ECLI:NL:GHAMS:2025:2261
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep na intrekking
De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam van 8 augustus 2024. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 6 augustus 2025 gaf de raadsman van de verdachte aan dat het hoger beroep niet gehandhaafd werd. Omdat het onderzoek ter terechtzitting reeds op 8 april 2025 was aangevangen, was intrekking van het hoger beroep niet meer mogelijk.
Het hof constateerde dat de verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis niet langer handhaafde en dat er geen rechtens te respecteren belang bestond bij nader onderzoek. Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 6 augustus 2025. Een van de rechters was buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens intrekking na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting.