De zaak betreft een geschil over de zorg- en omgangsregeling tussen ouders van een vierjarige minderjarige. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader eenmaal per maand 1,5 uur begeleide omgang met het kind heeft. De vader verzocht om uitbreiding en onbegeleide omgang, wat door de moeder en de gecertificeerde instelling (GI) werd bestreden.
In hoger beroep bevestigde het hof de beschikking van de rechtbank. Het hof oordeelde dat het belang van het kind zich verzet tegen uitbreiding van de omgang zolang het contact tussen vader en kind niet duurzaam stabiel en veilig is. Het contact- en gebiedsverbod dat aan de vader is opgelegd tot 2026 beperkt de mogelijkheden van omgang.
Het hof constateerde dat de omgang lange tijd stil heeft gelegen vanwege bedreigend gedrag van de vader jegens de begeleider en dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt in agressie- en emotieregulatie. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden eveneens om de huidige regeling te handhaven. Het hof wees het hoger beroep van de vader af en bekrachtigde de bestreden beschikking.