ECLI:NL:GHAMS:2024:2143
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep alimentatie: vaststelling partner- en kinderalimentatie na scheiding
Deze zaak betreft een hoger beroep over de hoogte van de partner- en kinderalimentatie die de man aan de vrouw moet betalen na hun scheiding. De rechtbank had eerder een lagere alimentatie vastgesteld dan de vrouw vorderde. Het hof beoordeelde de behoefte van de vrouw en kinderen aan de hand van de uitgaven tijdens het huwelijk, waarbij het overzicht van de man als uitgangspunt werd genomen, met correcties voor woonlasten en vakantie-uitgaven.
De vrouw stelde dat de hofnorm op basis van het inkomen uit 2016 moest worden toegepast, maar het hof verwierp dit standpunt als een gepasseerd station. De man leverde een uitgebreide analyse van bankafschriften over 2017-2019, die het hof grotendeels aannam, met een correctie voor de hogere woonlasten van de vrouw en een hogere schatting van vakantie-uitgaven. De behoefte van de kinderen bleef binnen de maximale tabelbehoefte.
De netto aanvullende behoefte van de vrouw werd vastgesteld op circa €1.375 per maand in 2022 en €1.374 in 2023, wat leidt tot een bruto partneralimentatie van respectievelijk €2.618 en €2.608. De kinderalimentatie werd bekrachtigd conform de rechtbank, waarbij de man de volledige behoefte minus zorgkorting betaalt. Het hof wees het verzoek van de man af om de vrouw in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt verhoogd tot €2.618 per maand tot eind 2022 en €2.608 vanaf 2023, terwijl de kinderalimentatie wordt bekrachtigd conform rechtbank.