Uitspraak
mrs. W.A. Westenbroek,
C.M. Reijnenen
H.W.M. Hompeschkantoorhoudende te Amsterdam,
mrs. R.G.J. de Haan,
S.R.F. Aartsen
D.H. Tilanus, kantoorhoudende te Amsterdam.
Het verloop van het geding
- Uitgaande van het liquidatiescenario zal een redelijk handelend koper niet bereid zijn een hogere prijs voor de aandelen te betalen dan € 1. In het liquidatiescenario als toekomstperspectief is het verzoek van Conservatrix Groep tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling dus niet toewijsbaar.
- Wat betreft het overnamescenario heeft Conservatrix Groep gemotiveerd gesteld dat de door Trier betaalde prijs van € 1 de werkelijke waarde van de aandelen niet weerspiegelt. De Staat heeft dat weersproken.
- De Ondernemingskamer zal een deskundigenonderzoek gelasten ter beantwoording van de vraag naar de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. per 15 mei 2017 in het overnamescenario.
Hadden de aandelen in Conservatrix N.V. op 15 mei 2017, met inachtneming van de in de in de beschikking van 24 augustus 2021 genoemde uitgangspunten, een zodanige waarde dat in het overnamescenario (zie 3.10 sub B) tussen Conservatrix Groep als redelijk handelend verkoper en een redelijk handelend koper een prijs zou zijn overeengekomen die hoger is dan € 1?
Indien de waarde van de aandelen in het overnamescenario een prijs van meer dan € 1 rechtvaardigt: wat was op 15 mei 2017 de werkelijke waarde in de zin van artikel 6:8 lid 2 Wft Pro van alle aandelen in Conservatrix N.V. met inachtneming van de in 3.29 tot en met 3.47 van de beschikking van 24 augustus 2021 genoemde uitgangspunten en met inachtneming van hetgeen overigens in deze beschikking is overwogen?
- om een reactie dan wel aanpassing van het onderzoeksprotocol naar aanleiding van de door de Staat geformuleerde opmerkingen bij het onderzoeksprotocol;
- om een (ruwe) inschatting van de kosten van een beperkt/verkort onderzoek naar de waarde van de aandelen Conservatrix N.V. op de peildatum, zodat een eventueel kostbaar ‘volledig’ onderzoek achterwege kan blijven op het moment dat uit het beperkte onderzoek blijkt dat de waarde van de aandelen op de peildatum minder dan € 1 is;
- of vervolgens volstaan zou kunnen worden met een voorschot op basis van de inschatting van de kosten een dergelijk beperkt/verkort onderzoek.