In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Amsterdam wegens mishandeling heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bevestigd met uitzondering van de strafoplegging, die het vernietigde en opnieuw bepaalde. De verdachte werd veroordeeld voor het mishandelen van zijn levensgezel, waarbij hij haar meerdere malen sloeg, tegen een muur duwde en trapte, wat leidde tot pijn en een angstige situatie voor het slachtoffer.
Het hof voegde aan de bewijsmiddelen de verklaring van de verdachte toe, waarin hij bevestigde een stabiele relatie te hebben met het slachtoffer, die destijds zwanger van hem was. Het hof overwoog dat pijn bij mishandeling een feit van algemene bekendheid is en kwalificeerde het slachtoffer als levensgezel vanwege de nauwe lotsverbondenheid.
De politierechter had een gevangenisstraf van 15 dagen opgelegd, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis. Het hof achtte het taakstrafverbod van toepassing en legde een gevangenisstraf van twee weken op, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof motiveerde dat de ernst van het feit, de zwangerschap van het slachtoffer en het ontbreken van verantwoordelijkheid bij de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.
Het hof bepaalde tevens dat de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht in mindering wordt gebracht op de opgelegde straf. Het arrest werd uitgesproken op 19 januari 2024 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.