Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
niettot de goederengemeenschap van [gedaagde] en [X] behoort, wordt opgeheven omdat het (in ieder geval in zoverre) ten onrechte en onjuist is gelegd. Zij hebben daartoe aangevoerd dat in de kluis die zij huren van de [y] B.V., sieraden en contant geld liggen van [X] c.s., van een goede vriend, van hun zoon en van [X] en [gedaagde] . Door de wijze waarop [gedaagde] beslag heeft laten leggen zijn alle goederen en geld in de kluis door het beslag getroffen. Door het beslag kan [X] c.s. niet beschikken over hun eigendommen en dat brengt hen in fincanciële problemen.
niettot het vermogen van [X] en [gedaagde] behoren, zoals hiervoor genoemd onder 1, 2 en 3.