Deze zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gezinshuis. De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de machtiging verlengde tot 19 februari 2025. De gecertificeerde instelling (GI) en de raad voor de kinderbescherming voeren aan dat de situatie onveranderd is en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft.
De minderjarige vertoont complex gedrag na omgang met de ouders, wat ook op school zichtbaar is. Het hof constateert dat de minderjarige sinds november 2022 in een gezinshuis verblijft en dat de ouders begeleide omgang hebben. Ondanks de meewerkende houding van de ouders is het gedrag van de minderjarige zorgelijk en is terugplaatsing niet aan de orde.
Het hof oordeelt dat de gronden voor verlenging van de machtiging aanwezig zijn en dat de inmenging in het gezinsleven gerechtvaardigd is in het belang van de minderjarige. De bestreden beschikking wordt dan ook bekrachtigd en het verzoek van de ouders afgewezen.