Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2900

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
200.358.095/01 en 200.358.095/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArtikel 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ontwikkelingszorgen

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen een machtiging tot uithuisplaatsing van haar 16-jarige dochter, die onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege zorgen over haar sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling.

De kinderrechter had op 15 mei 2025 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie tot uiterlijk 15 november 2025, uitvoerbaar bij voorraad. De moeder betwistte dit en verzocht tevens om schorsing van de beschikking. De GI steunde de machtiging. Het hof hield op 16 oktober 2025 een zitting, waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming adviseerde.

Het hof constateerde dat ondanks eerdere kleine stappen onvoldoende zicht was op de ontwikkeling van de minderjarige en dat de uithuisplaatsing aanvankelijk noodzakelijk was. Na 16 mei 2025 was er echter een positief ambulant traject met de Vliegende Brigade, dat vertrouwen genoot van de minderjarige. Hierdoor was uithuisplaatsing voor de periode na 16 oktober 2025 niet langer noodzakelijk.

Het hof besloot daarom de machtiging tot uithuisplaatsing te bekrachtigen voor de periode 15 mei tot 16 oktober 2025 en te vernietigen voor de periode daarna. Het verzoek tot schorsing werd afgewezen wegens gebrek aan belang. Het belang van voortzetting van de hulpverlening en samenwerking met de moeder werd benadrukt.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd tot 16 oktober 2025 en vernietigd voor de periode daarna; schorsingsverzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.358.095/01 (machtiging tot uithuisplaatsing) en 200.358.095/02 (schorsingsverzoek)
zaaknummer rechtbank: C/13/758619 / JE RK 24/681
beschikking van de meervoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. N. Bevelander te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,
gevestigd te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (16 jaar).
1.2
De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) heeft bij mondelinge uitspraak van 15 mei 2025, schriftelijk uitgewerkt op 27 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot uiterlijk 15 november 2025 en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [minderjarige] alsnog afgewezen wordt. Ook verzoekt de moeder de werking van de bestreden beschikking te schorsen. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 15 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Het beroepschrift bevat ook een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.358.095/02).
2.2
De GI heeft op 24 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- (op verzoek van het hof) een bericht van de zijde van de moeder van 10 oktober 2025 met bijlagen.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dat gesprek zakelijk weergegeven.
2.5
De zitting heeft op 16 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door A. Abdullah, tolk in de Arabische taal,
- twee vertegenwoordigers van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
2.6
Het hof heeft, na afloop van de mondelinge behandeling op 16 oktober 2025, mondeling uitspraak gedaan. Deze beschikking is de uitwerking van de mondelinge uitspraak.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft twee dochters, onder wie:
- [minderjarige] , geboren [in] 2009 te [plaats A] .
De moeder oefent het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] staat sinds 1 mei 2022 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien meermaals verlengd, laatstelijk tot 1 april 2026.
3.3
De kinderrechter heeft bij mondelinge uitspraak van 26 november 2024, schriftelijk uitgewerkt op 28 november 2024 de behandeling van een verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van zes maanden voor verblijf van [minderjarige] binnen een woonvoorziening, aangehouden voor de duur van drie maanden. Bij mondelinge uitspraak van 25 februari 2025, schriftelijk uitgewerkt op 10 maart 2025 heeft de kinderrechter de behandeling nogmaals aangehouden tot 11 april 2025.
3.4
[minderjarige] verblijft bij de moeder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking op het hiervoor onder 3.3 vermelde verzoek van de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot uiterlijk 15 november 2025. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De hoofdzaak (200.358.095/01)
4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt) het inleidende verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [minderjarige] alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel haar hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Het verzoek tot schorsing (200.358.095/02)
4.4
De moeder verzoekt de werking van de bestreden beschikking te schorsen.
4.5
De GI verzoekt, naar het hof begrijpt, het schorsingsverzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De standpunten
5.2
