Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep de ontnemingsvordering tegen de betrokkene heroverwogen. De betrokkene was eerder onherroepelijk veroordeeld voor drugshandel in de periode van 2013 tot en met 2017. De rechtbank Noord-Holland had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €100.000, maar het hof vernietigde dit vonnis.
Het hof baseerde zich op getuigenverklaringen en telefoongegevens waaruit bleek dat de betrokkene circa 64 afnemers had, met een omzet van €20 per afnemer per week over vijftig weken. Na aftrek van 50% inkoopkosten kwam het hof tot een bedrag van €32.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor 2017. Voor eerdere jaren waren onvoldoende concrete gegevens beschikbaar.
De advocaat-generaal en de verdediging stelden verschillende bedragen voor, waarbij de verdediging pleitte voor een veel lager bedrag. Het hof matigde het bedrag met €5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en bracht €285 inbeslaggenomen bedrag in mindering. De betalingsverplichting aan de Staat werd vastgesteld op €26.715.
De betrokkene gaf aan niet te kunnen betalen vanwege een uitkering en schuldsanering, maar het hof vond onvoldoende concrete onderbouwing om de betalingsverplichting te matigen op grond van draagkracht. De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal 534 dagen.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 25 maart 2025.