Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.Verdere beoordeling
€ 9.958,50(4,5 punt à € 2.213,00 tarief IV)
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen verhuurder en huurder over de betaling van een factuur voor een VRF-systeem dat in het gehuurde pand is geïnstalleerd. Appellanten vorderen betaling van een bedrag van €76.502,00 exclusief btw, minus reeds betaalde bedragen. De rechtbank wees een deel van de vordering af, waarna appellanten hoger beroep instelden.
Het hof heeft in het tussenarrest vastgesteld dat appellanten de bewijslast dragen voor de betalingsverplichting van geïntimeerde. In het vervolg van het geding werden getuigen gehoord, waaronder een partijgetuige, en werd een brief van 23 oktober 2020 betrokken bij de bewijswaardering. Het hof acht de verklaringen van de getuigen en de brief voldoende om vast te stellen dat geïntimeerde het bedrag van de factuur verschuldigd is.
Het hof wijst de vordering toe tot een bedrag van €59.171,75 exclusief btw, na verrekening van reeds betaalde bedragen. Daarnaast wordt de wettelijke rente vanaf 21 april 2020 toegewezen. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Ook wordt een hoger proceskostenbedrag toegewezen vanwege het toepasselijke liquidatietarief. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de vordering afwees en in zoverre opnieuw recht gedaan. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €59.171,75 exclusief btw plus wettelijke rente en proceskosten.