In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kinderrechter bevestigd waarbij de verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 20 uur, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, wegens openlijk geweld met discriminatoire uitlatingen.
De feiten betreffen een incident waarbij het slachtoffer, na het plakken van een transvlagsticker, door de verdachte en een medeverdachte werd onderuit geschopt en vervolgens een harde trap tegen het hoofd kreeg. Het slachtoffer ondervond pijn en letsel en voelde zich aangetast in zijn identiteit als lid van de queer community, met gevoelens van onveiligheid en angst.
Het hof heeft de ernst van het feit en de omstandigheden meegewogen, evenals het advies van de Raad voor de Kinderbescherming die geen intrinsieke homofobie bij de verdachte constateerde. Ook is meegewogen dat de verdachte spijt heeft betuigd en een mediationtraject heeft gevolgd.
Het hof acht een geheel onvoorwaardelijke taakstraf passend, mede gelet op de lopende schorsing van voorlopige hechtenis in een andere zaak. De vordering van het Openbaar Ministerie tot een zwaardere straf is afgewezen.