ECLI:NL:GHAMS:2025:2760
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag wegens onmogelijkheid tot gezamenlijke gezagsuitoefening
De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de rechtbankbeschikking die het gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen beëindigde en het gezag aan de moeder toekende. De ouders zijn sinds 2022 uit elkaar en de verstandhouding is ernstig verslechterd, met minimale communicatie en een strafrechtelijke veroordeling van de vader wegens mishandeling en bedreiging van de moeder.
De vader verzoekt vernietiging van de beschikking en een raadsonderzoek, terwijl de moeder de rechtbankbeslissing ondersteunt. Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is omdat de ouders niet in staat zijn tot gezamenlijke besluitvorming en overleg, mede door het opgelegde gebiedsverbod en de stagnerende omgang tussen vader en kinderen.
Hoewel de vader positieve gedragsveranderingen toont, acht het hof dit nog pril en onvoldoende om het gezamenlijk gezag te handhaven. De moeder wordt als hoofdopvoeder aangewezen om het gezag alleen uit te oefenen, waarbij de omgangsregeling met de vader wordt gehandhaafd. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen omdat de maatregel noodzakelijk is in het belang van de kinderen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en kent het gezag toe aan de moeder.