Op 3 november 2023 pleegde de verdachte twee overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 te Amsterdam, namelijk overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 9, tweede lid. De politierechter in Amsterdam veroordeelde de verdachte, maar het gerechtshof Amsterdam vernietigde dit vonnis in hoger beroep op 31 juli 2025.
Het hof veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van één week, welke niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij binnen de proeftijd een nieuw strafbaar feit wordt gepleegd. Daarnaast werd een taakstraf van 40 uur opgelegd, te vervangen door 20 dagen hechtenis indien niet uitgevoerd. Tevens werd de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor één maand ontzegd, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaar opgelegd, eveneens met een voorwaardelijke uitvoering gekoppeld aan de proeftijd.
De vorderingen tot schadevergoeding van twee benadeelde partijen werden door het hof niet-ontvankelijk verklaard, waarbij ieder zijn eigen proceskosten draagt. De uitspraak werd gewezen door mr. S. Jongeling, in aanwezigheid van griffier mr. J.M. Pattinama.