In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kinderrechter bevestigd waarin de verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van cocaïne. Het hof voegde een aanvullende bewijsoverweging toe, waarbij het de verklaring van de verdachte dat zij niet wist voor wie zij de flessen meenam en de weigering om namen te noemen, als onvoldoende en niet verifieerbaar beoordeelde.
De gebruikte bewijsmiddelen werden vervangen door die welke, na eventueel cassatieberoep, in een aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Tevens wijzigde het hof de instantie die toezicht houdt op de naleving van bijzondere voorwaarden, van het Leger des Heils en de Stichting Ambulante Justitiële Jeugdzorg naar de Organisatie Justitiële Zorg, conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.
De opgelegde straf bestaat uit 180 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest, waarvan 161 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De bijzondere voorwaarden omvatten het hebben van een structurele dagbesteding in de vorm van school of werk en een meldplicht.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 juli 2025, waarbij de jongste raadsheer niet kon ondertekenen.