ECLI:NL:GHAMS:2025:1006
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot verkoop erfpachtrecht in gemeenschap van goederen
De man en vrouw waren gehuwd in gemeenschap van goederen en bezaten gezamenlijk een erfpachtrecht met bedrijfsruimte. Na hun scheiding ontstond onenigheid over de verdeling van de gemeenschap, waarbij de man in kort geding verzocht om verkoop van het erfpachtrecht om zijn schuldeisers te betalen. De voorzieningenrechter wees dit af, en het hof bekrachtigt deze beslissing.
De man stelde dat hij aanzienlijke zakelijke en privé-schulden had en dat schuldeisers spoedig zouden executeren, waardoor verkoop noodzakelijk was. De vrouw betwistte de omvang en het bestaan van deze schulden en stelde dat de man voldoende eigen middelen had om te betalen, waaronder inkomen, AOW en een buitenlandse woning.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende bewijs leverde voor de schuldpositie en het dreigend executiegevaar. Ook was niet aannemelijk dat alleen verkoop van het erfpachtrecht dit gevaar kon afwenden. Het bewijsaanbod van de man werd gepasseerd vanwege de aard van de voorzieningenprocedure. Daarom werd het beroep van de man verworpen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de verkoop van het erfpachtrecht niet wordt toegestaan.