
5.1
De moeder heeft aangegeven dat uit het verslag van de GI blijkt dat er voldoende reden is om de bestreden beschikking te vernietigen en de oorspronkelijke regeling te hervatten. [minderjarige] heeft immers aangegeven dat zij het liefst aaneensluitend bij de moeder is en dat zij uiteindelijk zelfs fulltime bij de moeder wil wonen. Ook blijkt uit het verslag dat [minderjarige] meerdere malen aangeeft behoefte te hebben aan rust, duidelijkheid en minder schakelmomenten. [minderjarige] noemt het huidige wisselschema vermoeiend en stelt dat dit juist leidt tot spanningen in de relatie met de moeder. De wens om aaneensluitend bij de moeder te zijn, bevestigt de nog steeds aanwezige hechting. Om de voorspelbaarheid en rust voor [minderjarige] te waarborgen, dient een ouderschapsplan te worden opgesteld en een heldere, werkbare 50/50-structuur te worden teruggebracht, aldus de moeder.
5.11
De vader heeft naar voren gebracht dat hij van de GI heeft begrepen dat [minderjarige] in het gesprek met de GI net als in het gesprek met het hof heeft aangegeven dat zij wenst dat de omgang met haar moeder wordt gecontinueerd maar graag zou zien dat zij in plaats van de dinsdag, de maandag bij de moeder kan zijn/blijven. Op deze manier ziet er geen tussenstop in de omgang. Hoewel [minderjarige] aan de vader heeft laten weten dat zij maandag uit school weer naar de vader wil, vindt hij het ook goed dat [minderjarige] op maandag na het eten terugkomt. Ook zou hij het fijn vinden dat expliciet wordt opgenomen dat [minderjarige] vrij is om met haar moeder af te spreken wanneer zij daar behoefte aan heeft en het haar dus vrijstaat om spontaan bij de moeder langs te kunnen gaan, aldus de vader. In zijn laatste bericht heeft de vader nog verzocht vast te leggen dat het [minderjarige] vrijstaat incidenteel en spontaan met moeder af te spreken. Dit verzoek is formeel te laat gedaan, maar gelet op de wens van [minderjarige] gaat het hof er van uit dat partijen naast de hierna vast te stellen regeling [minderjarige] de ruimte geven spontaan de andere ouder te bezoeken als zij daaraan behoefte heeft en dit goed van tevoren met de andere ouder wordt afgestemd.
5.12
Het hof overweegt als volgt. Hoewel de GI haar verzoek niet heeft aangepast, ziet het hof in de wens van [minderjarige] aanleiding om de zorgregeling die de kinderrechter heeft bepaald aan te passen, waar het de dinsdag in de even weken betreft. Gebleken is namelijk dat de regeling ongelukkig uitpakt qua de wisselmomenten. Als [minderjarige] in de oneven weken het weekend bij de moeder verblijft tot zondagavond 18:30 uur, vervolgens van zondagavond tot dinsdag naar school bij de vader verblijft en dan van dinsdag uit school tot dinsdagavond 18:30 uur weer bij de moeder verblijft, zijn dat veel wisselmomenten kort op elkaar. Het hof zal dan ook bepalen dat [minderjarige] voortaan in de oneven weekenden van vrijdag na school tot maandagavond 18.30 uur bij de moeder verblijft en voor het overige bij de vader is. Uiteraard staat het [minderjarige] vrij om spontaan bij de moeder te verblijven. Partijen dienen dit in onderling overleg en samen met [minderjarige] af te stemmen.
5.13
Voor wat betreft de vakantieregeling wijst het hof erop dat het verzoek van de GI enkel ziet op de reguliere zorgregeling en dat de vakantieregeling zoals bepaald in de echtscheidingsbeschikking van 30 juni 2022 nog steeds geldt en door partijen wordt nageleefd. Het hof zal daarover dan ook geen beslissing nemen.
5.14
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 14 november 2024 en opnieuw beschikkende:
bepaalt - met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 30 juni 2022 in zoverre - dat [minderjarige] in de oneven weekenden bij de moeder verblijft van vrijdag uit school tot maandag 18.30 uur en voor het overige bij de vader verblijft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. H.A. van den Berg en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 4 november 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.