Uitspraak
1.Het procesverloop in hoger beroep
2.Feiten
[minderjarige], [in] 2010 te [plaats C] , Turkije.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter over een omgangsregeling tussen een vader en zijn bijna veertienjarige zoon. De ouders zijn gescheiden, waarbij de moeder het eenhoofdig gezag heeft. De omgangsregeling was oorspronkelijk vastgesteld in Turkije en later aangepast. Sinds de verhuizing van de moeder en zoon naar Nederland is het contact met de vader beperkt en vertoont de zoon grote weerstand tegen omgang.
In kort geding heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de zoon eenmaal per maand contact met de vader zou hebben in een restaurant, begeleid door de moeder of een derde. De moeder stelde dat dit niet in het belang van de zoon was en voerde aan dat er geen spoedeisend belang was. Het hof oordeelt dat het spoedeisend belang wel aanwezig is, maar dat de weerstand van de zoon tegen omgang groot is en dat kort geding niet geschikt is om de oorzaken daarvan te onderzoeken.
Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vordering van de vader af. Het benadrukt dat in een bodemprocedure nader kan worden onderzocht wat nodig is om de weerstand te verminderen. Het hof roept beide ouders op zich met hulpverlening in te spannen voor verbetering van de onderlinge verstandhouding en een veilige omgangsregeling. De kosten worden gecompenseerd tussen partijen.
Uitkomst: De vordering van de vader tot omgang met zijn zoon wordt afgewezen wegens grote weerstand van de minderjarige.