Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:2667

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juli 2024
Publicatiedatum
24 september 2024
Zaaknummer
23-003274-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis medeplegen vuurwapenbezit met aangepaste strafoplegging

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland waarbij verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het hof bevestigde het bewezenverklaarde feit, maar vernietigde de opgelegde straf en legde een nieuwe straf op.

De politierechter had een gevangenisstraf van vijf maanden opgelegd, maar het hof bepaalde een gevangenisstraf van 112 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 160 uur. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd, en de persoonlijke situatie van de verdachte.

Het vuurwapen werd na een politieachtervolging roekeloos in een achtertuin achtergelaten, wat het risico voor de veiligheid vergrootte. De verdachte toonde berouw en had zich uit eigen beweging aangemeld bij een psycholoog. Ook werd meegewogen dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou leiden tot het verlies van zijn woning. Daarnaast was er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Het hof achtte de combinatie van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf passend en geboden. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 23 juli 2024.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 112 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 160 uur opgelegd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003274-23
datum uitspraak: 23 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-290803-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 112 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie brengt vanwege de kans op het gebruik daarvan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Dit geldt temeer nu het vuurwapen door de verdachte of een van zijn mededaders na een politieachtervolging roekeloos in een achtertuin is achtergelaten.
Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals door de raadsvrouw en de verdachte ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, met het feit dat de verdachte zich uit eigen beweging heeft aangemeld bij een psycholoog ter ondersteuning bij de verwerking van een aantal ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven en met het feit dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf als gevolg zal hebben dat de verdachte zijn woning zal kwijtraken. De verdachte verklaart sinds het bewezenverklaarde feit, dat in 2019 is gepleegd, afstand te hebben genomen van het criminele milieu waarin hij zich bevond. Steun daarvoor is te vinden in het uittreksel justitiële documentatie van 8 juli 2024, in die zin dat het aantal justitiecontacten de laatste jaren fors is afgenomen.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees verdrag van de rechten van de mens, in eerste aanleg is met ongeveer 24 maanden is overschreden. Hierin ziet het hof aanleiding om de advocaat-generaal te volgen in haar eis en een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen en daarnaast een taakstraf op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
112 (honderdtwaalf) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
80 (tachtig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. V.M.A. Sinnige en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2024.