Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin de moeder een maandelijkse bijdrage van €157 aan kinderalimentatie moest betalen. De moeder betwistte haar draagkracht, onder meer vanwege een arbeidsonbekwaamheid tijdens de aanvraag van haar verblijfstitel.
Het hof stelde vast dat de moeder ondanks beperkingen en een tijdelijk verbod op arbeid toch (deels zwart) heeft gewerkt, maar onvoldoende bewijs was voor het door de rechtbank aangenomen inkomen van €20.160 bruto per jaar. Op basis van haar aangifte IB 2022 stelde het hof de draagkracht vanaf 12 mei 2023 vast op €25 per maand, oplopend naar €75 per maand vanaf 1 november 2024.
De zorgregeling voor de minderjarige is beperkt en de moeder woont bij haar zus zonder woonlasten, maar het hof houdt rekening met toekomstige woonlasten. Het verzoek tot schorsing van de beschikking werd afgewezen omdat het belang daarvoor was komen te vervallen. De beschikking van de rechtbank werd op dit punt vernietigd en deels opnieuw vastgesteld.
Uitkomst: De moeder moet vanaf 12 mei 2023 €25 per maand en vanaf 1 november 2024 €75 per maand kinderalimentatie betalen; het verzoek tot schorsing is afgewezen.