Metal Yapi vordert tussenkomst in een procedure tussen BN-TAV en Schiphol vanwege aanzienlijke vorderingen op BN-TAV. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat het subcontract een arbitragebeding bevatte. Het hof oordeelt dat de vordering tot tussenkomst een procedurele stap is en niet onder het arbitragebeding valt, waardoor de rechtbank wel bevoegd is.
De feiten betreffen een bouwproject op Schiphol waarbij BN-TAV als hoofdaannemer en Metal Yapi als onderaannemer betrokken zijn. Het subcontract bevat een geschillenregeling met een arbitragebeding, maar ook een uitzondering voor procedures waarbij BN-TAV of Schiphol Metal Yapi willen betrekken.
Het hof stelt dat de rechtbank ten onrechte haar bevoegdheid heeft beperkt door het arbitragebeding te strikt uit te leggen. De vordering tot tussenkomst betreft geen inhoudelijk geschil over het subcontract, maar een procedurele vraag. Daarom vernietigt het hof het vonnis en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.
De proceskosten in hoger beroep worden aan BN-TAV en Schiphol opgelegd. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 28 oktober 2025 uitgesproken.