Uitspraak
GeRechtshof Amsterdam
1.[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2] ,
Gerechtshof Amsterdam
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam die hun hoger beroep behandelden. Het verzoek richtte zich op vermeende schending van artikel 6 EVRM Pro, omdat de raadsheren weigerden de mondelinge behandeling aan te houden toen verzoekers zonder advocaat verschenen en hen niet toestonden hun pleitnota integraal voor te dragen.
De raadsheren stelden dat het niet-aanhouden van de zaak geen grond voor wraking vormt en dat verzoekers wel degelijk de gelegenheid kregen hun standpunt mondeling toe te lichten. De wrakingskamer benadrukte dat wraking niet kan worden gebruikt als rechtsmiddel tegen onjuiste of nadelige beslissingen, ook niet processuele, tenzij er sprake is van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
De kamer oordeelde dat de beslissingen van de raadsheren niet zo onbegrijpelijk waren dat alleen vooringenomenheid als verklaring overbleef. Daarbij werd gewezen op het Landelijk procesreglement dat onttrekking van een advocaat geen reden voor uitstel is, tenzij het hof anders beslist. Verzoekers kregen een korte toelichtingstijd, maar maakten daarvan geen gebruik.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025 door de wrakingskamer bestaande uit J.F. Aalders, F.J.P.M. Haas en A.R. Sturhoofd.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.