Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
geruime tijdvoordat [geïntimeerde] aan de kredietovereenkomst werd gebonden. Dit leidt er ingevolge artikel 7:60 lid 3 BW Pro toe dat [appellant] een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht. Om die reden heeft de kantonrechter de kredietovereenkomst vernietigd. De vorderingen van [appellant] zijn afgewezen, omdat zij naast de kredietovereenkomst geen andere grondslag heeft aangevoerd voor haar vorderingen.