ECLI:NL:GHAMS:2025:2900
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ontwikkelingszorgen
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen een machtiging tot uithuisplaatsing van haar 16-jarige dochter, die onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege zorgen over haar sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling.
De kinderrechter had op 15 mei 2025 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie tot uiterlijk 15 november 2025, uitvoerbaar bij voorraad. De moeder betwistte dit en verzocht tevens om schorsing van de beschikking. De GI steunde de machtiging. Het hof hield op 16 oktober 2025 een zitting, waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming adviseerde.
Het hof constateerde dat ondanks eerdere kleine stappen onvoldoende zicht was op de ontwikkeling van de minderjarige en dat de uithuisplaatsing aanvankelijk noodzakelijk was. Na 16 mei 2025 was er echter een positief ambulant traject met de Vliegende Brigade, dat vertrouwen genoot van de minderjarige. Hierdoor was uithuisplaatsing voor de periode na 16 oktober 2025 niet langer noodzakelijk.
Het hof besloot daarom de machtiging tot uithuisplaatsing te bekrachtigen voor de periode 15 mei tot 16 oktober 2025 en te vernietigen voor de periode daarna. Het verzoek tot schorsing werd afgewezen wegens gebrek aan belang. Het belang van voortzetting van de hulpverlening en samenwerking met de moeder werd benadrukt.
Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd tot 16 oktober 2025 en vernietigd voor de periode daarna; schorsingsverzoek wordt afgewezen.