Op 15 augustus 2023 pleegde de verdachte een overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 te Amsterdam. De politierechter in Amsterdam veroordeelde de verdachte op 13 september 2024. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week, een taakstraf van veertig uur en twintig dagen hechtenis. Daarnaast werd een proeftijd van twee jaar opgelegd, waarbij de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de verdachte zich binnen deze periode aan een nieuw strafbaar feit schuldig maakt.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 31 juli 2025. De griffier was mr. J.M. Pattinama. De zaak betrof een overtreding van meerdere artikelen uit het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, waaronder de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 Sr en 9 en 176 Wvw 1994.