ECLI:NL:GHAMS:2024:3466
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gedoogplicht voor overdraai windmolen en parkweg volgens Belemmeringenwet Privaatrecht
In deze civiele zaak heeft de minister aan een agrariër de plicht opgelegd om de overdraai van een windturbine en het gebruik van een parkweg ten behoeve van die windturbine te gedogen. De agrariër, eigenaar van het perceel, heeft tegen deze gedoogbeschikking bezwaar gemaakt en daarnaast een verzoek tot vernietiging ingediend bij het hof.
Het hof stelt vast dat het toetsingskader beperkt is tot de vraag of het gebruik van het perceel meer wordt belemmerd dan redelijkerwijs nodig is voor aanleg en instandhouding van het werk. De agrariër voert aan dat er alternatieven zijn waarbij de windmolen niet over zijn perceel draait en dat er sprake is van misbruik van recht en bevoegdheid, maar deze argumenten worden verworpen omdat zij buiten het beperkte toetsingskader vallen.
Verder oordeelt het hof dat de parkweg noodzakelijk is voor onderhoud en dat het deel op het perceel van de agrariër slechts geringe belemmering oplevert, mede omdat deze weg reeds bestond. Ook het argument dat de windmolen stilgezet kan worden bij bepaalde windrichtingen leidt niet tot toewijzing van het verzoek.
Het hof concludeert dat niet is aangetoond dat de gedoogplicht meer belemmering oplevert dan redelijkerwijs noodzakelijk is en wijst het verzoek tot vernietiging van de gedoogbeschikking af. Er wordt geen beslissing genomen over proceskosten aangezien partijen dit niet hebben verzocht.
Uitkomst: Het verzoek tot vernietiging van de gedoogbeschikking wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat de gedoogplicht meer belemmering oplevert dan redelijkerwijs noodzakelijk is.