ECLI:NL:GHAMS:2025:1348
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens ontbreken grieven
De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2025. Tijdens de terechtzitting op 7 mei 2025 verzocht de raadsman van de verdachte het hof om niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep, omdat de verdachte bij nader inzien berustte in het vonnis van eerste aanleg.
Het hof nam ook kennis van de vordering van de advocaat-generaal die eveneens strekte tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte. Het hof constateerde dat er geen schriftelijke grieven of mondelinge bezwaren tegen het vonnis waren ingediend door of namens de verdachte.
Gezien het ontbreken van grieven en het ontbreken van enig rechtens te respecteren belang bij onderzoek van de zaak, verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 mei 2025, waarbij de jongste raadsheer niet kon medeondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven en belang.