Deze zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw over de medewerking aan de echtscheiding volgens Egyptisch recht. De vrouw vorderde dat de man zijn medewerking verleent aan de echtscheiding in Egypte, waarbij de rechtbank de man gelastte een aanvraag tot echtscheiding in te dienen bij de Egyptische ambassade in Nederland na ontvangst van een afstandsverklaring van de vrouw.
In hoger beroep oordeelt het hof dat de man redelijkerwijs heeft gedaan wat van hem kon worden verlangd en dat ook de vrouw medewerking moet verlenen. De vrouw moet haar afstandsverklaring in een notariële akte laten vastleggen, deze laten vertalen en legaliseren, en zich persoonlijk bij de Egyptische ambassade legitimeren voor de vereiste legalisatie.
Het hof vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de man alleen verplichtte tot medewerking en legt de verplichting tot medewerking ook op aan de vrouw. De man draagt de kosten van de notariële akte, legalisatie en vertaling. De vordering tot oplegging van een dwangsom aan de man wordt afgewezen. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.