ECLI:NL:GHAMS:2025:2005
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beklag wegens niet-ontvankelijkheid bij voorwaardelijke sepotbeslissing opruiing
Klager diende een beklag in tegen de voorwaardelijke sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie, waarin werd besloten de vervolging wegens opruiing niet voort te zetten onder een proeftijd van twee jaar. Klager stelde dat hij bij een eventuele vervolging integraal zou worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.
De advocaat-generaal adviseerde het hof klager niet-ontvankelijk te verklaren omdat hij geen objectief bepaalbaar, persoonlijk belang had en het relativiteitsvereiste niet vervulde. Het hof overwoog dat alleen degene die door het niet vervolgd worden in een bepaald belang wordt getroffen, als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt.
Het hof benadrukte dat de beklagregeling niet bedoeld is om een verdachte te laten vragen om eigen vervolging met het oog op vrijspraak. Het belang van klager werd als onvoldoende gewicht beoordeeld en er waren geen uitzonderlijke omstandigheden die ontvankelijkheid rechtvaardigden. Daarom werd het beklag afgewezen en klager niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in het beklag tegen de voorwaardelijke sepotbeslissing wegens gebrek aan rechtstreeks belang.