Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland waarbij verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het hof bevestigde het bewezenverklaarde feit, maar vernietigde de opgelegde straf en legde een nieuwe straf op.
De politierechter had een gevangenisstraf van vijf maanden opgelegd, maar het hof bepaalde een gevangenisstraf van 112 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 160 uur. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd, en de persoonlijke situatie van de verdachte.
Het vuurwapen werd na een politieachtervolging roekeloos in een achtertuin achtergelaten, wat het risico voor de veiligheid vergrootte. De verdachte toonde berouw en had zich uit eigen beweging aangemeld bij een psycholoog. Ook werd meegewogen dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou leiden tot het verlies van zijn woning. Daarnaast was er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Het hof achtte de combinatie van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf passend en geboden. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 23 juli 2024.