De moeder stelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing ten onrechte is verleend en dat de beschikking ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is niet noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kleine stappen die gemaakt zijn, zijn aan te merken als een begin van een doorbraak en een goede start om zicht te krijgen op de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder meent dat de stappen die [minderjarige] met (de docent van) Team Thuiszitters en de GI gemaakt heeft door de uithuisplaatsing teniet worden gedaan. Ook de moeder heeft contact met de GI en Team Thuiszitters. Zij ervaart de samenwerking met Team Thuiszitters als prettig. [minderjarige] is sinds de bestreden beschikking een aantal keer naar De [X] geweest, maar het ging daar niet goed met haar. Verder stelt de moeder dat niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en dat het belang van [minderjarige] onvoldoende is betrokken door de rechtbank. De uithuisplaatsing is een te zware maatregel en niet de beste manier om zicht te krijgen op de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft er baat bij om vanuit haar vertrouwde omgeving verdere stappen te kunnen zetten om zich te ontwikkelen, aldus de moeder.
5.3
De GI is van mening dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Er zijn al langere tijd zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Zij volgt al een aantal jaar geen onderwijs meer op school, terwijl zij wel aangeeft dat te willen. Het is onduidelijk wat daaraan ten grondslag ligt. De GI vermoedt dat [minderjarige] een angst heeft om naar school te gaan en daarom is diagnostiek in de thuissituatie ingezet, maar dat komt onvoldoende van de grond. Doordat het hulpverleningstraject stagneert nemen de zorgen over [minderjarige] toe en kan er tot nu toe geen volledig beeld gevormd worden van de cognitieve en sociaal emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Hulpverlening komt niet of nauwelijks in contact met [minderjarige] en afspraken worden vaak afgezegd en niet nagekomen. [minderjarige] leeft geïsoleerd en komt daardoor niet toe aan het maken en onderhouden van vriendschappen. Ook zijn er zorgen over haar lichamelijke gezondheid en over de relatie tussen de moeder en [minderjarige] . De GI ziet een terugkerend patroon waarbij de moeder zorgen uit over de gezondheid van [minderjarige] , welke zorgen niet bevestigd worden door de huisarts. De invloed van de moeder in de thuissituatie lijkt groot te zijn en zij lijkt onvoldoende in staat om [minderjarige] in gesprek te laten gaan met de hulpverlening of te stimuleren om mee te werken aan de hulpverlening. Het lukt de GI onvoldoende om [minderjarige] afzonderlijk te spreken te krijgen. De GI acht een verblijf van [minderjarige] bij De [X] passend en noodzakelijk. [minderjarige] kan daar onderwijs krijgen, in contact komen met leeftijdsgenoten en vanuit daar werken aan een gezondere relatie met de moeder. Ook kan bij De [X] diagnostiek plaatsvinden, wat noodzakelijk is omdat dit eerder in de thuissituatie niet is gelukt.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft op de zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De GI heeft op verschillende manier geprobeerd om zicht te krijgen op [minderjarige] , om haar naar school te laten gaan en te onderzoeken wat nodig is aan ondersteuning, maar dat is onvoldoende gelukt. De raad maakt zich nog steeds zorgen. Het is onduidelijk wat eraan ten grondslag ligt dat [minderjarige] de afgelopen jaren niet naar school is gegaan. De raad meent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op goede gronden is afgegeven. Diagnostiek is nog steeds noodzakelijk voor [minderjarige] en kan bij De [X] plaatsvinden. Zij kan daar nog steeds terecht. [minderjarige] heeft op 12 september 2025 echter besloten om naar huis te gaan. Met de betrokken hulpverleners dient gekeken te worden wat de vervolgstappen dienen te zijn. De raad wil de moeder op het hart drukken goed in gesprek te gaan met de GI en niet alleen met de Vliegende Brigade zoals zij op dit moment doet. De raad is van mening dat het traject bij De [X] nog steeds passend is.
De beoordeling
5.5
Uit de stukken in het dossier en op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Sinds 2 mei 2022 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI. Al langere tijd zijn er zorgen over haar ontwikkeling, zowel op sociaal en emotioneel als op cognitief gebied. [minderjarige] gaat al een aantal jaar niet naar (de middelbare) school, hoewel zij aangeeft dat wel te willen, en onduidelijk is waarom het dan toch niet lukt om naar school te gaan. Er wordt al gedurende geruime tijd geprobeerd om met ambulante hulpverlening een verbetering tot stand te brengen. In november 2024 heeft de kinderrechter de behandeling van het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen aangehouden, om [minderjarige] en de moeder een laatste kans te bieden om mee te werken aan het traject met Team Thuiszitters. Ook in februari 2025 is de zaak aangehouden, omdat er voorzichtig een ontwikkeling was ontstaan in het contact tussen enerzijds Team Thuiszitters en de GI en anderzijds [minderjarige] , en daarmee ook zicht op [minderjarige] in de thuissituatie ontstond. De kinderrechter zag destijds aanleiding om deze ontwikkeling af te wachten.
5.6
