Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:1848

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
23-003381-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 416 SvArt. 5 Meststoffenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid betrokkene in hoger beroep ontnemingsvordering Meststoffenwet

Het openbaar ministerie vorderde in eerste aanleg betaling van €138.011,67 aan de Staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding van artikel 5 van Pro de Meststoffenwet door een rechtspersoon. De rechtbank legde een betalingsverplichting van €69.005,00 op.

Betrokkene stelde hoger beroep in tegen het ontnemingsvonnis. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 10 juni 2025 gaf betrokkene te kennen zijn bezwaren tegen het vonnis niet langer te willen handhaven. Het hof constateerde dat er geen rechtens te respecteren belang meer bestond bij verdere behandeling.

Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verklaarde het hof betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Het door de advocaat-generaal aangevoerde belang, mede gezien de matiging van de betalingsverplichting door de rechtbank, leidde niet tot een ander oordeel. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 10 juni 2025.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het ontnemingsvonnis.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003381-21
datum uitspraak: 10 juni 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-994023-19 tegen de betrokkene
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 138.011,67 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene is bij vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2021 in de strafzaak veroordeeld ter zake van het feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van Pro de Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon.
Voorts heeft de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van
6 december 2021 in de ontnemingszaak de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 69.005,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot ontvankelijk verklaring van de betrokkene in het hoger beroep en daarmee tot verdere behandeling van de zaak, en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De betrokkene en zijn raadsman hebben ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de eerder opgegeven bezwaren tegen het vonnis niet langer te willen handhaven.
Nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, zal het gerechtshof de betrokkene, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep gestelde belang, gelegen in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de betalingsverplichting, in het bijzonder de toegepaste matiging vanwege de persoonlijke en zakelijke gevolgen van de strafzaak voor de betrokkene, leidt niet tot een ander oordeel, indachtig de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2025.