De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de kinderrechter die een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) over omgangsbeperking met haar minderjarige kind deels in stand hield. De moeder wilde de schriftelijke aanwijzing geheel laten vervallen verklaren, terwijl de GI de beschikking wilde bekrachtigen.
De minderjarige is sinds april 2023 onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst, eerst bij grootouders en later in een gezinshuis. De GI gaf op 23 januari 2025 een schriftelijke aanwijzing waarin de omgang met de moeder werd beperkt tot één keer per drie weken gedurende één tot anderhalf uur, vanwege problematisch gedrag van het kind na omgangsmomenten.
De moeder betoogde dat de aanwijzing onvoldoende gemotiveerd was en niet in het belang van het kind, dat de omgang goed verliep en dat het kind lijdt onder de plaatsing in het gezinshuis. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming stelden dat de beperking noodzakelijk is om het welzijn van het kind te waarborgen.
Het hof oordeelde dat de GI de aanwijzing zorgvuldig en toereikend had gemotiveerd, dat het causale verband tussen omgang en gedrag van het kind voldoende was onderbouwd, en dat de omgangsbeperking in het belang van het kind is. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en benadrukte het belang van voortdurende evaluatie door de GI.