De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter waarin de verdachte, een vervoerder, werd veroordeeld voor het niet naleven van de zorgplicht zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 4 februari 2022 vervoerde de verdachte een vreemdeling van Dublin naar Schiphol zonder te controleren of deze in het bezit was van een geldig paspoort. Het paspoort van de vreemdeling was verlopen sinds 14 juli 2021.
De verdediging voerde aan dat het recent verlopen paspoort van een EU-lidstaat als voldoende bewijs van identiteit en nationaliteit kon dienen, verwijzend naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Het hof verwierp dit standpunt omdat de verdachte niet had gecontroleerd of het paspoort recent verlopen was en de zorgplicht vereist juist deze controle. Ook werd het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie afgewezen.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte niet de nodige maatregelen had genomen om te voorkomen dat de vreemdeling zonder geldig reisdocument Nederland binnenkwam. De strafbaarheid werd bevestigd en de verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €7.000, mede gelet op een eerdere veroordeling voor een soortgelijke overtreding. Het hof vond de door de verdediging aangevoerde jurisprudentie onvoldoende aanleiding tot strafvermindering of vrijspraak.