Gebleken is dat ten tijde van de bestreden beschikking wel kleine stappen gezet waren om zicht te krijgen op de ontwikkeling van [minderjarige] , maar dat die onvoldoende waren om van een doorbraak te kunnen spreken. De afspraak (met de moeder) dat [minderjarige] afzonderlijk met de GI en de hulpverlening contact zou hebben, bestaande uit minimaal één gesprek per week met de GI en twee gesprekken per week met (een gedragswetenschapper en/of een thuisdocent van) Team Thuiszitters, bleek onvoldoende van de grond te zijn gekomen. Verschillende afspraken werden destijds afgezegd en [minderjarige] was slechts eenmaal gezien door een docent. Daarnaast had de GI ten tijde van de bestreden beschikking al een maand geen contact meer met [minderjarige] . Er was nog steeds onvoldoende zicht op [minderjarige] en niet werd verwacht dat op dezelfde manier verder gaan op korte termijn tot de gewenste verandering zou leiden. Het lukte toen niet om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] in de thuissituatie weg te nemen, terwijl de GI een plek had gevonden voor [minderjarige] ((open) woongroep De [X] ) waar zicht kon komen op haar ontwikkeling en wat zij nodig heeft. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de kinderrechter destijds terecht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder heeft verleend.
5.7
In hoger beroep is gebleken dat de GI vanaf 16 mei 2025 met een opbouwschema heeft gewerkt aan een plaatsing van [minderjarige] bij De [X] , vanwege zorgen over haar welzijn en het risico dat zij zich zou terugtrekken. Zij heeft een aantal keer bij De [X] verbleven, maar liet wisselend gedrag zien en trok zich voornamelijk terug op haar eigen kamer. De diagnostiek kon door frequente ziekmeldingen en het niet naleven van het opbouwschema niet goed opgestart worden. Op 12 september 2025 is [minderjarige] weggelopen van De [X] en terug naar huis gegaan.
5.8
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat [minderjarige] en zij op dit moment wekelijks een afspraak met de Vliegende Brigade hebben. De Vliegende Brigade doet momenteel onderzoek en probeert een passende school voor [minderjarige] te vinden. Gebleken is dat het traject bij de Vliegende Brigade in totaal drie maanden duurt, waarvan inmiddels nog twee maanden resteren. In het gesprek met de voorzitter heeft [minderjarige] te kennen gegeven dat zij De [X] geen passende plek vindt, maar dat zij wel vertrouwen heeft in het traject met de Vliegende Brigade . Mede gezien de leeftijd van [minderjarige] komt aan haar mening gewicht toe. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verder aangegeven dat de Vliegende Brigade [minderjarige] afzonderlijk kan spreken als dat nodig is. Ook heeft de moeder verklaard dat zij goed contact heeft met Team Thuiszitters en regelmatig naar hen toegaat. Het hof vindt dit een positieve ontwikkeling en is van oordeel dat het ambulante hulpverleningstraject met de Vliegende Brigade een kans moet krijgen. Van belang is daarbij dat dit traject voortgezet wordt en dat de moeder en [minderjarige] daaraan zoveel mogelijk meewerken, ook als [minderjarige] bijvoorbeeld ziek is. Gebleken is namelijk dat, zoals onder 5.6 is overwogen, afspraken (met de GI) in het verleden regelmatig afgezegd werden. Daarnaast gaat het hof er vanuit dat binnen dit kader diagnostiek zal plaatsvinden zodat een duidelijk beeld gevormd kan worden van de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] . De zorgen over [minderjarige] zijn hiermee niet weggenomen, maar deze ontwikkeling maakt wel dat een uithuisplaatsing op dit moment niet noodzakelijk meer is. Het hof zal daarom de bestreden beschikking voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] betreft over de periode van 15 mei 2025 tot 16 oktober 2025 bekrachtigen, en de beschikking voor de periode van 16 oktober 2025 tot 15 november 2025 vernietigen.
5.9
Ten overvloede merkt het hof op dat het van groot belang is dat de hulpverlening en de GI in contact blijven met [minderjarige] . Er is nog steeds sprake van een zorgelijke situatie waaraan gewerkt dient te worden. Indien de moeder en [minderjarige] de aankomende periode onvoldoende meewerken met de hulpverlening en de GI, kan er opnieuw een noodzaak ontstaan om [minderjarige] uit huis te plaatsen.
Het incident tot schorsing (200.358.095/02)
5.1
Het hof overweegt dat het bij deze beschikking uitspraak doet in de hoofdzaak. Daarom heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek tot schorsing. Dit brengt mee dat het hof het verzoek tot schorsing zal afwijzen.
5.11
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.358.095/01
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is verleend over de periode van 16 oktober 2025 tot 15 november 2025, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst het inleidende verzoek van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] af voor zover het de periode van 16 oktober 2025 tot 15 november 2025 betreft;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover deze betrekking heeft op de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] over de periode van 15 mei 2025 tot 16 oktober 2025;
In de zaak met zaaknummer 200.358.095/02
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 16 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Deze beschikking vormt de uitwerking van de mondelinge uitspraak van 16 oktober 2025 en is op 30 oktober 2025 aldus vastgesteld door voornoemde raadsheren en door de voorzitter ondertekend.